Conclusie
(hierna: Kolom)
1.Feiten
2.Procesverloop
[A] /Sipor) zal zijn geconcludeerd. [4] Beide partijen hebben vervolgens een schriftelijke toelichting gegeven. Kolom heeft ten slotte een conclusie van dupliek genomen.
3.Het juridische kader
eerste onderdeelbevat een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van een opzegging in de zin van art. 7:673 BW Pro en art. 7:681 BW Pro. Het
tweede onderdeelbehelst een motiveringsklacht ten aanzien van de beslissing dat geen sprake is geweest van opzegging van de arbeidsovereenkomst. Het
derde onderdeelbouwt voort op de eerste twee onderdelen.
op initiatief van de werkgeverplaatsvindt. [7] Het gaat om de volgende gevallen:
op initiatief van de werknemerwegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
nietals voorwaarde stelt dat de werknemer niet heeft ingestemd met de opzegging. Zie hierover Van Slooten, Zaal & Zwemmer: [8]
aan te gaan, een dergelijke overeenkomst in beginsel slechts tot stand zal komen indien de werknemer het idee heeft dat dat voor hem financieel en of anderszins aantrekkelijk is.”
zal er voor werkgevers geen aanleiding meer zijn om een arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer uitsluitend in stand te laten om de transitievergoeding niet te hoeven betalen (de zogenaamde slapende dienstverband problematiek).’ [17]
Opvallend is dat in het wetsvoorstel ook een UWV-compensatie van de door de werkgever betaalde transitievergoeding wordt voorgesteld bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Dit voorstel is als volgt toegelicht: [24]
Geen onderscheid naar aard arbeidsovereenkomst of wijze van beëindiging
b. de werknemer aansluitend de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
gedeeltelijketransitievergoeding. Voor het overige wordt er in de Wwz vanuit gegaan dat de transitievergoeding óf volledig óf niet verschuldigd is. Dit roept de vraag op wat rechtens is in de situatie waarin de werknemer een deeltijdontslag of een wijzigingsontslag (tevens inhoudende een vermindering van het aantal uren) krijgt. Heeft de werknemer dan aanspraak op een gehele transitievergoeding of bestaat er géén recht op transitievergoeding? Of kan in dat geval toch een gedeeltelijke transitievergoeding worden toegekend? Ter beantwoording van deze vraag zal eerst nader worden ingegaan op het deeltijd- en wijzigingsontslag.
tenzij dit onvermijdelijk is en de werkgever de werknemers waarvan de arbeidsplaats gedeeltelijk vervalt schriftelijk heeft aangeboden de arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden voort te zetten voor het resterende deel van de overeengekomen arbeidsduur”. Deeltijdontslag kan dus alleen worden gegeven als dit
onvermijdelijkis en als de werkgever
schriftelijk heeft aangebodenonder dezelfde voorwaarden de arbeidsovereenkomst voort te zetten voor het resterende deel van de overeengekomen arbeidsduur. In de toelichting op art. 4 van Pro de Ontslagregeling is onder meer als voorbeeld gegeven dat een klein bedrijf dat zonwering plaatst, twee monteurs in dienst heeft. Door halvering van de orderportefeuille moet het personeelsbestand met de helft worden verminderd. Om de zonwering te plaatsen zijn echter twee monteurs nodig. In een dergelijke situatie is deeltijdontslag (beide monteurs voor de helft) toegestaan.
[B] /Woonzorg. [33] Het ging hier om een werknemer die werkzaam was als beheerder van een wooncomplex voor 36 uur per week en daarnaast op basis van zijn arbeidsovereenkomst 38 uur per maand beschikbaarheidsdiensten verrichte voor het wooncomplex. Woonzorg besloot om de beschikbaarheidsdiensten uit te besteden en verzocht het CWI (thans UWV) om een ontslagvergunning. Deze werd verleend door het CWI, onder de premisse [34] dat Woonzorg aansluitend aan de beëindiging van het lopende dienstverband een nieuwe arbeidsovereenkomst voor 36 uur met evenredig aangepaste arbeidsvoorwaarden aan de werknemer zou aanbieden. Daarop heeft Woonzorg de arbeidsovereenkomst opgezegd en de werknemer een schadeloosstelling aangeboden. De werknemer aanvaardde de nieuwe arbeidsovereenkomst voor 36 uur, maar stelde tevens een vordering in wegens kennelijk onredelijk ontslag. De Hoge Raad oordeelde dat een wijzigingsontslag waarbij wordt uitgegaan van de premisse dat de werkgever de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aanbiedt, in zijn algemeenheid niet in strijd komt met de strekking van het BBA en het Ontslagbesluit (rov. 3.3.3). Voorts oordeelde de Hoge Raad dat als er door de gekozen route van het wijzigingsontslag sprake is van het omzeilen van de uit de artikelen 7:613 BW en 7:611 BW voortvloeiende rechtsbescherming van de werknemer tegen onredelijke voorstellen van de werkgever, dit een omstandigheid is die moet worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is (rov. 3.4.2). Volgens de Hoge Raad was in deze zaak van zo’n omzeiling geen sprake, gegeven de door het hof vastgestelde onvermijdelijkheid van een aanpassing van de functie-inhoud als gevolg van het wegvallen van de beschikbaarheidsdiensten, en gelet op de aanvaarding door de werknemer van het – kennelijk door hem niet onredelijk geachte – aanbod tot wederindiensttreding, waarbij het hof mede in aanmerking heeft genomen dat het ontslag en de aansluitende wederindienstneming overeenstemde met de door het CWI verleende toestemming en de daarbij gestelde premisse (rov. 3.4.3).
[C] /Mammoet. [35] Het ‘driestappenplan’ dat in het kader van de toepassing van
[C] /Mammoetmoet worden gevolgd verloopt als volgt. Eerst dient te worden onderzocht of de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden. Vervolgens moet worden onderzocht of het voorstel van de werkgever redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel. Tenslotte moet worden beoordeeld of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden.
Dit laatste argument acht ik niet sterk. Naar mijn mening kan slechts worden vastgesteld dat tijdens de parlementaire behandeling van de Wwz het probleem van deeltijdontslag in relatie tot de transitievergoeding niet onder ogen is gezien.
formeleopzegging, onafhankelijk van de vraag of het dienstverband materieel wordt voortgezet (vergelijk Allegra, onder punt 3.18). In de tweede plaats is te wijzen op de in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk verwoorde doelstelling van deze verrekeningsregeling, dat beoogd is te voorkomen dat een dienstverband
tweemaaltot een recht op transitievergoeding leidt. [45] Dat lijkt mij een sterke aanwijzing om aan te nemen dat een werkgever níet de volledige transitievergoeding is verschuldigd indien de werknemer – door een deeltijd- of wijzigingsontslag – een deel van zijn arbeidsuren verliest. Als op een later moment de werknemer wordt ontslagen uit het overgebleven dienstverband, moet immers opnieuw een transitievergoeding worden betaald, zij het dat deze berekend wordt over een geringer aantal uren.
geentransitievergoeding is verschuldigd over de verloren uren van het dienstverband, dit een benadeling van de werknemer oplevert (vergelijk s.t. Sagel onder punt 20-21). De werknemer is over de verloren uren de transitievergoeding voorgoed kwijt; als hij later ontslagen wordt uit het overgebleven dienstverband, zal de transitievergoeding immers worden berekend over dat kleinere dienstverband. Dit is naar mijn mening niet in overeenstemming met het in de wetsgeschiedenis benadrukte doel van de transitievergoeding, het bevorderen van de rechtsgelijkheid en de rechtszekerheid. [46] Volgens de cassatieadvocaat van [verzoekster] zou dit zelfs misbruik in de hand kunnen werken, doordat de werkgever de kosten van een transitievergoeding kan verlagen door de werknemer eerst te confronteren met een deeltijd- of wijzigingsontslag (s.t. Sagel onder punt 22). Bovendien is te wijzen op het ‘spaarkarakter’ van de transitievergoeding, dat naar voren komt bij de regel dat als sprake is van overgang van onderneming, de rechten en plichten verbonden aan de arbeidsovereenkomst van de werknemer overgaan op de verkrijger (art. 7:673 lid 4 sub b BW Pro). Aan dit ‘spaarkarakter’ wordt afbreuk gedaan als een werknemer ergens tijdens zijn dienstverband een deel van zijn aanspraak op de transitievergoeding kwijtraakt omdat hij voor een deel van zijn dienstverband wordt ontslagen. Overigens is dat ‘spaarkarakter’ van de transitievergoeding betrekkelijk. Een werknemer die nooit ontslagen wordt zal de transitievergoeding immers nooit ontvangen. En beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd levert geen aanspraak op een transitievergoeding op (art. 7:673 lid 7 onder Pro b BW).
factsheet Wet werk en zekerheid: de transitievergoeding’, opgesteld door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarin in noot 2 het volgende is vermeld (vergelijk s.t. Sagel onder 29): [47]
actsheet’ kan dan ook worden doorgetrokken naar een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.
gehelearbeidsovereenkomst. Dat is begrijpelijk, omdat de wet geen partiële opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst kent en er vanuit gaat dat de arbeidsovereenkomst ondeelbaar is. In de praktijk blijkt echter toch sprake te kunnen zijn van een deeltijdontslag, al dan niet in combinatie met andere wijzigingen van de arbeidsovereenkomst (wijzigingsontslag). Ook kan zich voordoen dat werkgever de werknemer verzoekt om in te stemmen met een wijziging van de arbeidsovereenkomst, in die zin dat de omvang van de arbeidsovereenkomst wordt verminderd. Feitelijk wordt daarmee verzocht om instemming met een gedeeltelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst.
altijdaanspraak heeft op een transitievergoeding. Of de werknemer in een concreet geval nadeel ondervindt door het deeltijd- of wijzigingsontslag, is niet relevant omdat benadeling bij toekenning van de transitievergoeding geen vereiste is. Verder is van belang dat de werknemer door het niet toekennen van een transitievergoeding aanzienlijk nadeel kan ondervinden in de situatie dat hij later alsnog voor het resterende dienstverband wordt ontslagen. Hij heeft dan slechts recht op een transitievergoeding die is berekend over het resterende dienstverband.
Volledigheidshalve merk ik op dat het voorgaande niet is toe te passen op situaties waarin een werknemer ontslagen wordt en door een opvolgend werknemer voor een geringer aantal uren in dienst wordt genomen. Daarvoor geldt de specifieke regeling van art. 7:673 lid 5 BW Pro.
Indien bij het onderzoek naar de blijvende ongeschiktheid voor zijn betrekking, bedoeld in de voorgaande leden, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in het kader van de WIA-claimbeoordeling van oordeel is, dat de werknemer arbeidsgeschikt is voor en herplaatsbaar in zijn eigen betrekking onder andere voorwaarden, dan wel in één of meer andere functies bij de werkgever, is ontslag slechts mogelijk indien de werknemer direct aansluitend onder die andere voorwaarden in zijn betrekking, dan wel in die andere functie of één van die andere functies wordt benoemd.”
feitelijksprake is van overeenstemming tussen werkgever en werknemer over de herplaatsing in een andere functie en in een andere arbeidsomvang. Zie bijvoorbeeld een uitspraak van het gerechtshof Den Haag: [61]
alle wijzen van opzeggingop initiatief van de werkgever dat dit leidt tot een aanspraak op de transitievergoeding. Alleen wanneer sprake is van een beëindigingsovereenkomst, is er geen recht op een transitievergoeding. De regering is er daarbij vanuit gegaan dat partijen in hun beëindigingsovereenkomst een met de transitievergoeding vergelijkbare financiële vergoeding overeenkomen.
wezen gaat voor schijn-doctrine’, waarnaar wordt verwezen in de uitspraak onder 3.38, is ontwikkeld met het oog op de vraag wat het karakter van een arbeidsverhouding is. [62] Daarbij gaat het erom dat een werknemer niet de dupe mag worden van door de werkgever bedachte arbeidsconstructies, die in feite zijn aan te merken als een arbeidsovereenkomst. De bescherming van de werknemer staat hierbij dus voorop. Tegen deze achtergrond zie ik geen aanleiding om deze doctrine door te trekken naar de vraag of ‘werkelijk’ sprake is geweest van (deeltijd)ontslag.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen de eerste zin van rechtsoverweging 3.8 van ’s hofs beschikking:
“dat, gelet op de onderhavige omstandigheden, het op 15 oktober 2015 door Kolom aan [verzoekster] toesturen van genoemde brief met daarbij in het vooruitzicht gesteld een Akte van Ontslag en een Akte van benoeming, niet is aan te merken als een opzegging in de zin van artikelen 7:673 en 681 BW.”Het onderdeel bevat een algemene en een specifieke rechtsklacht tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van opzegging in de zin van art. 7:673 BW Pro en 7:681 BW.
eerste subonderdeelwordt aangevoerd dat het hof door te onderzoeken of sprake is van een (reguliere) opzegging klaarblijkelijk (ten onrechte) aanvullende eisen stelt ten aanzien van het ontstaan van het recht op transitievergoeding van art. 7:673 BW Pro. [64]
tweede subonderdeelwordt betoogd dat het hof door te oordelen dat [verzoekster] met de beëindiging heeft ingestemd, miskent dat de werknemer die instemt met de opzegging ook recht heeft op een transitievergoeding. [65] Het
derde subonderdeelziet op ’s hofs overweging dat de wijze waarop partijen de herplaatsing hebben vormgegeven een gevolg is van de CAO-voorschriften. Aangevoerd wordt dat niet valt in te zien waarom daaruit volgt dat geen sprake is van opzegging, aangezien ook opzeggingen op grond van de CAO onder art. 7:673 BW Pro vallen. [66] Daaraan wordt toegevoegd dat dit evenzeer geldt wanneer de verplichting tot beëindiging gepaard gaat met de verplichting tot herplaatsing en partijen niet de bedoeling hebben gehad een einde te maken aan de arbeidsrelatie, hetgeen eveneens geldt indien de verplichting tot beëindiging gepaard gaat met een verplichting tot herplaatsing waardoor geen einde aan de arbeidsrelatie wordt gemaakt. [67] Voorts wordt opgemerkt dat uit de CAO-tekst niet kan worden afgeleid dat de opzegging niet als opzegging in de zin van 7:673 BW moet worden aangemerkt. CAO-partijen kunnen goede redenen hebben gehad om voor te schrijven dat de gedeeltelijk herplaatste werknemer een transitievergoeding krijgt omdat dit de bereidheid van de werknemer om aan herplaatsing mee te werken zal bevorderen. Ten slotte wordt erop gewezen dat de transitievergoeding tevens is bedoeld als compensatie van inkomensverlies waarvan ook in het geval van de werknemer die deels wordt herplaatst sprake zal zijn. [68]
tweede onderdeelwordt voor zover het hof met ‘opzegging in de zin van art. 7:673 en Pro 7:681 BW’ een (reguliere) opzegging bedoelt, aangevoerd dat het oordeel dat daarvan geen sprake was onbegrijpelijk is in het licht van zijn latere vaststelling, dat de CAO voorziet in herplaatsing ‘door middel van het geven van ontslag en aansluitende (her)benoeming’ en dat ‘Kolom en [verzoekster] (…) dienovereenkomstig gehandeld’ hebben. Uit die laatste vaststellingen volgt immers dat wèl sprake is geweest van opzegging. Het oordeel van het hof is daarom innerlijk tegenstrijdig, temeer daar in de brief van Kolom aan [verzoekster] wordt vermeld dat het dienstverband wordt
beëindigdomdat de termijn van de
ontslagbeschermingis verstreken, waarbij bovendien rekening wordt gehouden met de geldende
opzegtermijn.
Zoals hiervoor uiteen is gezet (zie onder 3.27), leidt het enkele feit dat sprake is van opzegging op de voet van art. 7:673 lid 1 sub a onder Pro 1e BW tot een aanspraak op een transitievergoeding. Die aanspraak bestaat ook als de werknemer heeft ingestemd met de opzegging. Dat betekent dat niet van belang is of [verzoekster] heeft ingestemd met de opzegging. Alleen indien sprake zou zijn van een beëindigingsovereenkomst zou zij geen aanspraak kunnen maken (zij het dat de regering er vanuit ging dat in de beëindigingsovereenkomst een vergelijkbare financiële voorziening wordt getroffen). In het onderhavige geval is niet door het hof vastgesteld dat sprake is van een beëindigingsovereenkomst en dat blijkt ook nergens uit. [69] Nu niet van belang is of [verzoekster] heeft ingestemd met de opzegging door Kolom, kan niet als redengevend argument voor afwijzing van de transitievergoeding worden gegeven ‘dat aanstelling voor 55% van de volledige werktijd in nauw overleg met haar tot stand is gekomen’; dat partijen hierover ‘overeenstemming hadden bereikt’, of dat [verzoekster] binnen enkele dagen de Akte van benoeming ondertekend heeft geretourneerd.
derde onderdeelbevat geen zelfstandige klacht en behoeft geen nadere bespreking.