Conclusie
eerste middelwordt betoogd dat het bestreden arrest in aanmerking komt voor vernietiging, nu uit dit arrest niet kan worden opgemaakt dat de beraadslaging in hoger beroep op de voet van art. 422, tweede lid, Sv mede is geschied naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en de verdachte door de gestelde niet-naleving van art. 422, tweede lid, Sv in zijn belangen is geschaad.
Onderzoek van de zaak
tweede middelwordt erover geklaagd dat de aanvulling bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv in strijd met het bepaalde in art. 365b, eerste lid, Sv niet is ondertekend door een van de rechters die het verkorte vonnis hebben gewezen dan wel door de voorzitter van het hof.
derde middelbetreft de afwijzing door het hof van een verzoek om een “half open” verwijzing naar de raadsheer-commissaris voor het horen van nader door de verdediging op te geven getuigen. Gesteld wordt dat het hof bij de beoordeling van het verzoek een onjuist criterium heeft gehanteerd, althans dat de beslissing onbegrijpelijk is.
vierde middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.
vijfde middelwordt gesteld dat het hof het bewijs voor het ten laste van de verdachte bewezen verklaarde witwassen van meerdere waterscooters in strijd met het bepaalde in art. 341, vierde lid, Sv enkel heeft doen steunen op de verklaring van de verdachte zelf. Uit de door het hof van de rechtbank in eerste aanleg overgenomen bewijsmotivering blijkt echter, dat het hof voor het bewijs van het witwassen van de waterscooters in ieder geval ook nog gebruikgemaakt heeft van twee bewijsmiddelen met betrekking tot de doorzoeking van het bedrijf van de verdachte en van een bij de verdachte aangetroffen briefje over de waterscooters aan personen in Curaçao (zie blz. 7 van het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 december 2013). Reeds hierom kan niet worden gezegd dat het hof bij zijn bewezenverklaring van het witwassen van de waterscooters heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 341, vierde lid, Sv, dat immers betrekking heeft op bewezenverklaringen in hun geheel en niet op afzonderlijke onderdelen daarvan.