Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Enige opmerkingen vooraf
3.Bespreking van het cassatiemiddel
1.1 en 1.1.1heeft het hof bij de beoordeling of sprake is van gewijzigde omstandigheden c.q. onjuiste gegevens als bedoeld in art. 1:253o BW, in rov. 17 uitsluitend (kenbaar) in aanmerking genomen de strijd tussen de ouders. Dat is onbegrijpelijk, aldus deze klacht, omdat aan de beschikking van het hof ’s-Gravenhage van 25 april 2012, waarin de vader het eenhoofdig gezag verkreeg, ook ten grondslag heeft gelegen de verwachting dat de vader meer open zou staan voor de invulling van een gelijkwaardig ouderschap.
subonderdeel 1.1.2is het niet uitkomen van de verwachting waarvan in de beschikking van 2012 is uitgegaan, een relevante wijziging van omstandigheden dan wel een onjuist gegeven als bedoeld in art. 1:253o BW. [4] Het hof heeft dit miskend dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. De moeder heeft immers betoogd dat de verwachting van het hof in 2012 – te weten dat door toekenning van het gezag aan de vader de situatie zou verbeteren en de strijd tussen de ouders afnemen – niet is uitgekomen, en dat de handhaving van de status quo gelet op het belang van de minderjarige onbegrijpelijk en onaanvaardbaar is.
subonderdeel 1.2.8) en over het daarin volgens het onderdeel besloten oordeel om ‘niets te doen’ (
subonderdeel 1.2.9). Voor dit laatste verwijst het onderdeel naar de stelling van de moeder, dat handhaving van de status quo gelet op het belang van de minderjarige onbegrijpelijk en onaanvaardbaar is (
subonderdeel 1.2.1).
subonderdeel 1.2dat volgens het hof (i) de niet uitgekomen verwachtingen ten aanzien van de in 2012 getroffen maatregelen geen rechtens relevante wijzigingsgrond opleveren en (ii) evenmin noopten tot een hernieuwde beoordeling (ex nunc) van de huidige situatie, de effectiviteit van de getroffen maatregelen ter bescherming van de minderjarige en de rechtvaardiging van de gezagsontneming aan de moeder. Hiertegen richt het onderdeel in de subonderdelen 1.2.1-1.2.10 rechts- en motiveringsklachten.
1.2.1), geeft het weer welk onderzoek er in dit geval (niet) heeft plaatsgevonden (
1.2.2) en refereert het aan een separate gerechtelijke procedure, waarin de moeder de Staat aansprakelijk heeft gesteld voor het niet uitvoeren van een deugdelijk onderzoek door de Raad (
1.2.3). [6] Vervolgens beschrijft het onderdeel de correspondentie tussen Raad en hof (
1.2.4), de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling (
1.2.5) en de stellingen van de moeder ter zake (
1.2.6). Ten slotte geeft het onderdeel het bestreden oordeel van het hof weer (
1.2.7).
subonderdeel 1.2.8heeft het hof, door in dit geval geen opdracht aan het NFIP te geven, de belangen van de minderjarige onvoldoende (kenbaar) in zijn oordeel betrokken en aldus art. 3 IVRK Pro geschonden, althans zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.
subonderdeel 1.2.9, (ook) niet worden gedragen door het oordeel van het hof dat het onderwerpen van de minderjarige aan een volgend onderzoek niet kan leiden tot het verstommen van de discussie tussen zijn ouders. Hetgeen het hof verder in de bedoelde rechtsoverwegingen van beschikking-625 overweegt doet daar niet aan af, zoals nader wordt uiteengezet in
subonderdeel 1.2.10.
subonderdeel 1.2berust naar mijn mening op een onjuiste lezing van de beschikking (zie bij 3.6.2), zodat het onderdeel in zoverre faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 1.2ook nog betoogt dat het hof, waar het oordeelt dat geen sprake is van een relevante wijzigingsgrond, desalniettemin de effectiviteit van de vigerende gezagsmaatregel en de rechtvaardiging van de gezagsontneming van de moeder had dienen te beoordelen, moet het falen. Uit HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2731, blijkt immers dat de rechter een beslissing om het gezag toe te kennen aan een van de ouders alleen kan wijzigen in eenhoofdig gezag van de andere ouder of gezamenlijk gezag van beide ouders indien voldaan is aan (een van) de vereisten van art. 1:253o BW. [7]
Subonderdeel 1.8faalt daarom.
subonderdeel 1.9aanvoert, behoefde het hof niet expliciet in zijn motivering blijk te geven van een afweging − die volgens het onderdeel voorlag – tussen het belang van de minderjarige bij een op de ouders gericht onderzoek en het belang van de minderjarige dat de relatie tussen zijn ouders zodanig wordt verbeterd dat het gevaar dat hij klem of verloren raakt tussen zijn ouders wordt afgewend.
subonderdelen 1.3 en 1.3.3).
subonderdeel1.3.1 ligt aan de gezagsbeschikking uit 2012 ten grondslag dat de vader beter in staat was om invulling te geven aan gelijkwaardig ouderschap, en is deze veronderstelling onjuist gebleken zodat het hof (mede gezien de uitgangspunten van de wet bevordering gelijkwaardig ouderschap) toekenning van het gezag aan de moeder in zijn oordeel had dienen te betrekken.
subonderdeel 1.3.2heeft het hof ten onrechte niet gereageerd op de stelling van de moeder dat moest worden teruggekeerd naar gezamenlijk gezag.
subonderdelen 2.1 en 2.12), die verder geen bespreking behoeven, klaagt het middel over miskenning van de regel dat in hoger geroep geen zelfstandig verzoek kan worden gedaan (
subonderdelen 2.2 en 2.3), miskenning van het gezag van gewijsde van de beschikking van het hof van 22 april 2015 (
subonderdelen 2.2, 2.4-2.9 en 2.11) en de grondslag voor het gebruik van het toestemmingsformulier (
subonderdeel 2.10).
subonderdelen 2.2 en 2.3veronderstellen dat het verzoek van de vader ten aanzien van het toestemmingsformulier heeft te gelden als zelfstandig verzoek en betogen dat het verzoek voor het eerst in hoger beroep – en daarmee te laat – is gedaan en de vader om die reden daarin niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
subonderdelen 2.2, 2.4-2.9 en 2.11, die gezamenlijk kunnen worden behandeld, klagen dat het hof de vader niet ontvankelijk had moeten verklaren in zijn verzoek inzake het toestemmingsformulier, dan wel dit verzoek had moeten afwijzen, omdat al afwijzend op hetzelfde verzoek van de vader was beslist bij tussenbeschikking van 5 november 2014 en eindbeschikking van 22 april 2015 (
subonderdeel 2.4) en deze beschikkingen gezag van gewijsde hebben gekregen (
subonderdeel 2.5), waarop de moeder zich heeft beroepen. [10]
subonderdeel 2.11niet op zien − kan deze wijziging alleen indien sprake is van gewijzigde omstandigheden of bij de uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens (
subonderdeel 2.6). [11] De vader had dit laatste aannemelijk moeten maken, hetgeen hij heeft nagelaten. Het hof vermeldt dergelijke wijzigingsgronden niet en heeft hetzij de stel- en bewijsplicht van de vader miskend, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd (
subonderdelen 2.7-2.9).
subonderdelen 2.4, 2,5 en 2.11veronderstelt dat het gezag van gewijsde van de beschikking van 22 april 2015 in de weg staat aan een herbeoordeling van het gebruik van een toestemmingsformulier, faalt het.
subonderdelen 2.7-2.9, dat de vader heeft nagelaten te stellen en aannemelijk te maken dat van gewijzigde omstandigheden/onjuiste gegevens sprake is, mist feitelijke grondslag en faalt daarom.