Conclusie
middelklaagt dat de bestreden uitspraak innerlijk tegenstrijdig en (daarmee) nietig is, dan wel dat de strafoplegging onvoldoende is gemotiveerd, nu het hof heeft overwogen dat het – gelet op de overschrijding van de redelijke termijn – een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden zal opleggen en vervolgens een gevangenisstraf heeft opgelegd voor de duur van 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarnaast bevat het middel de klacht dat het hof heeft nagelaten toepassing te geven aan de wettelijk voorgeschreven aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Strafmotivering
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
22 (tweeëntwintig) maanden.
6 (zes) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
onvoorwaardelijkevrijheidsstraf van 22 maanden wordt opgelegd, dan wanneer deze straf ook een voorwaardelijk component van 6 maanden omvat. [5] Daarbij verdient opmerking dat de v.i.-regeling niet inhoudt dat de verdachte in alle gevallen voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. In art. 15d Sr is immers een aantal gronden opgenomen, op basis waarvan een voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden uitgesteld of achterwege kan blijven. Een dergelijke beperking geldt niet bij een voorwaardelijke veroordeling. Desondanks zal de verdachte in het algemeen beter af zijn met de veroordeling van een geheel onvoorwaardelijke straf met toepassing van de v.i.-regeling, aangezien – indien zich geen gronden als bedoeld in art. 15d Sr voordoen –, de verdachte sneller voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld. [6] Bovendien is in het onderhavige geval de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van art. 15c, tweede lid Sr op één jaar gesteld, terwijl de proeftijd voor het voorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf door het hof is bepaald op 2 jaren. Daarmee heeft de verdachte belang bij zijn klacht en rijst vervolgens de vraag of de klacht terecht is voorgesteld en, zo ja, of dit tot cassatie dient te leiden.