Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
29 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek om cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2017, waarbij een voorlopige machtiging werd verleend ten aanzien van betrokkene. Tijdens de mondelinge behandeling gaf de advocaat van betrokkene aan dat betrokkene twijfelt aan de diagnose en een contra-expertise wenst.
De rechtbank heeft het verzoek om een contra-expertise niet expliciet behandeld of gemotiveerd afgewezen in haar beschikking. De Hoge Raad oordeelt dat een dergelijk verzoek niet zonder motivering kan worden afgewezen, verwijzend naar eerdere jurisprudentie (HR 29 april 2005 en HR 6 maart 2015).
Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en wijst het geding terug naar de rechtbank Rotterdam voor verdere behandeling en beslissing over het verzoek om contra-expertise. De uitspraak werd gedaan door een kamer van drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling van het verzoek om contra-expertise.