Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
onderdeel 2.2met subonderdelen a) en b) tegen rov. 4.8 en 4.9, in welke overwegingen het hof oordeelt dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht en de argumentatie van [eiseres] over de invulling van die onderzoeksplicht wordt verworpen.
Tan/Forward [19] (rov. 3.4),
Van de Steeg /Rabobank [20] (rov. 4.2.5 en 4.2.6) en
Far Trading/Edco Eindhoven [21] (rov. 4.6.1 sub b) is beslist dat of is voldaan aan de in art. 6:89 BW Pro en art. 7:23 BW Pro besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht afhangt van alle betrokken belangen en alle relevante omstandigheden, waaronder de aard en de inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Als meer concrete factoren voor het bepalen van de lengte van de termijn die beschikbaar is voor het verrichten van onderzoek zijn genoemd de waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt, de deskundigheid van partijen, de onderlinge verhouding van partijen, de aanwezige juridische kennis en de behoefte aan voorafgaand deskundig advies. Voor de vraag of het gebrek tijdig is gemeld (bij een niet-consumentenkoop als de onze) en of een beroep op de klachtplicht kan slagen is van bijzonder belang of de schuldenaar (dus bij ons de curator in het voetspoor van [A] ) nadeel lijdt door het tijdsverloop totdat is geklaagd (in onze zaak: 10 leveringen vanaf begin juni en pas klacht eind augustus 2012). Daarvan kan sprake zijn bij benadeling van de bewijspositie van de schuldenaar, bij aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken of er kan sprake zijn van een gebrek aan duidelijkheid over zijn rechtspositie. Uit
Ploum/Smeets II [22] (rov. 3.3.2) en
Van de Steeg /Rabobank [23] (rov. 4.2.4) volgt dat als de schuldenaar niet in zijn belangen is geschaad door het late tijdstip waarop het protest is gedaan, er niet snel voldoende reden zal zijn de schuldeiser gebrek aan voortvarendheid te verwijten [24] .
Far Trading/Edco Eindhoven [26] een regel ontwikkeld die overeenkomsten vertoont met de bewijslastverdeling bij rechtsverwerking en die rekening houdt met de belangen van de schuldenaar. Als de schuldenaar (in onze zaak: verkoper [A] /de curator) als verweer voert dat de schuldeiser ( [eiseres] ) niet op tijd heeft geprotesteerd, dan moet de schuldeiser gemotiveerd stellen en zo nodig te bewijzen dat en op welk moment is geklaagd. In onze zaak staat vast dat eind augustus 2012 is geklaagd, dus dat speelt geen splijtende rol hier. Daarbij moet ook worden aangevoerd een eventuele afwezigheid van nadeel voor de schuldenaar. De stelplicht en bewijslast ten aanzien de feiten die een beroep op art. 6:89 BW Pro en art. 7:23 BW Pro kunnen dragen rusten in beginsel op de schuldenaar, omdat het door hem gevoerde verweer dat niet tijdig is geklaagd als een bevrijdend verweer is aan te merken [27] . Ook het bewijsrisico voor feiten die ten grondslag kunnen liggen aan door de schuldenaar gelegen nadeel ligt bij de schuldenaar [28] .
Far Trading/Edco Eindhovenredengevend dat te zeer afbreuk zou worden gedaan aan de strekking van genoemde bepalingen om de schuldenaar (verkoper) te beschermen, indien op hem ook het bewijsrisico ter zake van de klacht zelf en het tijdstip daarvan zou rusten, terwijl de in dat verband relevante feiten vooral gelegen zijn in het domein van de schuldeiser (koper) [30] . Lock verwoordt dit stelsel in Stelplicht & Bewijslast [31] zo:
Tan/Forward(vp. vt. 19),
Van de Steeg /Rabobank(vp. vt. 20) en
Far Trading/Edco Eindhoven(vp. vt. 21) dat
in de omstandigheden van onze zaak[A] van [eiseres] had mogen verwachten dat [eiseres] op conformiteit zou
controleren na ontvangst af fabriek in Nederland, zeker nu het bederfelijke waar bedoeld voor transport naar het buitenland betrof. Dat onderzoek kon ook met de waar in diepgevroren vorm gebeuren, zo beargumenteert het hof onder verdiscontering van partijstellingen terzake. Het betoog van [eiseres] dat dit niet mogelijk of wenselijk was, verwerpt het hof gemotiveerd en ook voor het geval [eiseres] alleen ontdooide steekproeven zou hebben willen nemen, is daardoor opgetreden tijdsverlies in de ogen van het hof onvoldoende om hier geen onderzoeksplicht af fabriek voor [eiseres] in Nederland aan te nemen. Door [eiseres] bijgebracht bewijs in de vorm van verklaringen van vleeshandelaren weegt het hof als te licht. Dat er afnemers zijn die accepteren dat geen controle af fabriek plaatsvindt, maakt niet dat
in onze zaak[A] niet van [eiseres] controle af fabriek mocht verwachten en dat maakt dat er in de ogen van het hof onvoldoende aanleiding is het door [eiseres] aangevoerde branchegebruik voor invulling van de klachtplicht doorslaggevend te achten. Als laatste argument hanteert het hof dat
in de specifieke rechtsverhouding van partijengeen grond is te vinden om anders over de klachtplicht te oordelen: [A] heeft maar één keer een in Ghana afgekeurde partij gecrediteerd en dat is niet genoegzaam om een bestendig gebruik aan te nemen of dat hier is overeengekomen dat controle af fabriek in Nederland achterwege kon blijven of dat [eiseres] erop mocht vertrouwen dat [A] geen beroep op schending van de klachtplicht meer zou doen als pas na aflevering in Ghana zou worden gekeurd.
in dit gevaldoorslaggevend te achten.
sub ais dat deze passage uit rov. 4.9 onbegrijpelijk is, “indien het [hof] heeft geoordeeld dat het branchegebruik op grond van niet in het arrest genoemde redenen geen rol speelde bij de beoordeling van de vraag of er tijdig is geklaagd.”
in de omstandigheden van onze zaak, overweegt het hof in rov. 4.7 eerst dat de curator aan zijn beroep op de klachtplicht ten grondslag heeft gelegd dat [eiseres] gehouden was de runderzenen vóór transport naar Ghana zelf te onderzoeken, “onder meer omdat het bederfelijke waar betreft en het gebruikelijk is in de branche”. Het hof oordeelt daaropvolgend in rov. 4.8 en 4.9 zoals hiervoor in 2.11 weergegeven. Dat het in de branche gebruikelijk zou zijn om
niette controleren indien regelmatig partijen vlees worden verscheept tussen bekende zakenpartners, zoals [eiseres] ingang wil doen vinden, wordt (“verder”, overweegt het hof in rov. 4.9) tegengesproken in de door de curator in het geding gebrachte verklaringen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof van oordeel dat de verklaringen zijdens de curator over het branchegebruik meer gewicht in de schaal leggen dan de stelling van [eiseres] dat het in de branche gebruikelijk zou zijn om niet te controleren indien regelmatig partijen vlees worden verscheept. Dit is te meer niet onbegrijpelijk, nu de verklaringen van [eiseres] een drietal (andere) leveranciers van [eiseres] betreffen, die verklaren dat de handelwijze in hun zakenrelatie met [eiseres] is dat niet bij levering aan [eiseres] wordt gecontroleerd met de toevoeging dat dat gebruikelijk zou zijn in geval van regelmatige leveranties tussen bekende zakenpartners, waaruit dan een branchegebruik zou moeten worden afgeleid. De door de curator overgelegde (daaraan tegengestelde) verklaringen zijn van meer algemene strekking, doordat daarin voor de gestelde gebruikelijke klachttermijn van 72 uur wordt verwezen naar de Algemene Leveringsvoorwaarden van de Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV).
de specifieke rechtsverhouding van deze partijen. Voorop staat in rov. 4.8 en 4.9 het gemotiveerde oordeel dat [eiseres] had moeten controleren af fabriek in Nederland. Het hof motiveert dat dragend in die rechtsoverwegingen tot aan “Daarnaast” in het midden van rov. 4.9. Wat er “daarnaast” nog aan verklaringen te berde is gebracht door [eiseres] legt te weinig gewicht in de schaal, zo vindt het hof: dat er blijkbaar derden zijn die accepteren dat [eiseres] niet bij afname af fabriek controleert, maakt niet dat
[A] in de rechtsverhouding tussen partijen in onze zaakhier niet mocht verwachten dat dat wel zou gebeuren op straffe van verval een non-conformiteitsberoep. Dat door [eiseres] bepleite branchegebruik wordt dan “verder” volgens het hof nog tegengesproken ook door de zijdens de curator ingebrachte verklaringen. Zo bezien richt de klacht zich tegen een mogelijk niet zelfstandig dragend oordeel; als dat zo is, dan kan deze klacht ook om die reden niet tot cassatie leiden.
sub bgaat uit van een verkeerde lezing van het arrest. De klacht is dat het oordeel uit rov. 4.9 onjuist is, indien het hof heeft geoordeeld dat er onvoldoende aanleiding is om het branchegebruik doorslaggevend te achten vanwege de omstandigheid dat de curator verklaringen in het geding bracht, die de posita (de stelling of het verweer van [eiseres] ter zake van het branchegebruik) weerspraken. Als voor het rechterlijk oordeel relevant is of een feitelijke stelling komt vast te staan, dan verliest het die relevantie immers niet door de omstandigheid dat dat feit gemotiveerd wordt betwist. Dan moet de rechter immers aan de hand van art. 149 en Pro 150 Rv onderzoeken op welke partij de last rust om het voor het oordeel kennelijk relevante betwiste feit waarop zij zich heeft beroepen, te bewijzen en om die partij (als aan de voorwaarden voor het toelaten tot de bewijslevering is voldaan) toe te laten tot het bewijs.
sub cis dat mocht het hof hier hebben geoordeeld dat de bewijslast van schending van de klachtlicht bij [eiseres] ligt, dit onjuist of onbegrijpelijk is. Duidelijk is dat dit feitelijke grondslag in het bestreden arrest ontbeert, omdat we bij de behandeling van de vorige klacht zagen dat het hof op juiste wijze is uitgegaan van een bewijslast hier bij de curator.
sub d-frichten zich tegen het oordeel in rov. 4.9 dat er onvoldoende aanleiding is om
het door [eiseres] aangevoerde branchegebruikvoor de invulling van de klachtplicht hier doorslaggevend te achten.
sub d, die uitgaat van een te geïsoleerde lezing van slechts een klein onderdeel van de redeneerlijn van het hof in rov. 4.8-4.9 zoals die hiervoor in 2.11 is weergegeven, is dat het onbegrijpelijk is dat het hof overweegt dat [eiseres] een beroep op branchegebruik heeft gedaan, omdat juist de curator zijn beroep op schending van de klachtplicht hiermee heeft onderbouwd in rov. 4.7. De hier aangevallen passage uit rov. 4.9 zou volgens de klacht wellicht zo begrepen moeten worden dat is geoordeeld dat het
door de curatorgedane beroep op de klachtplicht voorshands slaagde ook zonder dat het door hem aan dat beroep mede ten grondslag gelegde branchegebruik kwam vast te staan, en dat het hof zich vervolgens de vraag heeft gesteld of het door [eiseres] gestelde branchegebruik de balans weer ten nadele van de curator liet doorslaan. Mocht het hof die gedachtegang gevolgd hebben en dit aan zijn oordeel ten grondslag hebben gelegd, dan is het arrest onbegrijpelijk omdat die uitleg gelet op de door het hof gekozen woorden volkomen speculatief is.
sub bdie op de daar aangegeven gronden niet tot cassatie kan leiden. Het hofoordeel op dit punt staat in de sleutel van stelplicht en gemotiveerd betwisten, niet van bewijslevering.
sub fbegint met een exposé dat vanwege het bevrijdend karakter van het verweer van de curator in de vorm van een beroep op schending van de klachtplicht (hier met name: de ontijdigheid van de non-conformiteitsklacht van [eiseres] ), het bewijsrisico van dat verweer bij de curator ligt. Dat klopt en we hebben gezien dat het hof daar ook van is uitgegaan. De geformuleerde klacht komt er op neer dat wanneer het hof met zijn passages over branchegebruiken in rov. 4.9 heeft geoordeeld dat het door [eiseres] gestelde branchegebruik geen factor is die in de weging van alle relevante omstandigheden moet worden betrokken, dan ofwel is miskend dat de curator terzake van deze relevante omstandigheden het bewijsrisico droeg, danwel niet toereikend is gemotiveerd waarom van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro is afgeweken. Dit mist opnieuw feitelijke grondslag, omdat het hof geen oordeel heeft gegeven als waar de klacht van uitgaat.
onderdeel 2.1geeft de opbouw weer van het hofoordeel over de (on)tijdigheid van de non-conformiteitsklacht van [eiseres] in de sleutel van het verweer van de curator dat (daarom) sprake is van schending van de klachtplicht door [eiseres] .
methodezou hebben gehanteerd, of anderszins onvolledig zou zijn geweest in zijn oordeel dat gegeven de omstandigheden van dit geval de verkoper rechtens aanspraak mocht maken op controle af fabriek in Nederland (bederfelijke waar, bedoeld voor doorlevering naar het buitenland, waarbij controle af fabriek hetzij in diepgevroren toestand, hetzij steeksproefsgewijs in ontdooide vorm niet op in de ogen van het hof onoverkomelijke bezwaren stuitte), zie ik niet.
sub bis dat voor het geval het oordeel over het slagen van het verweer van de curator dat sprake is van schending van de klachtplicht door [eiseres] wel is gevormd door het tegelijkertijd tegen elkaar afwegen van alle relevante omstandigheden van het geval, dat dan geen sprake is van toereikende motivering, omdat die juiste wijze van weging niet uit het arrest blijkt.
sub a, is van onbegrijpelijkheid geen sprake in dit voorbeeldig gemotiveerde arrest, waarin alle relevante omstandigheden van het geval tegen elkaar zijn afgewogen, welk feitelijk oordeel goed te volgen is en zich niet leent voor verdere toets in cassatie.