Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
kangelden, maar dat dit op zichzelf onvoldoende is voor toepassing van art. 3:34 BW Pro. Daarvoor zal ook moeten komen vast te staan dat de beperking van dien aard was dat de betrokkene niet in staat was de bij de rechtshandeling betrokken belangen te waarderen, of dat de rechtshandeling onder invloed van die beperking is gedaan.
Onderdeel 1klaagt dat het hof in rov. 7 van het eindarrest bij het beoordelen van de wilsbekwaamheid van erflater een te beperkte maatstaf zou hebben gehanteerd, als gevolg waarvan het hof een te beperkt aantal omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken. Het hof had moeten aansluiten bij de uitgebreide maatstaf die het hof Arnhem-Leeuwarden in een vergelijkbare zaak heeft gehanteerd. [14] Voor zover het hof wel van een juiste maatstaf is uitgegaan, is het oordeel onbegrijpelijk om een aantal in het onderdeel uiteengezette redenen.