Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte in de ontnemingsvordering heeft ontvangen.
1. er is sprake van een buitensporige termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, welke geheel aan het openbaar ministerie is te wijten;
2. er is sprake van verjaring;
3. het openbaar ministerie heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door een nieuwe berekening te presenteren;
4. de ontnemingsvordering is niet gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan veroordeelde betekend.
(…)
Ad. 4: Ten aanzien van de onjuiste betekening van de ontnemingsvordering
Onbetwist is dat de ontnemingsvordering niet gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan veroordeelde is betekend, zoals voorgeschreven in artikel 511b, derde lid, Sv.
Volgens vaste rechtspraak levert het in strijd handelen met voormelde bepaling geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op (zie o.a. HR 4 november 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BF0260).
Het op deze grondslag tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer van de verdediging wordt verworpen.
Nu het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen wordt verworpen, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de ontnemingsvordering.”
Vervolgens is het procedureverloop als volgt geweest.
(…)”
tweede middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de waardevermeerdering van het pand aan de [a-straat 1] te St. Willebrord als vervolgprofijt bij de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden betrokken, aangezien de aanschaf van dit pand niet als uitgave wordt vermeld in de kasopstelling en uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de aanschaf van dat pand (mede) met wederrechtelijk verkregen voordeel is gefinancierd.
(…)
In het financieel rapport is het voordeel berekend op basis van:
A. Eenvoudig kasstelsel; en
B. Vervolgprofijt door waardestijging van onroerende zaken.
In de nadere berekening (bron III/pagina 8 t/m 10) is de navolgende kasopstelling opgenomen (bedragen in NLG):
(…)
Gelet op het vorenstaande stelt het hof met het financieel rapport de inkomsten van veroordeelde in ieder geval gelijk aan de uit de kasopstelling blijkende uitgaven, nu ook overigens niet is gebleken van inkomsten aan de zijde van veroordeelde.
€ 600.358 (afgerond).
In de conclusie van antwoord d.d. 16 september 2013 heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat in de periode van 1998 tot en met 2013 voormelde zaken in waarde zijn gestegen. Het openbaar ministerie heeft daartoe de navolgende WOZ-waarden over 2013 gehanteerd:
[a-straat 1] te Sint Willebrord € 302.000
[a-straat 2] te Sint Willebrord € 318.000
-------------------------------------------------------------------
Totaal €1.042.000.
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het vervolgprofïjt niet bij de voordeelsberekening kan worden betrokken. Daartoe zijn dezelfde gronden aangevoerd als hiervoor onder het kopje “Ontvankelijkheid openbaar ministerie” opgenomen, kort gezegd dat dit in strijd zou zijn met beginselen van behoorlijke procesorde.
[b-straat 1] te Sint Willebrord € 335.000,-.
[a-straat 1] te Sint Willebrord € 85.000,-.
Uit de hiervoor vermelde standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging volgt in ieder geval dat de panden aan de [b-straat 1] en [a-straat 1] in de periode van 1998 tot en met 2013 een waardeverandering hebben ondergaan. Het openbaar ministerie baseert de waardeverandering op de WOZ-waarden van de panden en de verdediging op een tweetal taxatierapporten van een NVM-makelaar.
(…)
Op grond van het vorenoverwogene stelt het hof het geschatte voordeel vast op:
Ad. A. Voordeel uit eenvoudige kasopstelling € 600.358,-
Ad. B. Voordeel uit vervolgprofïjt € 304,253,37 +
----------------------
Totaal: € 904.611,- (afgerond)”
derde middelbehelst de klacht dat het hof de waardestijging van de panden aan de [b-straat 1] en [a-straat 1] ‘in zijn totaliteit’ als vervolgprofijt heeft aangemerkt.
vierde middelbehelst de klacht dat het hof het vervolgprofijt uit waardevermeerdering van onroerend goed op een te hoog bedrag heeft vastgesteld, althans die vaststelling ontoereikend heeft gemotiveerd, aangezien de in aanmerking genomen WOZ-waarden van het onroerend goed de waarden in het economische verkeer in 2013 zouden vertegenwoordigen terwijl die WOZ-waarden 1 januari 2012 als peildatum hebben, en uit door de verdediging ingebrachte
(NVM-)taxatierapporten blijkt dat het onroerend goed in 2013 een beduidend lagere waarde had dan de door het hof in aanmerking genomen WOZ-waarden.
[b-straat 1] te St. Willebrord:
WOZ-waarde: € 422.000,-
WOZ-waarde: € 302.000,-.”
(…)
De verdediging concludeert dat indien de waardestijging van de onroerende zaken zou worden opgeteld bij het eventueel vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, dit bedrag dient te worden vastgesteld op (€ 145.022 - € 60.277) = € 84.745,-. (…)”
vijfde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.