De raadsman heeft weliswaar, en in hoger beroep niet voor het eerst, gesteld dat de herkomst van het door veroordeelde verkregen geld afkomstig is uit legale inkomsten. Hij heeft, hoewel hem daartoe ruimschoots de gelegenheid is gegeven, deze stelling echter niet anders onderbouwd dan door te zeggen dat deze afkomstig zijn van werkzaamheden in de bosbouw en een betaling bij gelegenheid van het einde van zijn militaire dienst. Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep zelfs geen begin van aannemelijkheid voor legale inkomstenbronnen is gebleken. (...)
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2010 gewezen op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en gesteld dat nu de veroordeelde partieel is vrijgesproken terzake handel/dealen in verdovende middelen in 2003, het niet mogelijk is om over deze periode wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Voorts heeft hij aangevoerd dat het Openbaar Ministerie ten onrechte in de onderbouwing van onderdeel A in de gewijzigde vordering een relatie legt met de handel in verdovende middelen waarvoor de veroordeelde partieel is vrijgesproken.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Het voordeel dat de veroordeelde zou hebben genoten is door het Openbaar Ministerie gesplitst in twee delen, te weten:
A) voordeel gebaseerd op onverklaarbare uitgaven in de periode 1 januari 2003 tot en met 3 december 2003;
B) voordeel gebaseerd op een transactieberekening over de periode 1 januari 2004 tot en met 8 november 2005.
Deel A van de vordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht. In het financieel rapport van 30 mei 2007 inhoudende de berekening van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel (2005230601), opgemaakt door [verbalisant 1], de daarbij behorende bijlagen, het document 'Aanvulling op het financieel rapport project '[A]' contra [betrokkene] 13/523327-05 van 30 mei 2007 en wijziging vordering t.b.v. MK zitting van 14/02/2008', opgemaakt door [verbalisant 2], en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep wordt aannemelijk gemaakt dat de veroordeelde op grond van het eerste feit waarvoor hij is veroordeeld (invoer van cocaïne in Nederland) of door middel van andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Er is derhalve een gronddelict (invoer) waarvoor de veroordeelde is veroordeeld. Aannemelijk is dat hij daarmee of met andere strafbare feiten inkomsten heeft gegenereerd. De veroordeelde is vrijgesproken voor het dealen in 2003, dus dergelijke inkomsten zijn niet aan de orde.
Het in die periode wederrechtelijk verkregen voordeel is daarbij bepaald door middel van een vermogensvergelijking, waarbij een negatief verschil is geconstateerd tussen de grote (contante) uitgaven van de veroordeelde en het ontbreken van legale inkomsten (de veroordeelde ontving volgens de Sociale Dienst gedurende de onderzoeksperiode geen uitkering en hij was vanaf 2003 tot en met 8 oktober 2005 onbekend bij de Belastingdienst), welk verschil de veroordeelde niet op aannemelijke wijze van een verklaring heeft voorzien. Daarom kan worden uitgegaan van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van het bedrag zoals door het Openbaar Ministerie is geschat, te weten € 71.355,-.
Geen rechtsregel staat er in zijn algemeenheid aan in de weg het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van een dergelijke vermogensvergelijking te berekenen. Nu het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve niet enkel is gebaseerd op feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld, doch op een vermogensvergelijking, waarbij naar het oordeel van het hof omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke en/of andere strafbare feiten voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan, is de onderhavige gevolgde ontnemingsprocedure in lijn met de (post-) Geerings-jurisprudentie. Het verweer wordt verworpen.