Conclusie
Nummer18/02326
Bewezenverklaring en bewijsvoering
Naam: [B]
Bedrijfsomschrijving: het beheren van vermogen.
Naam: [C]
Bedrijfsomschrijving: beheermaatschappij.
Enig aandeelhouder sedert: 23-01-2006
Naam: [C]
[a-straat 1]
[postcode] Drenten
Factuurnummer: 20063987
Bouwjaar: 19/08/2005
BTW (19%) € 4.310,92
BPM € 00,00
Vervolgens ben ik naar de ABN/AMRO-bank gegaan, volgens mij was dat in Amsterdam. Daar heb ik eerst één bankrekening geopend. Daarbij kreeg ik een bankpasje en dat bankpasje heb ik afgegeven aan de Afghaan, ene [betrokkene 8] of [betrokkene 8] . Deze persoon heb ik drie of vier keer gezien. In totaal zal ik circa € 3.000,- in contanten van hem hebben gekregen.
Vragen gehoorde of hij bij deze verklaring blijft.
Ja, deze, verklaring die ik eerder heb af gelegd, geeft weer hoe het gegaan is met [C] ”.
[betrokkene 10] heeft mij vervolgens naar Kampen gebracht en mij afgezet bij een ex-vriendin van mij. [betrokkene 1] is zelf vertrokken in een auto.
Voorts heeft [betrokkene 9] verklaard dat hij niets heeft gedaan met [B] , hij alleen bij de Kamer van Koophandel iets heeft getekend en dat hij € 400,- heeft ontvangen van [betrokkene 13] . [15]
Opzet
Verdachte heeft dat gecontroleerd bij de Kamer van Koophandel (verder: KvK) en hij heeft toen ook gezien dat [betrokkene 3] niet in het uittreksel van de KvK stond. [betrokkene 3] had hem echter wel een kopie van het rijbewijs van de directeur van [B] overhandigd. Later kwam [betrokkene 3] met [C] en hij vertelde toen dat hij wel met meer bedrijven, B.V.’s, werkte en dat het allemaal wel goed zat. Ook van [C] heeft verdachte een (kopie van het) rijbewijs van de statutair directeur gekregen van [betrokkene 3] .
- [B] volgens de facturen gevestigd zou zijn in Kampen;
hooftkantoor(facturen 30 mei 2006) in Amsterdam had en volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel haar statutaire zetel in Eemnes;
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met een gevoerd verweer de verklaringen die de verdachte op 18 en 19 oktober 2007 bij de FIOD heeft afgelegd voor het bewijs heeft gebruikt (bewijsmiddelen 16-18), waardoor het recht van de verdachte op bijstand van een advocaat en zijn recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro zijn geschonden.
- met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een verdachte het recht heeft op bijstand van een advocaat tijdens zijn verhoor door de politie;
- voornoemde regel betreffende rechtsbijstand niet met terugwerkende kracht geldt, maar alleen voor toekomstige gevallen, namelijk vanaf het wijzen van het arrest van 22 december 2015;
- bij wijze van overgangsrechtelijke regel in de periode van 22 december 2015 tot 1 maart 2016 aan het verzuim van verhoor bijstand niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting wordt verbonden.
17 oktober2007 bij de FIOD had afgelegd voor het bewijs had gebruikt. Die verklaringen legde de verdachte af vóórdat hij een raadsman had kunnen
consulteren. Het hof gaf destijds blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat in het midden kon blijven of de verdachte voorafgaand aan de verhoren door ambtenaren van de FIOD op 17 oktober 2007 in de gelegenheid was gesteld een raadsman te raadplegen daar hij ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep had verklaard bij zijn ten overstaan van ambtenaren van de FIOD afgelegde verklaringen te zullen blijven, en dat hij daarom bij bewijsuitsluiting geen belang had. [25] Nu, na cassatie en terugwijzing van de zaak, heeft het hof de voorafgaand aan consultatie van een raadsman door de verdachte afgelegde verklaringen niet voor het bewijs gebruikt. De verklaringen die de verdachte – daags na de eerste consultatie van een raadsman – op 18 en 19 oktober 2007 heeft afgelegd in verhoren waarbij geen raadsman aanwezig was, heeft het hof (thans) wél tot het bewijs gebezigd. Het hof is daarmee afgeweken van een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer en heeft zich daarbij gebaseerd op HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608,
NJ2016/52, m.nt. Klip en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2018.
NJ2009/349, m.nt. Schalken ingezette lijn, waarin door de Hoge Raad was uiteengezet dat, gelet op de rechtspraak van het Europese Hof, uit art. 6 EVRM Pro wel een recht op consultatiebijstand maar geen recht op verhoorbijstand kan worden afgeleid, [26] is daarmee genuanceerd en aangescherpt. In het arrest van 22 december 2015 stelt de Hoge Raad om te beginnen vast dat het EHRM in de ruim zes jaar na het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 in een aantal gevallen heeft beslist dat het ontbreken van verhoorbijstand onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een schending van art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad onderstreept evenwel ook nog eens dat het Europese Hof nimmer uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist dat onder alle omstandigheden sprake is van een dergelijke schending ingeval de raadsman van de verdachte niet aanwezig is bij het verhoor. Bij deze stand van zaken acht de Hoge Raad de rechtszekerheid met een aanscherping van de regels niettemin gediend, waarbij de Hoge Raad meeweegt dat de door mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie in de zaak voorgestelde route van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU de “doeltreffende en voortvarende strafrechtspleging buitengewoon ernstig” zou belemmeren. De bedoelde aanscherping van de regels houdt in dat een aangehouden verdachte
voortaan(in beginsel [27] ) het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie.
6.4.3. Bij het bepalen van de ernst van het verzuim is voorts in het bijzonder van belang of de verhorende opsporingsambtenaren redelijkerwijze mochten aannemen dat niet de gelegenheid behoefde te worden geboden tot het verlenen van rechtsbijstand tijdens het verhoor. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat deze opsporingsambtenaren tot het onderhavige arrest niet bedacht behoefden te zijn op de onder 6.3 vermelde aanscherping van de regels betreffende de rechtsbijstand en dat niet mag worden aangenomen dat zij onmiddellijk bekend zijn geraakt met de inhoud van dit arrest en de gevolgen daarvan voor de rechtspraktijk. De Hoge Raad gaat daarom ervan uit dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie.”
Uit rov. 6.4.2 van dat arrest volgt dat en waarom ten aanzien van een verzuim van zodanige verhoorbijstand in de periode van 22 december 2015 tot 1 maart 2016 bij wijze van overgangsrechtelijke regel niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting wordt verbonden.”
NJ2019/132 (rov. 3.3.1). [29] In datzelfde arrest overweegt de Hoge Raad vervolgens kort dat de verdachte in die zaak ten tijde van het politieverhoor op 5 november 2013 noch aan art. 28 Sv Pro, noch aan art. 6 EVRM Pro een aanspraak op verhoorbijstand kan ontlenen. Voorts oordeelt de Hoge Raad (rov. 3.4) onjuist de opvatting – in mijn bewoordingen – dat indien het politieverhoor vóór maar de terechtzitting ná het verstrijken van de omzettingstermijn van Richtlijn 2013/48/EU heeft plaatsgevonden, op grond van die richtlijn het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting aan het ontbreken van verhoorbijstand dient te worden verbonden. [30]
Van de Kolk/Nederlandwaarin een schending van art. 6 EVRM Pro is vastgesteld
. [31] Ik licht dit als volgt toe.
Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk, [32] Simeonovi/Bulgarije [33] en
Beuze/België. [34] Naar mijn inzicht moet worden aangenomen dat de interpretatie van het Europees Verdrag, waarvan nieuwe rechtspraak van het Europese Hof heeft doen blijken, niet alleen voor de toekomst geldt maar tevens een bevestiging is van wat voor die tijd ook al heeft gegolden. [35] Dit brengt mee dat uitspraken waarin het Europese Hof de bakens verzet op betrekkelijk grote schaal consequenties (kunnen) hebben voor lopende strafzaken in het vooronderzoek waarvan de nieuwe rechtspraak eerder nog niet in acht kon worden genomen. Het Europese Hof realiseert zich dat zich ook zulke complicaties ten gevolge van de rechtspraak over de raadsman en het politieverhoor in menig Partijstaat (kunnen) voordoen, zo laat het in sommige uitspraken expliciet weten. [36]
Beuze/Belgiëkondigt de Grote Kamer ter inleiding op zijn “general principles” aan onder meer duidelijkheid te zullen verschaffen over de inhoud en het bereik van het recht op toegang tot een raadsman. De zaak “allows the Court to clarify whether the lawyer's physical presence is required in the course of any questioning or other investigative acts carried out during the period of police custody and that of the pre-trial investigation[…].” [37] Met de toegezegde opheldering vangt het Hof aan door te herhalen dat de Partijstaten verplicht zijn te verzekeren dat het recht op rechtsbijstand praktisch en effectief is. Het Hof legt vervolgens uit dat toewijzing van een advocaat niet voldoende is om effectieve rechtsbijstand te verzekeren: “to that end, [...] minimum requirements must be met.” [38] Onder die minimumvoorwaarden verstaat het Hof ten eerste het recht op consultatiebijstand (§ 133). Ten tweede verwijst de Grote Kamer naar een aantal zaken waarin het Hof concludeerde dat “suspects have the right for their lawyer to be physically present during their initial police interviews and whenever they are questioned in the subsequent pre-trial proceedings” (§ 134). In de toepassing van zijn “general principles” op de concrete omstandigheden van de zaak
Beuze, merkt de Grote Kamer het ontbreken van de fysieke aanwezigheid van de raadsman bij verhoren en onderzoeken dan ook aan als een “restriction” van het recht op rechtsbijstand (§ 156).
Beuze/Belgiënog in díe zin zouden kunnen worden gelezen dat verhoorbijstand voor een effectief recht op rechtsbijstand geen tweede minimumvoorwaarde naast consultatiebijstand vormt, en de Grote Kamer hier slechts overweegt dat een recht op fysieke aanwezigheid van de raadsman in voorkomende gevallen in het recht op rechtsbijstand besloten ligt, hebben kleinere samenstellingen van het Europese Hof die gedachte nadien ontkracht. In
Doyle/Ierlandoverweegt het Hof op 23 mei 2019 dienaangaande:
Farrugia/Malta:
restrictionvan het recht op rechtsbijstand voordoet indien weliswaar sprake is geweest van consultatiebijstand voorafgaand aan het eerste verhoor, maar de verdachte
bijhet verhoor niet de aanwezigheid van zijn raadsman heeft kunnen inroepen.
Beuze/Belgiëen heeft de klacht daarna behandeld in een “committee” van drie rechters, een samenstelling van het Hof die volgens art. 28, eerste lid onder b, EVRM is gereserveerd voor zaken waarin vragen over de uitleg en toepassing van het Verdrag worden beantwoord die “already the subject of well-established case-law of the Court” zijn. Op 28 mei 2019 is Nederland door het driemanschap veroordeeld wegens schending van art. 6, eerste lid, in verbinding met art. 6, derde lid onder c, EVRM. Het Hof overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Grote Kamer in
Beuze/Belgiëonder meer dat “[a]s such, the guarantees laid down in Articles 6 §§ 1 and 3 (c) as interpreted by the Court entailed that he had,
inter alia, a right to be assisted by a lawyer during police interviews (see Beuze [...], §§ 133-34), unless there were compelling reasons to restrict that right (see Beuze, [...] §§ 142-43).” [43] In zijn beoordeling of sprake is van een restrictie van het recht op rechtsbijstand, besteedt het Hof aldus niet kenbaar aandacht aan bijzondere omstandigheden van de zaak, ook niet aan de gestelde verhoogde kwetsbaarheid van de verdachte ten tijde van zijn politieverhoren.
NJ2016/52, m.nt. Klip overweegt de Hoge Raad dat aan het verzuim van verhoorbijstand niet noodzakelijkerwijs het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting behoeft te worden verbonden, maar overweegt hij bovenal dat bewijsuitsluiting niet aan de orde is als het gaat om verhoren van vóór 1 maart 2016. Dat de Hoge Raad dit naar eigen zeggen voorschrijft “bij wijze van overgangsrechtelijke regel” zou de verwachting kunnen doen wekken dat voor vormverzuimen met betrekking tot de verhoorbijstand die zijn begaan in verhoren van later datum een sanctioneringsregime zal gelden dat vergelijkbaar is met de wijze waarop schending van het recht op consultatiebijstand pleegt te worden gesanctioneerd. Dergelijke strikte bewijsuitsluitingsregels hebben in elk geval het voordeel van duidelijkheid en hanteerbaarheid. Wat hiervan ook zij, duidelijk is dat de Hoge Raad het ontbreken van verhoorbijstand in verhoren van vóór 1 maart 2016 niet met bewijsuitsluiting sanctioneert, voor zover het Europese recht de ruimte laat om daarvan af te zien.
Ibrahimen
Simeonovidat geen zogenoemde “bright-line rule” bestaat die voorschrijft dat onder restricties aan het recht op rechtsbijstand afgelegde politieverklaringen pertinent niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De Grote Kamer legt het
Salduz-arrest aldus uit dat een klacht over een geconstateerde beperking van het recht op rechtsbijstand in twee stappen wordt beoordeeld. [47] Deze tweestappentoets komt samengevat op het volgende neer. Eerst moet worden beoordeeld of sprake is van “compelling reasons” voor de restrictie van het recht op rechtsbijstand. Dergelijke zwaarwegende redenen moeten van tijdelijke aard zijn en kunnen bijvoorbeeld zijn gelegen in “the existence of an urgent need to avert serious adverse consequences for life, liberty and physical integrity”. [48] Dan gaat het om een “pressing duty” andere mensenrechten te beschermen. Zulke “compelling reasons” kunnen niet voortvloeien uit een wettelijke of jurisprudentiële regel die in algemene zin tot de beperking van het recht op rechtsbijstand verplicht. [49] Maar, anders dan wel uit eerdere EHRM-uitspraken placht te worden afgeleid en een minderheid van het Europese Hof in
dissenting opinionsbepleit, leidt de afwezigheid van “compelling reasons” voor de beperking van het recht op rechtsbijstand niet op zichzelf reeds tot een schending van art. 6 EVRM Pro. [50] Ook dan ziet het Europese Hof zich voor de vraag gesteld of het tekort in rechtsbijstand de eerlijkheid van de “procedure as a whole” heeft aangetast. De relevantie van de aan- of afwezigheid van “compelling reasons” schuilt in de indringendheid van de beoordeling van deze tweede stap. Bestaan voor de beperking dringende redenen, dan volstaat een “holistic assessment” van de gehele procedure. Toont de betrokken Staat zulke redenen echter niet aan, dan hanteert het Hof zijn fairness beoordeling met “very strict scrutiny” en is het aan de regering van de betrokken staat om overtuigend aan te tonen waarom in de bijzondere omstandigheden van specifiek de voorliggende zaak de fairness van de procedure niet wordt aangetast. [51] Waar geen dringende redenen voor de beperking van het recht op rechtsbijstand aanwijsbaar zijn, is de ruimte om van bewijsuitsluiting af te zien derhalve beperkt. De “overall fairness” van de strafprocedure beoordeelt het Europese Hof in de tweede stap aan de hand van de omstandigheden van het voorliggende geval. De Grote Kamer identificeert tien factoren die daarbij van belang kunnen zijn, al zijn deze niet limitatief bedoeld. [52]
Het tweede middel (voorwaardelijk opzet)
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, voor zover is bewezenverklaard dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door [A] , aangezien uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte (ten minste voorwaardelijk) opzet had op het onjuist doen van die aangiften.
BNB2009/46, m.nt. Van der Paardt. In die zaak was de belanghebbende een ondernemer in verkoop en verhuur van autobanden. Hij kocht deze van een zekere D., die autobanden aanbood tegen een prijs die beduidend beneden de marktprijs lag. De belanghebbende kreeg voor zijn aankopen facturen van twee bedrijven die werden vertegenwoordigd door D. Van deze twee bedrijven bleken adres en/of overige coördinaten vals, onjuist of onbruikbaar. De belanghebbende verkocht de autobanden door en paste het nultarief toe. De autobanden werden door transportbedrijf M. rechtstreeks geleverd aan de afnemers van de belanghebbende. De belanghebbende betaalde de koopprijs van de autobanden aan deze M. Het hof oordeelde in appel dat de van de twee door D. vertegenwoordigde bedrijven afkomstige facturen niet voldeden aan de in art. 35, eerste lid, Wet OB gestelde eisen. Nu volgens het hof uit de feiten moest worden afgeleid dat de belanghebbende de banden kocht van M., vermeldden de facturen van de twee bedrijven immers niet de werkelijke leverancier. De Hoge Raad achtte dat oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarmee volgde de Hoge Raad de uitvoerige conclusie van mijn ambtgenoot Wattel die tevens met zoveel woorden concludeerde dat het hof “zonder schending van het recht” tot het oordeel kon komen dat de belanghebbende geen recht kon doen gelden op aftrek van de door de “ploffers” aan hem gefactureerde btw. [63]
NJ2016/375, m.nt. Wolswijk heeft de Hoge Raad enkele opmerkingen gemaakt over de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het “feitelijke leidinggeven” aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging als bedoeld in art. 51, tweede lid aanhef en onder 2°, Sr en daarin het volgende beoordelingskader aangereikt. Ik citeer (met weglating van de voetnoten):
[…]
NJ2016/375, het voorwaardelijk opzet van de verdachte toerekent aan de rechtspersoon; het hof kon tot deze impliciete toerekening komen op grond van de door hem vastgestelde relatie tussen de verdachte en [A] [64]
Het derde middel: pleitbaar standpunt
derde middelklaagt dat het hof, zonder in het bijzonder de redenen daarvoor op te geven, is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verdachte op grond van een pleitbaar standpunt kon en mocht menen dat hij recht had op vooraftrek van de door hem betaalde btw.
nietbeschikte over een “op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur” als bedoeld in art. 15, eerste lid, Wet OB (maar enkel over valse facturen). Aan het – ook door de raadsman in zijn pleidooi tot uitgangspunt genomen – vereiste van een “op zichzelf correcte factuur” heeft de verdachte dus naar het oordeel van het hof
nietvoldaan. Gesteld noch gebleken is dat ten tijde van het tenlastegelegde feit kon en mocht worden gemeend dat zo een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur geen vereiste was voor aftrek van voorbelasting.