De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam waarin het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene heeft vastgesteld op circa €21.000 vanwege het aanwezig hebben van hennepplanten in een pand te Nieuw-Vennep en Hoofddorp.
De verdediging voerde aan dat het ontnemen van voordeel in strijd is met de Geerings-jurisprudentie van het EHRM, omdat de betrokkene was vrijgesproken van het telen van hennep in de periode voorafgaand aan 14 december 2012. Volgens de verdediging kon er geen voordeel worden ontnomen uit feiten waarvoor vrijspraak was gegeven.
Het hof stelde echter dat de vrijspraak niet verder ging dan de specifieke periode rond 14 december 2012 en dat het ontnemen van voordeel uit soortgelijke strafbare feiten, waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan, wel is toegestaan. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het hof niet de schuld van de betrokkene heeft aangenomen voor feiten waarvoor hij is vrijgesproken. Ook de klacht over de overschrijding van de inzendtermijn voor cassatie wordt verworpen.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat de middelen falen en dat geen gronden zijn voor vernietiging van de bestreden uitspraak. De zaak bevestigt de toepassing van het ontnemingsrecht binnen de grenzen van de Geerings-jurisprudentie.