Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
second opiniondat de advocaat van betrokkene ter zitting had gedaan. Volgens de klacht is hiermee art. 29 Wet Pro Bopz en art. 5, lid 1 onder e, EVRM geschonden, dan wel de beslissing van de rechtbank onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Ter toelichting wordt een beroep gedaan op HR 29 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AS59778) waarin is geoordeeld dat een verzoek om een aanvullend deskundigenonderzoek slechts gemotiveerd kan worden afgewezen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
second opinionnauwelijks was gespecificeerd [21] . Uit de beschikking blijkt dat de rechtbank het ernstig vermoeden dat betrokkene lijdt aan een geestesstoornis heeft gebaseerd op de overgelegde geneeskundige verklaring van [betrokkene 1] (AIOS) en de aanvulling daarop van de psychiater [betrokkene 2] (de zgn. ‘Varbanov-verklaring’) alsmede op de tijdens de mondelinge behandeling verkregen inlichtingen, onder anderen van arts-assistent [betrokkene 3]. Kennelijk achtte de rechtbank zich zonder
second opinionvoldoende voorgelicht om te kunnen beslissen tot een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Dat oordeel is, gezien de inhoud van de genoemde verklaringen en het proces-verbaal, niet onbegrijpelijk.