Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd te reageren op het verweer, inhoudende dat de verbalisanten de kelderbox onrechtmatig hebben doorzocht en dat dit onrechtmatig optreden dient te leiden tot bewijsuitsluiting dan wel tot strafvermindering
De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering en wijst hierbij op het feit dat de hulpverleningstaak van de verbalisanten - die overigens ook door hem betwist wordt - niet meer aan de orde was op het moment dat zij de deur van de kelderbox, behorende bij de woning van verdachte, lieten openen. Voorts stelt de raadsman dat deze kelderruimte dient te worden aangemerkt als een woning in de zin van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) en aldus de doorzoeking/betreding van deze ruimte zonder daartoe strekkende machtiging onrechtmatig is geweest. De raadsman concludeert dat het enkele constateren dat sprake is van een vormverzuim onvoldoende is en pleit voor bewijsuitsluiting en vrijspraak.
tweede middelbehelst allereerst de klacht dat het hof ten onrechte voor het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde feit gebruik heeft gemaakt van een verklaring van de verdachte die is opgenomen in een adviesrapport van de reclassering. Ten tweede behelst het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die door diefstal, in elk geval door enig misdrijf, waren verkregen.
Datum en tijd : 17 januari 2012 te 23:00 uur
Merk/type : Gilera Runner 180
Kenteken : [CC-00-DD]
Merk/type : Honda FES 250
Kenteken : [AA-00-BB]
NJ1948, 271, m.nt. Pompe. Ten laste van de verdachte was schuldheling bewezen verklaard. De verdachte was op de avond van 11 januari 1946 samen met de personen T. en B. in een door hem bestuurde vrachtauto naar een woning gereden. Daar hadden T. en B. een aantal vaste wastafels, fonteinen, stortbakken en closetpotten in die vrachtauto geladen. Die goederen waren uit de voornoemde woning gestolen. De verdachte had toen aan de voornoemde personen gevraagd of zij wel eerlijk aan die goederen gekomen waren en daarop werd geantwoord dat het wel in orde was. De verdachte heeft daarna geen verder onderzoek naar de herkomst van de goederen ingesteld. Vervolgens had de verdachte met de vrachtauto de beide personen en de goederen vervoerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof uit de inhoud van de bewijsmiddelen kon afleiden dat de verdachte had kunnen vermoeden dat de goederen door misdrijf verkregen waren, “gelijk hij dit blijkens zijn voormelde vraag vermoed heeft”. Nu hij desondanks geen nader onderzoek naar de herkomst had ingesteld, kon zijn grove schuld ten aanzien van de herkomst van de goederen worden bewezen.
NJ1948, 271. Mede in samenhang bezien met de overige door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, heeft het hof kunnen oordelen dat de verdachte ten tijde van het verwerven van de motorscooters redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. [8] Daarbij neem ik in aanmerking dat de motorscooters aan de verdachte voor € 300 per stuk ter reparatie werden aangeboden door twee onbekende personen en dat de scooters in vervolg daarop (deels) waren gedemonteerd, overgespoten en/of zonder kentekenplaat waren aangetroffen in een kelderbox van de verdachte. [9]