Conclusie
In cassatie gaat het alleen nog over de begroting van de schade van PME (in verband met het bepalen van de omvang van de haar toekomende (vervangende) schadevergoeding). In eerste aanleg heeft PME haar begroting deels gebaseerd op gemiddelde verkoopprijzen, berekend aan de hand van de door haar via openbaar beschikbare informatie achterhaalde verkoopprijzen. [eiseres] heeft daartegenover volstaan met de stelling dat de berekening van PME niet klopte, zonder haar eigen berekening van een onderbouwing te voorzien. De rechtbank vond deze betwisting van [eiseres] onvoldoende en heeft de schade begroot op basis van de gegevens van PME.
In hoger beroep heeft [eiseres] aan de hand van rekenkundige overzichten, onderbouwd met onderliggende stukken van alle 233 woningen, gesteld dat op grond van de gerealiseerde verkoopprijzen en de daadwerkelijke verhouding tussen particuliere kopers (courtage van 1,5%) en beleggers (courtage van 1%) de schade op een lager bedrag moet worden begroot. Een deel van de informatie in de onderliggende stukken heeft [eiseres] uit privacyoverwegingen weggelakt. Volgens PME zijn de zwartgemaakte delen van belang om de gegevens te kunnen verifiëren. Het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] haar verweer tegen de begroting van PME onvoldoende heeft onderbouwd en heeft (dus) geen correctie doorgevoerd op het door de rechtbank begrote bedrag aan schade. In cassatie komt [eiseres] tegen dit oordeel op.
1.Feiten
legal counselbij [eiseres] (hierna: ‘ [betrokkene 3] ’), aan PME onder meer geschreven, kort samengevat, dat [betrokkene 2] betwist dat [eiseres] heeft ingestemd met de afspraken zoals vermeld in het tweede deel van de afsprakenbrief (het verkooprecht met bijbehorende courtages).
2.Procesverloop
Eerste aanleg
primair:
1) een bedrag van € 1.394.330 (verschuldigde courtages uit hoofde van het exclusieve verkooprecht), te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 10 augustus 2018;
2) een bedrag van € 2.694,57 althans € 2.410,37 (restant aanbrengvergoeding), te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 10 augustus 2018; en
subsidiair:
de uit hoofde van de omzettingsverklaring te vergoeden schade, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, nader op te maken bij staat;
1) € 858.556 (zie echter randnummer 2.13 hierna), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 10 augustus 2018;
- PME heeft verzuimd per object haar bespaarde verkoopkosten in de berekening te betrekken.
[eiseres] heeft als productie 10 een eigen berekening overgelegd waarin zij de schade van PME begroot op een bedrag van € 186.678,- inclusief btw.”
(…)
Bouwblok BenjaminDit bouwblok bestaat uit 29 woningen. De gemiddelde verkoopprijs ervan op basis van 16 bekende verkoopprijzen is € 474.969,-. De verkoopprijs van het totale bouwblok bedraagt dan naar schatting € 13.774.094. Alle woningen zijn aan particulieren verkocht, zodat een courtage van 1,5 % zou hebben gegolden. Dat is in totaal (afgerond) € 206.611,-.
Van deze woningen zijn er 11 verkocht aan particulieren, hetgeen een courtage zou hebben opgeleverd van (afgerond) € 89.550,-. De overige 15 zijn verkocht aan een belegger. De courtage over dat totaal à 1% zou zijn geweest € 81.409,-. In totaal is dat een bedrag van € 170.959,-.
Totaal misgelopen courtage exclusief btw en minus verkoopkosten
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
verkoopprijs x courtage -/- hypothetische kosten” welke formule “
als zodanig overigens niet ter discussie[staat]”. Het onderdeel stelt deze formule ook niet ter discussie, maar richt zich tegen de invulling die het hof heeft gegeven aan het eerste deel van deze formule (“
verkoopprijs x courtage”).
verkoopprijs x courtage -/- hypothetische kosten”wordt immers de waarde van de prestatie in de nakoming waarvan [eiseres] is tekortgeschoten tot uitdrukking gebracht. De vermogensvermindering die PME ten tijde van de niet-nakoming door [eiseres] van het tweede deel van de afsprakenbrief heeft geleden ten opzichte van de situatie waarin PME zou zijn geraakt bij behoorlijke nakoming van die afspraak door [eiseres] is inherent onzeker. Wat daarvan zij, ook zo beredeneerd komt het leerstuk van abstracte schadevergoeding bij toepassing van art. 6:87 BW Pro niet (snel) in beeld. Uit de in het vorige randnummer geciteerde rechtsoverweging van Uw Raad blijkt wel dat bepaalde omstandigheden buiten beschouwing moeten blijven bij de schadeberekening ex art. 6:87 BW Pro, maar dat is, zoals Hijma in zijn noot onder het arrest terecht heeft opgemerkt, geen kwestie van abstracte schadebegroting, maar een consequentie van “
het beperkte blikveld” van schadebegroting ex art. 6:87 BW Pro. [26]
-/- hypothetische kosten”) merk ik nog het volgende op. De wijze waarop het hof die kosten heeft begroot, wordt in cassatie niet aan de orde gesteld. PME heeft de verkoopkosten begroot op € 800 per appartement (gebaseerd op een uitsplitsing naar soort kosten (marketing, public relations, overhead en overige kosten en arbeid) en een toelichting per post), dus op een totaal van € 186.400 voor alle 233 verkochte en geleverde appartementen. In eerste aanleg heeft [eiseres] dit bedrag niet weersproken (zie randnummer 2.10 hiervoor). De rechtbank heeft dat overgenomen (zie randnummer 2.12). [27] In hoger beroep komt [eiseres] met grief 5, waarin zij kort gezegd heeft gesteld dat € 800 een veel te laag bedrag is, tegen dit oordeel op. Het hof heeft deze grief verworpen in rov. 6.15-6.20. Dit deel van het arrest wordt in cassatie niet bestreden.
Het is in beginsel aan PME om te stellen en te bewijzen wat de omvang van haar schade is.” Aan PME mogen in dit verband geen strenge eisen worden gesteld. [29] Het hof heeft in rov. 6.5 overwogen dat PME (ruimschoots) aan de op haar in dit verband rustende stelplicht heeft voldaan: “
PME heeft in de gegeven omstandigheden gedaan wat zij kon en heeft een goed onderbouwde begroting overgelegd” (zie ook reeds rov. 6.3 waarin wordt gesproken van “
een gedetailleerde schadebegroting per bouwblok”). Het hof heeft daarbij betrokken dat PME door het niet-nakomen van het tweede deel van de afsprakenbrief door [eiseres] niet zelf op de hoogte is van alle werkelijke gegevens (gerealiseerde verkoopprijzen en hoedanigheid van kopers). Het hof heeft vervolgens in rov. 6.5 overwogen dat [eiseres] de begroting van PME onvoldoende gemotiveerd heeft betwist: “
Tegenover deze beredeneerde begroting (schatting) van de verkoopwaarde heeft [eiseres] te weinig naar voren gebracht, hoewel dat wel van haar gevergd kon worden, nu de betreffende gegevens in haar domein liggen.” Met abstracte schadebegroting heeft dit alles niets van doen. [30] Het hof diende de concreet gederfde opbrengsten en kosten aan de hand van alle relevante en na feitenonderzoek bekende omstandigheden zo goed mogelijk in te schatten. [31] Dat is wat het hof heeft gedaan.
verkoopprijs x courtage -/- hypothetische kosten”te onderzoeken. Het moge duidelijk zijn dat het hof daarbij niet volledig afhankelijk is van de informatie die partijen op eigen initiatief naar voren hebben gebracht. [32] Het hof kon partijen in dit verband bevragen en bovendien bevelen dat zij bescheiden overleggen, waarbij voor de hand ligt dat hij dat laatste
indien nodighad gedaan. [33] De vraag die in dit geval opkomt, is wanneer een dergelijk bevel noodzakelijk is, in de zin dat het hof daartoe niet alleen de bevoegdheid had maar in het kader van de schadebegroting ook
gehoudenzou zijn om van die discretionaire bevoegdheid gebruik te maken. Een dergelijke verplichting wordt niet snel aangenomen. Dat het hof in dit geval niet van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, is, mede gelet op het partijdebat op dit punt (zie rov. 6.6-6.7) en ook de proceshouding van [eiseres] waarop PME heeft gewezen (zie rov. 6.7, slot), niet onbegrijpelijk. Het hof was zonder de desbetreffende gegevens van [eiseres] al in staat de schade van PME concreet te schatten. Van [eiseres] mocht bovendien worden verwacht dat zij zelf haar best deed om de relevante feiten (in dit geval verifieerbare verkoopgegevens) aan te dragen. [34] Nu zij dat naar het oordeel van het hof kennelijk niet of onvoldoende heeft gedaan en het hof ook zonder die gegevens van [eiseres] in staat was aan zijn schadebegrotingstaak te voldoen, bestond er mijns inziens voor het hof geen
verplichting[eiseres] via art. 22 Rv Pro of een bewijsopdracht de helpende hand te bieden.
verkoopprijs x courtage”). [35] Het hof heeft echter uitvoerig gemotiveerd dat het deze gegevens niet heeft kunnen gebruiken, omdat die op relevante punten niet konden worden geverifieerd (rov. 6.7) en dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij niet meer kon doen dan zij heeft gedaan om – in mijn woorden – de desbetreffende gegevens op een verifieerbare wijze én AVG-
proofin het geding te brengen (rov. 6.8). Het hof heeft in rov. 6.8 bovendien gewezen op verschillende mogelijkheden die [eiseres] daarbij had kunnen benutten: het zelf inschakelen van een registeraccountant, het in een veel eerder stadium in overleg treden over tijdelijke afgifte of inzage en/of het vragen van toestemming aan kopers om de relevante informatie te mogen overleggen. Ik voeg daaraan toe dat dit oordeel voor [eiseres] ook niet als een verrassing kan zijn gekomen nu de rechtbank in rov. 2.24. van het eindvonnis (zie randnummer 2.8 hiervoor) al had geoordeeld dat [eiseres] de relevante informatie op een voor haar acceptabele manier in het geding had kunnen brengen, waarop het hof in rov. 6.6 ook weer heeft gewezen. Nu [eiseres] dit in hoger beroep heeft nagelaten, zoals het hof in rov. 6.7, eerste zin, heeft benadrukt (“
heeft dit laatste[de relevante informatie op een voor haar wel acceptabele manier in het geding brengen, om zo haar verweer te kunnen onderbouwen,
A-G]
niet alsnog gedaan (…)”), is het niet onbegrijpelijk dat het hof het volgen van de beredeneerde schatting van PME als consequentie heeft verbonden aan het ontbreken van verifieerbare gegevens van [eiseres] over de daadwerkelijk gerealiseerde verkoopprijzen en hoedanigheid van kopers. [36]
ten eerste, met een beroep op randnummer 25. van de memorie van grieven, dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 6.9, vierde zin, van het bestreden arrest heeft overwogen dat uit de stellingen in hoger beroep duidelijk is geworden dat [eiseres] niet bereid was om alle documenten in ongecensureerde vorm in het geding te brengen.
niet enkel digitaal maar ook fysiek in het geheelkennis te kunnen te nemen, om alle akten uit productie 12
ook fysiek in het geheelin het geding te brengen.”
in het geheel” als bedoeld in het hiervoor weergegeven citaat niet heeft uitgelegd als “
in ongecensureerde vorm” als door het hof bedoeld, dus zonder dat essentiële informatie in de akten was weggelakt. Het hof, aan wie de uitleg van de gedingstukken als feitenrechter is voorbehouden, kon het bedoelde bewijsaanbod alleszins begrijpelijk uitleggen zoals het heeft gedaan, dus dat het bewijsaanbod alleen erop zag dat de zwartgelakte akten niet alleen digitaal maar ook fysiek in het geding zouden worden gebracht.
digitaal geheel” in het geding brengen eveneens de deels zwartgelakte akten worden verstaan (met onderstreping van mij):
A-G] worden vanwege de omvang
alleen digitaal geheel in het geding gebrachtop een bij deze akte aangeboden USB-stick, teneinde te vermijden dat vele dozen met duizenden pagina’s aan fysieke papieren akten in het geding moeten worden gebracht. Uit privacyoverwegingen is alle tot personen herleidbare informatie op de akten zwart gemaakt. Die persoonsgegevens zijn voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet van belang.”
ten tweede, met een beroep op het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep, dat rov. 6.8, eerste zin, van het bestreden arrest, waarin het hof heeft overwogen dat [eiseres] ter zitting heeft verklaard dat zij vanwege de AVG niet alle originele aktes ter controle aan PME wil geven, onbegrijpelijk is.
ten derdedat, in het licht van het bewijsaanbod in randnummer 55. van de memorie van grieven, het oordeel van het hof in rov. 6.9 van het bestreden arrest dat het aanbod ter zitting om een registeraccountant naar de aktes te laten kijken, is gedaan in het kader van een eventuele regeling en partijen geen regeling hebben bereikt, maar arrest hebben gevraagd, onbegrijpelijk is.
voor de goede orde” nog afzonderlijk ingaat op het ter zitting gedane aanbod in het kader van een regeling, waaronder:
ten vierdedat voor zover het hof in rov. 6.8-6.9 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat [eiseres] ter zitting afstand heeft gedaan van haar bewijsaanbiedingen in randnummers 25. en 55. van de memorie van grieven dat oordeel onjuist althans onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is.
ten vijfdedat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van [eiseres] in randnummer 54. van de memorie van grieven om [betrokkene 4], werkzaam als projectcontroller bij [eiseres] , als getuige te horen, heeft gepasseerd.
ten zesdedat het oordeel dat de bewijsaanbiedingen tardief zijn onjuist is, nu zij in de memorie van grieven en derhalve tijdig zijn gedaan.
ten slottedat het oordeel over het passeren van de bewijsaanbiedingen bovendien onjuist, want in strijd met art. 149 en Pro 150 Rv, is. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het, gelet op de gemotiveerde betwisting door PME van de reden voor het weglakken van de privacygevoelige informatie zoals weergegeven in rov. 6.8-6.9 van het bestreden arrest, [eiseres] in de gelegenheid had moeten stellen de fysieke aktes in het geding te brengen, een bewijsopdracht had moeten verstrekken of een gerechtelijke deskundige had moeten benoemen en/of [betrokkene 4] had moeten horen als getuige.
proofverifieerbare gegevens te overleggen (zie ook randnummer 3.11 hiervoor). Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van het bestreden arrest, mist het feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel bestrijdt dat het zonder de AVG te schenden mogelijk was verifieerbare verkoopgegevens te overleggen, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Ik licht dat toe aan de hand van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘het HvJ EU’) inzake
Norra Stockholm Bygg AB [37] waar in de schriftelijke toelichting veelvuldig naar wordt verwezen.
verplichtom een document met persoonsgegevens van derden als bewijs te overleggen. [38] Het document betrof een elektronische aanwezigheidsregistratie van bouwpersoneel waarmee de verweerder wilde aantonen dat het aantal gewerkte uren aan de bouw van het kantoorgebouw van verweerder lager was dan het aantal uren waarop eiser haar vordering tot betaling voor de uitgevoerde bouwwerkzaamheden had gebaseerd. Eiser verzette zich tegen verstrekking van het document met een beroep op art. 5 lid Pro 1, onder b, AVG (“
doelbinding”), nu de desbetreffende persoonsgegevens zijn verzameld met het oog op controle door de belastingdienst en het niet in overeenstemming met dit doel was om deze gegevens aan de rechter te verstrekken. [39] In de literatuur wordt uit het arrest de volgende conclusie getrokken:
Wat daar ook van zij (de stelling is betwist), daarmee is nog niet aan alle genoemde bezwaren tegemoet gekomen.” Ook naar het oordeel van het hof is dus sprake van zwartgelakte informatie die essentieel is voor het kunnen verifiëren van de gegevens, zoals ook blijkt uit rov. 6.9 (“
het weglakken van essentiële informatie”). In termen van het beginsel van minimale gegevensverwerking van art. 5 lid Pro 1, onder c, AVG, waarop het subonderdeel zich overigens voor het eerst in cassatie beroept, [43] betekent dat dat [eiseres] meer informatie heeft weggelakt dan waartoe het op grond van die bepaling was gehouden. Het hof heeft dan ook niet miskend dat van [eiseres] in de gegeven omstandigheden kon worden gevergd dat zij uit eigener beweging meer gegevens zou overleggen ter onderbouwing van haar stellingen omtrent de schadebegroting dan zij heeft gedaan. Dat zij de desbetreffende gegevens niet op een verifieerbare wijze in het geding heeft gebracht, is een eigen keuze van [eiseres] waarvan zij zelf de consequentie zal moeten dragen (zie ook randnummers 3.10-3.11 hiervoor en vergelijk art. 21 Rv Pro [44] ). Die consequentie is in dit geval dat het hof de zwartgelakte documenten niet bij de schadebegroting heeft betrokken, maar de schade heeft begroot aan de hand van een beredeneerde schatting ex art. 6:97 BW Pro op basis van de door PME aangeleverde gegevens. Mijn ambtgenoot De Bock heeft in dit verband, over de afweging tussen vertrouwelijkheid en waarheidsvinding, in haar dissertatie uit 2011 onder meer het volgende geschreven (voetnoten niet overgenomen uit het origineel):
eigenbewijspositie bemoeilijkt. Er is dan minder reden om het belang van waarheidsvinding zwaarder te laten wegen dan het belang van vertrouwelijkheid. Het is de eigen keuze van een partij: ofwel de vertrouwelijke informatie prijsgeven, ofwel de procedure verliezen.
de gevolgtrekking (…) maken die hij geraden acht”. Die gevolgtrekking zal moeten zijn: het verliezen van de procedure. Deze sanctie is in beginsel ook toereikend; waarheidsvinding is immers geen doel op zich zelf, maar staat ten dienste van een correcte feitenvaststelling, zodat een aanvaardbare rechterlijke beslissing kan worden genomen. Wanneer de rechter die beslissing kan nemen door de consequenties te trekken uit het niet naleven van een informatieplicht door een partij, is er geen reden voor nadere waarheidsvinding.” [45]
Norra Stockholm Bygg. In laatstgenoemde zaak bemoeilijkte de partij in wier domein de gegevens zich bevonden en die een AVG-bezwaar (doelbinding) opwierp niet haar eigen bewijspositie, maar die van de verwerende partij, die met de desbetreffende gegevens haar verweer wilde onderbouwen (zie randnummer 3.54 hiervoor). In de onderhavige zaak bemoeilijkt [eiseres] met het AVG-bezwaar (kennelijk gestoeld op minimale gegevensverwerking, zie randnummer 3.57 hiervoor) haar eigen bewijspositie; zij is er immers, door in de documenten die zich in haar domein bevinden met een beroep op de AVG essentiële informatie weg te lakken, niet in geslaagd haar verweer tegen de begroting van PME voldoende te onderbouwen. In de HvJ EU-zaak had de Zweedse rechter dan ook een verplichting opgelegd om het desbetreffende document in het geding te brengen, terwijl het hof in de onderhavige zaak geen aanleiding heeft gezien om [eiseres] op de voet van art. 22 Rv Pro te bevelen de desbetreffende documenten in ongecensureerde vorm (althans op verifieerbare wijze en AVG-
proof) over te leggen. Daarmee belanden we bij het volgende subonderdeel.
3. De rechter beslist of de in het tweede lid bedoelde weigering of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4. Als de rechter beslist dat de weigering of de beperking niet gerechtvaardigd is, maar een partij blijft weigeren te voldoen aan een bevel als bedoeld in het eerste lid, wordt de zaak voor de verdere behandeling verwezen naar een andere kamer, die uit de weigering van die partij de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
5. Als de rechter beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting. De rechter kan dan slechts met toestemming van de andere partijen uitspraak doen mede op de grondslag van die toelichting of die stukken. Wordt de toestemming geweigerd, dan wordt de zaak voor de verdere behandeling verwezen naar een andere kamer, die uit de weigering van de andere partijen de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
6. De rechter kan de zaak voor de beslissing, bedoeld in het derde lid, ook meteen verwijzen naar een andere kamer. Na de beslissing van die andere kamer wordt de zaak voor de verdere behandeling terugverwezen naar de rechter, die uit een weigering van partijen als bedoeld in het vierde of vijfde lid de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
7. Het tweede tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als een partij de rechter meedeelt dat zij zelf bepaalde stellingen wil toelichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende gegevens in de procedure wil overleggen waarvan uitsluitend de rechter of ook een gemachtigde als bedoeld in artikel 22a kennis mag nemen. [46]
proofin het geding te brengen, maar heeft dat, om haar moverende redenen (vergelijk randnummers 3.41-3.42 en 3.44 hiervoor), niet gedaan. Tegen deze achtergrond zie ik ook niet in hoe overeenkomstige toepassing van art. 22 lid 2 tot Pro en met 6 Rv [eiseres] kan baten. Indien de rechter van oordeel is dat een weigering gegevens in het geding te brengen niet gerechtvaardigd is, kan de rechter immers op grond van art. 22 lid 4 Rv Pro (evenals het geval is in het kader van art. 21 Rv Pro) de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Daaraan ziet het subonderdeel voorbij. Of art. 22 lid 7 Rv Pro uit het wetsvoorstel anticiperend kan worden toegepast, kan hier verder in het midden blijven. [49] Het staat immers vast dat [eiseres] het hof niet heeft verzocht om een oordeel te geven over het vertrouwelijke karakter van de gegevens waarop zij zich wil beroepen voordat zij deze in het geding brengt. Bij die stand van zaken wordt aan eventuele anticiperende toepassing van het desbetreffende lid 7 uit het wetsvoorstel niet toegekomen.
Daarbij kan worden gedacht aan (…)”) heeft het hof mijns inziens tot uitdrukking gebracht dat het voor [eiseres] wel degelijk mogelijk was om de desbetreffende documenten op verifieerbare wijze en AVG-
proofin het geding te brengen. [eiseres] kon dus niet volstaan met het weglakken van essentiële informatie zoals zij heeft gedaan. Wat de bewijsaanbiedingen uit de memorie van grieven betreft, geldt dat het hof die heeft kunnen uitleggen zoals het heeft gedaan. Het subonderdeel deelt in zoverre in het lot van de voorgaande (sub)onderdelen.
Zij heeft aangeboden van dat laatste bewijs te leveren, althans zij heeft aangeboden om een onafhankelijke deskundige door uw hof te laten benoemen”), waarover het hof in rov. 6.20 (in cassatie onbestreden, zie randnummers 3.7 en 3.15 hiervoor) heeft geoordeeld dat het aan bewijslevering niet toekomt en geen aanleiding ziet voor een deskundigenbericht.