AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor wederrechtelijk dwingen door misleiding en telefonische mededelingen van overlijden
De zaak betreft een verdachte die zich telefonisch voordeed als politieagent of rechercheur en meerdere personen onvoorzien benaderde met mededelingen over het overlijden van hun dierbaren. Het hof stelde vast dat verdachte zich op een professionele en beheerste wijze presenteerde, waardoor de slachtoffers de mededelingen serieus namen en niet konden ophangen. Hierdoor werden zij gedwongen het slechte nieuws te aanhoren, wat leidde tot hevige emotionele reacties.
Het hof oordeelde dat het bestanddeel 'andere feitelijkheid' in artikel 284 SrPro ook het uitspreken van woorden kan omvatten, mits deze gedragingen onder de gegeven omstandigheden leiden tot dwang waartegen het slachtoffer geen weerstand kan bieden. De verdachte maakte misbruik van het maatschappelijk vertrouwen in politie en hulpverleners en veroorzaakte psychische druk die de slachtoffers dwong de mededelingen te dulden.
Verdachte had opzet op het dwingen en de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen. Hoewel hij zwakbegaafd was en een beperkte empathie had, ontbrak het hem niet aan inzicht in de draagwijdte van zijn handelen. De strafrechtelijke kwalificatie van de gedragingen als dwang werd bevestigd, evenals de bewezenverklaring van meerdere feiten waarbij verdachte slachtoffers telefonisch benaderde met valse mededelingen over overleden familieleden.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad was dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en dat het cassatieberoep verworpen moest worden. De strafrechtelijke bescherming van de persoonlijke vrijheid en het voorkomen van psychische dwang werd hiermee bevestigd in de context van telefonische misleiding en het uitspreken van woorden als feitelijkheid.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens wederrechtelijk dwingen door misleiding en telefonische mededelingen van overlijden.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer18/02521
Zitting19 november 2019
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 2 mei 2018 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens onder 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 telkens: ‘een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden’ en onder 16 ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met een bijzondere voorwaarde en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 SrPro. Verder heeft het hof beslissingen genomen op vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven. En het hof heeft de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middelklaagt dat het hof ten onrechte het verweer dat een ‘andere feitelijkheid’ in de zin van art. 284 SrPro niet enkel kan bestaan uit het uitspreken van woorden heeft verworpen. ’s Hofs oordeel dat onder omstandigheden ook het uitspreken van woorden onder een ‘andere feitelijkheid’ kan worden begrepen, zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn.
Het hof heeft voor zover hier van belang ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1.
hij op 2 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 1] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder bij een woningoverval door meerdere messteken om het leven was gebracht en dat de dader(s) een briefje had(den) achtergelaten met daarop in het Arabisch de tekst “Uw dochters zijn de volgende”, door die [slachtoffer 1] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de politie was en
- of de door verdachte gebelde persoon even kon gaan zitten;
3.
hij op 17 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 2] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 2] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden en dat er een moordonderzoek was gestart en dat er een stomp voorwerp met bloed daarop naast het hoofd van haar moeder was gevonden en dat die [slachtoffer 2] haar moeder kon identificeren, door die [slachtoffer 2] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de technische recherche was en
- hij, verdachte, een vervelende mededeling had en
- de door verdachte gebelde persoon moest gaan zitten;
4.
hij op 02 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 3] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 3] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat zijn moeder was overleden aan een hartstilstand en dat zijn moeder op straat was gevonden, door die [slachtoffer 3] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de technische recherche was en
- hij, verdachte, slecht nieuws had;
5.
hij op 16 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 4] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 4] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat er een overval heeft plaatsgevonden in de woning van haar ouders en haar moeder daarbij een acute hartstilstand heeft gehad en direct is overleden en haar vader door het hoofd is geschoten en kort daarna is overleden, door die [slachtoffer 4] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de technische recherche was en
- hij, verdachte, een vervelende mededeling had en
- of de door verdachte gebelde persoon even kon gaan zitten;
7.
hij op 14 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 5] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 5] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder is gevonden in haar huis en dat haar moeder was overleden aan een hartstilstand en dat hij zojuist het bericht kreeg dat haar moeder toch nog een hartslag had en direct daarachteraan vertelde dat haar moeder toch niet meer leefde en dat het mogelijk om een moord zou gaan, door die [slachtoffer 5] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de politie/recherche was en
- hij, verdachte, een vervelende mededeling had;
8.
hij op 14 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 6] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 6] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder dood was aangetroffen en met meerdere kogels was vermoord door Jihadisten en dat er ook een jongetje was aantroffen bij het lijk van haar moeder en dat de daders een briefje met Islamitische teksten op het hoofd van haar moeder hadden geplakt, door die [slachtoffer 6] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de technische recherche was;
9.
hij op 16 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 7] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 7] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder die ochtend was overleden aan een hartstilstand en dat het lichaam was overgebracht naar het UMC Amsterdam en dat zij daar om 17:00 uur het lichaam moest identificeren anders zou het lichaam overgedragen worden aan de staat, door die [slachtoffer 7] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de recherche was en
- hij, verdachte, slecht nieuws had en
- de door verdachte gebelde persoon even moest gaan zitten;
11.
hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 8] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 8] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar man was overleden aan een acute hartstilstand en dat men nog geprobeerd heeft haar man te reanimeren en dat er sprake was van een auto-ongeluk en dat haar zoon ernstig trauma had opgelopen, door die [slachtoffer 8] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de technische recherche was en
- hij, verdachte, slecht nieuws had;
12.
hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 9] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 9] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat twee van haar kinderen waren overleden en iets over een overval met kogels, door die [slachtoffer 9] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de politie was en
- hij, verdachte, slecht nieuws had en
- de door verdachte gebelde persoon even moest gaan zitten;
13.
hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 10] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 10] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden aan een acute hartstilstand, door die [slachtoffer 10] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de politie/recherche was en
- hij, verdachte, slecht nieuws had en
- de door verdachte gebelde persoon beter even kon gaan zitten;
14.
hij op 19 februari 2015 in Nederland, [slachtoffer 11] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 11] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat haar moeder was overleden en dat haar moeder tijdens een beroving was neergestoken door die [slachtoffer 11] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de technische recherche was;
15.
hij op 3 maart 2015 in Nederland, [slachtoffer 12] , door een feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 12] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling dat zijn dochter was aangereden bij een kruispunt in Almere
en dat de dader is doorgereden en dat zijn dochter is overleden, door die [slachtoffer 12] onverhoeds te bellen en te zeggen dat:
- hij, verdachte, van de technische recherche was en
- de door verdachte gebelde persoon even moest gaan zitten.’
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmotivering naar Promis-model (met weglating van verwijzingen en voetnoten):
‘Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15
(…)
Aangiftes
[slachtoffer 1] (feit 1)
Op 6 maart 2015 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij op 2 maart 2015 werkzaam was bij Café [A] te Den Haag. Omstreeks 16.50 uur hoorde zij de telefoon overgaan en nadat zij deze had opgenomen hoorde zij een man vragen of zij [slachtoffer 1] was. Toen zij zei dat dat klopte, zei de man dat hij van de politie was en vroeg of zij rustig kon gaan zitten. Hierop vertelde de man dat de moeder van [slachtoffer 1] bij een woningoverval met meerdere messteken om het leven was gebracht. Op het moment dat de man dit tegen haar zei, voelde het alsof haar leven instortte. Vervolgens vertelde de man dat er in de woning van de moeder een briefje was aangetroffen, waarop in het Arabisch stond geschreven: “uw dochters zijn de volgende.” Het gesprek heeft ongeveer 15 minuten geduurd.
[slachtoffer 2] (feit 3)
Op 4 maart 2015 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij op 17 februari 2015 rond 11.00 uur aanwezig was op haar werk [B] B.V. te Delft, toen zij door een mannelijke collega werd geroepen met de mededeling dat hij de politie aan de telefoon had. Op het moment dat [slachtoffer 2] de telefoon opnam hoorde zij dat de man zei dat hij van de technische recherche was, dat hij een vervelend bericht had en dat zij moest gaan zitten. Vervolgens zei de man dat de moeder van [slachtoffer 2] was overleden. [slachtoffer 2] schrok en zij wilde de man van alles vragen. De man zei dat hij geen antwoord kon geven op de vraag waar en hoe het was gebeurd omdat het een moordonderzoek betrof. Er was naast het hoofd van de moeder van [slachtoffer 2] een stomp voorwerp met daarop bloed aangetroffen. [slachtoffer 2] kon de volgende dag om 17.00 uur haar moeder identificeren. Uiteindelijk verbrak de man de verbinding. Door [slachtoffer 2] en haar collega’s is vervolgens gebeld naar diverse familieleden van [slachtoffer 2] . Het kantoor was anderhalf uur lang in rep en roer en moest tot de lunch gesloten worden.
[slachtoffer 3] (feit 4)
Op 5 maart 2015 heeft [slachtoffer 13] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij op 2 maart 2015 omstreeks 18.15 uur aan het werk was in restaurant [C] te Haarlem. Er werd gebeld op de werktelefoon. Zij nam op en hoorde een mannenstem die zei dat hij van de recherche Haarlem was, dat zij even moest gaan zitten en dat haar moeder een hartinfarct had gehad. [slachtoffer 13] brak in huilen uit en was erg van slag. Een collega van haar heeft vervolgens het nummer van haar broer [slachtoffer 3] aan de beller gegeven.
Op 3 maart 2015 heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zijn vriendin op 2 maart 2015 omstreeks 18.23 uur telefonisch werd benaderd door een man die zei dat hij van de technische recherche was en dat hij akelig/afschuwelijk nieuws had over de moeder van aangever [slachtoffer 3] . Nadat aangever de telefoon van zijn vriendin had overgenomen, zei de man wederom dat hij van de technische recherche was, dat hij verschrikkelijk nieuws over de moeder van [slachtoffer 3] had, dat zij was overleden aan een hartstilstand en dat zij op straat was gevonden. Toen [slachtoffer 3] dit hoorde, schrok hij heel erg en stond hij te trillen op zijn benen. Uiteindelijk heeft hij de verbinding verbroken. Hij heeft de hele nacht wakker gelegen en was helemaal van slag.
[slachtoffer 4] (feit 5)
Op 21 februari 2015 heeft [slachtoffer 4] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij op 16 februari 2015 als receptionist werkzaam was bij [D] B.V. te Den Helder. Tussen 16.45 uur en 17.00 uur nam zij de telefoon op en hoorde zij dat een man zich voorstelde als [verdachte] van de technische recherche. De man sprak rustig, zei dat hij belde met een vervelende mededeling en vroeg of [slachtoffer 4] even kon gaan zitten. De man vertelde dat er een overval had plaatsgevonden in de woning van de ouders van aangeefster. Hierbij had de moeder van aangeefster een acute hartstilstand gekregen, waardoor zij direct was overleden. De vader van aangeefster was door zijn hoofd geschoten en was kort daarna overleden. Aangeefster raakte erg overstuur en heeft uiteindelijk de verbinding verbroken. Het gesprek heeft ongeveer 10 à 15 minuten geduurd. Na deze gebeurtenis is aangeefster erg van slag geweest. Ook haar werkzaamheden als receptionist hebben eronder geleden, omdat zij bang was om de telefoon op te nemen.
[slachtoffer 5] (feit 7)
Op 20 februari 2015 heeft [slachtoffer 5] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij op 14 februari 2015 in café [E] te Haarlem aan het werk was. Om 16.10 uur nam zij de werktelefoon op en hoorde zij een mannelijke beller zeggen dat hij van de politie, recherche Kennemerland Haarlem, was en dat hij op zoek was naar aangeefster. Hierbij sprak de man met een kalme en professionele stem. De man zei vervolgens dat hij een vervelende mededeling had, dat de moeder van aangeefster in haar huis was gevonden en dat zij was overleden aan een hartstilstand. Ook zei de man dat aangeefster naar het AMC moest [slachtoffer 5] voor een schouwing. Even later zei de man dat hij bericht kreeg dat de moeder van aangeefster weer een lichte hartslag had, maar kort hierna zei hij dat dit toch niet het geval was. Vervolgens zei de man dat het mogelijk om een moord zou gaan, omdat er een huls in de woning was gevonden. Uiteindelijk heeft aangeefster opgehangen. Na het gesprek voelde zij zich een wees en bang en eenzaam. Er gingen veel spanningen en verdriet door haar heen. Zij is het hele weekend van slag geweest.
[slachtoffer 6] (feit 8)
Op 14 maart 2015 heeft [slachtoffer 6] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij werkzaam is bij restaurant ‘ [F] ’ te Amersfoort. Op 14 februari 2015 nam zij daar omstreeks 18.50 uur de telefoon op. De beller was een man die zich voorstelde als [verdachte] van de technische recherche. De man vertelde [slachtoffer 6] dat haar moeder dood was aangetroffen. [slachtoffer 6] raakte in paniek, het was alsof de grond onder haar voeten wegzakte. De man vertelde dat haar moeder met meerdere kogels was vermoord door jihadisten. Op de vraag wat er met haar broertje was gebeurd, antwoordde de man dat er ook een jongetje was aangetroffen bij het lijk van haar moeder. Ook vertelde de man dat de daders op het hoofd van haar moeder een briefje met islamitische teksten hadden geplakt. Omdat de moeder en het broertje van [slachtoffer 6] die week in Parijs waren, kwam het verhaal van de man heel realistisch over. Uiteindelijk is de verbinding verbroken. Het gesprek heeft ongeveer 15 tot 20 minuten geduurd. [slachtoffer 6] is onmiddellijk naar het politiebureau gegaan. Aldaar, nadat [slachtoffer 6] haar moeder had gesproken, was de ontlading groot en barstte zij in tranen uit.
[slachtoffer 7] (feit 9)
Op 17 februari 2015 heeft [slachtoffer 7] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij een dag eerder omstreeks 12.45 uur de telefoon opnam bij haar werk op de klantenservice van de [G] te Nijmegen. [slachtoffer 7] hoorde dat een man zei dat hij van de recherche Nijmegen was, dat hij slecht nieuws had, dat zij even moest gaan zitten en dat haar moeder die ochtend was overleden aan een hartstilstand. Het lichaam van de moeder van aangeefster was overgebracht naar het UMC Amsterdam en aangeefster zou daar om 17.00 uur het lichaam moeten identificeren, anders zou het lichaam worden overgedragen aan de Staat. Na het gesprek was [slachtoffer 7] met twee collega’s de winkel uitgelopen. Zij was er ontzettend van geschrokken.
[slachtoffer 8] (feit 11)
Op 19 februari 2015 heeft [slachtoffer 8] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij dezelfde dag omstreeks 07.55 uur de telefoon heeft opgenomen bij haar werk, banketbakkerij [H] te Nijmegen. Vervolgens hoorde zij een man zeggen dat hij van de technische recherche was en dat hij slecht nieuws had. Aangeefster schrok heel erg en dacht gelijk dat haar man was overleden. Ze riep: “Er is toch niets mis met mijn man?”. Daarop zei de beller dat haar man was overleden aan een acute hartstilstand, dat ze hebben geprobeerd hem te reanimeren maar dat dat niet mocht baten. Aangeefster kreeg het gevoel dat haar wereld in elkaar stortte en was enorm overstuur. Even later zei de man dat er een auto-ongeluk was gebeurd, dat ook haar kinderen daarbij betrokken waren en dat haar zoon een ernstig trauma had opgelopen. De man was gedurende het hele gesprek heel kalm.
[slachtoffer 9] (feit 12)
Op 20 februari 2015 heeft [slachtoffer 9] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij een dag eerder aan het werk was bij Bakkerij [I] te Nijmegen. Omstreeks 07.50 uur had zij de telefoon opgenomen en hoorde zij dat een man zei dat hij [verdachte] van de politie Nijmegen was, dat hij heel slecht nieuws had, dat aangeefster even moest gaan zitten, dat er iets met haar kinderen was gebeurd en dat twee kinderen waren overleden. Verder zei de man iets over een overval met kogels. De baas van aangeefster heeft het gesprek uiteindelijk weggedrukt. Aangeefster is moeder van drie kinderen en is verschrikkelijk geschrokken van dit telefoongesprek.
[slachtoffer 10] (feit 13)
Op 21 februari 2015 heeft [slachtoffer 10] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij twee dagen eerder werkzaam was bij Bakkerij [J] te Nijmegen. Daar heeft zij omstreeks 08.15 uur de telefoon opgenomen waarna zij een man hoorde zeggen dat hij [verdachte] van de politie of recherche was, dat zij beter even kon gaan zitten en dat hij slecht nieuws over haar moeder had. Aangeefster raakte hierdoor enigszins in verwarring. De man zei dat het serieus was en dat de moeder van aangeefster was overleden aan een acute hartstilstand. Aangeefster heeft de verbinding verbroken. Zij was hevig aan het trillen, kon geen woord meer uitbrengen en begon te huilen. Ze wilde haar moeder gaan bellen, maar kreeg het niet voor elkaar omdat ze zo bibberde.
[slachtoffer 11] (feit 14)
Op 19 februari 2015 heeft [slachtoffer 11] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat zij dezelfde dag aan het werk was in de kledingwinkel [K] te Vianen. Omstreeks 15.55 uur kreeg aangeefster te horen dat er telefoon voor haar was. De mannelijke beller zei dat hij van de technische recherche was en dat de moeder van aangeefster was overleden. Aangeefster voelde een enorm golf van stress en verdriet opkomen en begon te huilen en te schreeuwen. Vervolgens vertelde de man dat haar moeder bij een beroving was neergestoken, dat er losgeld naast haar op de grond lag en dat er gezien was dat twee Marokkaanse jongens waren weggelopen.
[slachtoffer 12] (feit 15)
Op 5 maart 2015 heeft [slachtoffer 12] aangifte gedaan en daarbij verklaard dat hij op 3 maart 2015 omstreeks 19.00 uur in Beverwijk werd gebeld op zijn huistelefoon. Het telefoonnummer is tevens het nummer van de Bed and Breakfast van aangever. Aangever hoorde dat een man zich voorstelde als [verdachte] van de technische recherche Almere. De man had een ferme, niet weifelende stem en zei dat aangever even moest gaan zitten. Vervolgens zei de man dat de dochter van aangever was aangereden bij een kruispunt in Almere, dat de dader is doorgereden en zijn dochter is overleden. Aangever heeft de telefoon aan zijn vrouw gegeven. Hij hoorde achteraf van zijn vrouw dat hij in elkaar is gezakt tegen de bank.
Telefoongegevens
Verdachte heeft verklaard dat het telefoonnummer [telefoonnummer] sinds januari 2014 bij hem in gebruik is en dat hij de enige is die van deze telefoon gebruik kan maken. Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van dit telefoonnummer is gebleken dat er telkens met dit nummer is gebeld naar (het werk van) de aangeefsters/aangevers op de dagen en tijden zoals die in de aangiftes zijn vermeld.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij veel heeft gebeld, dat hij meestal via Google bij de nummers kwam, dat hij zei dat hij van de politie was en dat hij vervolgens zei dat een van de dierbaren van de persoon die door hem werd gebeld was overleden. Een aantal keren heeft hij mensen horen huilen tijdens het telefoongesprek. Voorts heeft hij verklaard: “De rode draad in de gesprekken was dat ik mij als agent heb voorgedaan en vervolgens tegen de mensen zei dat hun dierbaren waren overleden. Als je zegt dat je van de politie bent, dan geloven ze je.”’
6. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:
‘Het hof is, op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, van oordeel dat verdachte de persoon is geweest waarbij hij tegenover de personen als opgenomen in de onder 1, 3, 4, 5,
7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 ten laste gelegde feiten zich telkens heeft voorgedaan als iemand van de politie of technische recherche en hij vervolgens aan de aangevers/aangeefsters heeft medegedeeld dat een of meer van hun dierbaren waren overleden.
Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van artikel 284 vanPro het Wetboek van Strafrecht is vereist dat iemand wederrechtelijk is gedwongen iets te doen, na te laten of te dulden door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging hiermee. De onderhavige zaak spitst zich toe op de vraag of verdachte door middel van een feitelijkheid de aangevers/aangeefsters wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden.
Feitelijkheid
Het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ in de zin van artikel 284 vanPro het Wetboek van Strafrecht omvat in beginsel elke gedraging die onder de gegeven omstandigheden iemand kan dwingen tot het betreffende gevolg en die niet beantwoordt aan een van de andere in het betreffende artikel genoemde dwangmiddelen. Anders dan de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd, is daaronder – onder omstandigheden – ook het uitspreken van woorden begrepen.
In deze zaak bestaat de dwanghandeling primair uit het onverhoeds aangaan en voeren van vaak minutenlange telefoongesprekken met de aangevers/aangeefsters. Het hof stelt vast dat verdachte telkens aan het begin van de verschillende telefoongesprekken de valse hoedanigheid van politieagent of (technisch) rechercheur heeft aangenomen. Gedurende de telefoongesprekken uitte hij zich blijkens meerdere aangiftes op een zeer rustige, beheerste en professionele wijze. Verdachte presenteerde zich dus op een manier die past bij de wijze waarop een echte politieagent of rechercheur zich zou uitdrukken. Vervolgens ontvingen de aangevers en aangeefsters – terwijl zij op dat moment in de veronderstelling verkeerden dat zij spraken met een politieagent of rechercheur – de mededeling dat verdachte slecht nieuws had en/of kregen zij het advies om even te gaan zitten, welk advies ook kan worden opgevat als de opmaat naar slecht nieuws. Aldus heeft verdachte misbruik gemaakt van een in het maatschappelijk verkeer geldend patroon dat men (telefonische) mededelingen van hulpverleners, zoals de politie, aanhoort, serieus neemt en in beginsel niet zelf het gesprek afbreekt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte gedragingen heeft verricht die geschikt zijn om iemand te dwingen tot een bepaald gevolg – het dulden van een hierna nader te omschrijven dwanggevolg.
Dat verschillende aangevers/aangeefsters zijn gebeld op een telefoonnummer van hun werk, en zij onder die omstandigheden niet de verwachting zouden kunnen hebben dat voor hen persoonlijk zou worden gebeld, acht het hof – anders dan de rechtbank – in dit verband niet relevant. Het verweer van de raadsman tot vrijspraak van feit 4 en 15 om de reden dat de betrokken aangevers thuis zijn gebeld, behoeft gelet hierop geen bespreking meer.
Wederrechtelijkheid
Het bestanddeel wederrechtelijk wordt in het algemeen uitgelegd als ‘in strijd met het recht’ of ‘aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid’. In het kader van artikel 284 vanPro het Wetboek van Strafrecht heeft het bestanddeel echter een meer specifieke betekenis gekregen, te weten ‘zonder bevoegdheid’. Het hof is van oordeel dat verdachte de ten laste gelegde telefoongesprekken steeds zonder daartoe strekkende bevoegdheid heeft gevoerd, en beschouwt de telefoongesprekken overigens ook als een aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid.
Dwingen tot dulden
Het dulden heeft feitelijk bezien eruit bestaan dat de aangevers/aangeefsters hebben moeten aanhoren dat een of meerdere van hun dierbaren waren overleden. Volledig onverwacht werden ze geconfronteerd met dit heftige nieuws en vaak bleef het niet bij deze enkele mededeling. Verdachte heeft soms gesprekken van meer dan vijf minuten gevoerd, waarbij door hem steeds nieuwe – vaak gruwelijke – elementen werden toegevoegd aan de initiële boodschap. Als gevolg hiervan werden de aangevers/aangeefsters overweldigd door hevige emoties waardoor zij begonnen te huilen, trillen en schreeuwen, maar ook ineenzakten en verkrampten. Gelet op de aard en inhoud van de gesprekken, waarin werd gesproken over ernstig leed van naaste familieleden, kan van niemand, dus ook niet van de aangevers en aangeefsters, redelijkerwijs (…) worden verwacht dat de gesprekken werden beëindigd. Het hof kan voorts de beoordeling van het dwanggevolg niet los zien van de inhoud van de telefoongesprekken. Alleen al het bericht van het overlijden van een familielid, in het bijzonder een ouder, partner of kind, maakt doorgaans diepe indruk op de nabestaanden en kan zeker grote verslagenheid teweegbrengen. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat verdachte door het voeren van (minutenlange) telefoongesprekken een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer alsook op de autonomie van de aangevers/aangeefsters. Aldus is het door artikel 284 vanPro het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsgoed, te weten de vrijheid van personen, door verdachte aangetast.
In het voorgaande ligt als oordeel besloten dat causaal verband bestaat tussen de feitelijkheid en het dulden. Het hof is van oordeel dat verdachte door de feitelijkheden – zich voordoen als politieagent, het voorbereiden op slecht nieuws – een situatie heeft geschapen waarin aangevers/aangeefsters zich niet konden onttrekken aan het gesprek en aldus gedwongen werden voor kortere of langere tijd te blijven luisteren naar het slecht- nieuwbericht en de huiveringwekkende details daarvan.
Opzet
Ten slotte vereist artikel 284 vanPro het Wetboek van Strafrecht dat sprake is van opzet, gericht op het dwingen en de wederrechtelijkheid van de gedragingen.
De raadsman heeft ten aanzien van het opzet-bestanddeel om verschillende redenen vrijspraak bepleit. Hij heeft het standpunt ingenomen dat niet sprake is van bewust maar van willekeurig belgedrag, omdat verdachte in een periode van een maand maar liefst 1.149 of 2.542 telefoongesprekken heeft gevoerd, gestuurd door zoekslagen op Google.
Het hof ziet echter niet in waarom de zeer grote hoeveelheid telefoongesprekken die verdachte zou hebben gevoerd op zichzelf afdoet aan het opzet op het voeren van die gesprekken. Voor zover de raadsman heeft beoogd te bepleiten dat verdachte niet heeft gehandeld volgens een duidelijk kenbaar motief, faalt het verweer eveneens, omdat voor de vaststelling van strafrechtelijk opzet in beginsel niet is vereist dat bepaalde achterliggende motieven voor het betreffende gedrag worden vastgesteld. Dat verdachte willekeurige personen heeft gebeld, de personen die hij belde niet heeft uitgekozen op basis van enig criterium en de aangevers/aangeefsters voorafgaand aan de telefoongesprekken niet kende, doet ten slotte evenmin afbreuk aan het oordeel dat hij willens en wetens telefoongesprekken heeft gevoerd. Niet vereist is immers dat wordt vastgesteld dat verdachte de intentie had specifieke met naam bij hem bekende personen te bellen, daarvoor is het strafrechtelijke opzetbegrip te generaal.
Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak bepleit op de grond dat verdachte met de telefoongesprekken het enkele doel had dat de toehoorders zouden geloven dat zij inderdaad met een politieagent te maken hadden, en dat aldus – zo begrijpt het hof – opzet op het teweegbrengen van een dwanggevolg heeft ontbroken.
Het hof is evenwel van oordeel dat het opzet van verdachte niet beperkt is geweest tot het louter geloofwaardig als politieambtenaar overkomen. Het is immers een algemene ervaringsregel dat personen die met het overlijden van een familielid worden geconfronteerd, daarvan doorgaans heftige emotionele en soms fysieke gevolgen ondervinden, in het bijzonder als gruwelijke details van de wijze van overlijden worden verteld. Het hof gaat ervan uit dat verdachte deze ervaringsregel kende. Door keer op keer nieuwe personen te bellen en in het bijzonder door telkens mededelingen te doen over de precieze wijze van overlijden van hun dierbaren, heeft verdachte daarom het hiervoor uiteengezette gevolg bewust aanvaard.
De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit op de grond dat verdachte geen opzet op de wederrechtelijkheid van de gedragingen heeft gehad. Volgens de raadsman is verdachte onder meer zwakbegaafd en is zijn empathisch vermogen zeer beperkt, kon hij zich derhalve niet inleven in de impact van de slecht-nieuwsberichten op de ontvangers daarvan en had hij daarom geen besef van de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen.
Het hof stelt voorop dat een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling slechts dan aan bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Dit is niet anders indien het opzet op de wederrechtelijkheid van de gedragingen betrekking heeft. Op grond van de rapporten van 8 oktober 2015 en 14 december 2015, opgesteld door drs. J. Koeman, Orthopedagoog Generalist en drs. M.H. Keppel, GZ- en Kinder- en Jeugdpsycholoog kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid, een gedragsstoornis, een identiteitsprobleem en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, en daarnaast van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een posttraumatische stressstoornis. Uit het Pro Justitia rapport van 14 december 2015, opgesteld door dr. J. Vreugdenhil, psychiater, blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven met antisociale, narcistische en borderline trekken en zwakbegaafdheid. Op basis daarvan kan het hof echter niet de conclusie trekken dat bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. De conclusie dat dergelijk inzicht niet ontbroken heeft, leidt het hof daarnaast af uit de doordachte, weloverwogen wijze waarop verdachte de telefoongesprekken heeft gevoerd.
Het hof is van oordeel dat verdachte zowel opzettelijk de ten laste gelegde telefoongesprekken heeft gevoerd en aldus gevolgen teweeg heeft gebracht, als opzet heeft gehad op handelen zonder bevoegdheid. Bij dit oordeel betrekt het hof dat verdachte heeft verklaard dat hij meerdere telefoongesprekken heeft gevoerd waarin hij heeft gezegd dat hij van de politie was en dat een van de dierbaren van de persoon die door hem werd gebeld was overleden. Hierbij heeft verdachte verklaard dat hij zei dat hij van de politie was omdat men hem dan zou geloven en dat hij een aantal keren mensen heeft horen huilen tijdens een telefoongesprek.
De verweren worden verworpen.’
7. De toelichting op het middel geeft aan dat door de verdediging het verweer is gevoerd dat de tenlastegelegde feiten niet kunnen worden gekwalificeerd als ‘dwang’ in de zin van art. 284 SrPro omdat het onverhoeds bellen geen dwang zou opleveren en het blijven luisteren naar een verschrikkelijke (of prettige) boodschap evenmin. En dat ‘feitelijkheden’ niet slechts kunnen bestaan uit het uitspreken van woorden. Als dit anders zou zijn, ‘zouden medewerkers van telemarketingbedrijven die onverhoeds mogelijke consumenten (al dan niet in de avonduren) benaderen voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden, zich niet alleen schuldig maken aan (hoogst) irritant/opdringerig gedrag, maar zelfs aan een misdrijf’. Volgens de stellers van het middel getuigt het oordeel van het hof dat ook het enkel uitspreken van woorden onder een ‘andere feitelijkheid’ kan vallen van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onbegrijpelijk. Het voeren van een telefoongesprek zou niet meer zijn dan het uitspreken van woorden; dat de verdachte heeft gezegd dat hij ‘agent/rechercheur’ was en/of dat hij ‘slecht nieuws’ had, zou – zo begrijp ik – voor strafbaarheid onvoldoende zijn nu hij naast deze mondelinge uitlatingen geen andere handelingen heeft verricht. Daarnaast blijkt volgens de stellers van het middel niet van een ‘gebiedende toon’ of van een situatie waarin aangevers zich onafhankelijk van de wil van de verdachte niet aan dat handelen hebben kunnen onttrekken.
8. De dwangmiddelen ‘enige andere feitelijkheid’ en ‘bedreiging met enige andere feitelijkheid’ zijn in 1903 door de Stakingswet aan art. 284 SrPro toegevoegd. [1] Op basis van de parlementaire behandeling concludeert Lindenberg dat voor de uitleg van de term feitelijkheid ‘nooit een eenduidig richtsnoer is gegeven.’ [2] Voor het geval toch ‘een poging gewaagd zou moeten worden’, formuleert hij de volgende omschrijving: ‘een ‘feitelijkheid’ is volgens de bedoeling van de wetgever een positieve en objectief vast te stellen vijandige daad – zoals handtastelijkheden, maar daartoe niet beperkt – die een onduldbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid oplevert’. [3] Maar hij voegt daar onmiddellijk aan toe dat de vraag welke gedragingen volgens de wetgever precies aan het bestanddeel ‘feitelijkheid’ beantwoorden ‘in vrijwel elke richting te beantwoorden’ is.
9. Lindenberg signaleert dat ‘door veel juristen’ (mede) op grond van een deel van de wetsgeschiedenis de gevolgtrekking is gemaakt dat een ‘feitelijkheid’ in art. 284 SrPro ‘niet enkel kan bestaan uit het uitspreken van woorden’. [4] In dat deel van de wetsgeschiedenis staat de bijdrage van het Tweede Kamerlid Willinge centraal, die bij zijn bespreking van het begrip ‘feitelijkheid’ het commentaar van Noyon op dat begrip in de context van art. 266 SrPro citeert: ‘Nieuw tegenover de Code Pénal is de strafbaarstelling van beleediging door feitelijkheden, in het ontwerp beleediging door daden genoemd. De Minister veranderde de uitdrukking zonder dat blijkt waarom; de zin zal wel niet gewijzigd zijn; feitelijkheid is elke (beleedigende) handeling die zich niet in woorden uit: gebaren, dreigementen, afbeeldingen, spuwen in het aangezicht en wat verder in het verkeer eene beleedigende betekenis gekregen heeft’. Willinge voegt daar aan toe: ‘Nu zal echter naar mijn inzien het woord ‘feitelijkheid’ in de practijk in art. 284 eenPro ruimere beteekenis hebben dan in art. 266 SrPro, omdat in dit laatste artikel feitelijkheid zoodanig moet zijn dat daarin de animus iniuriandiligt opgesloten. Door het gebaar of welke feitelijkheid ook moet worden te kennen gegeven dat men wil beleedigen. Uit den aard der zaak krijgt dus de uitdrukking in art. 266 eenPro enigszins meer beperkte beteekenis. Dit voorstel echter omvat elke feitelijkheid of de bedreiging daarmede waardoor dwang kon worden veroorzaakt, en het woord verkrijgt daardoor naar mijn meening een ruimere beteekenis’. [5] Willinge wil van de minister weten of zijn opvatting ‘daaromtrent in het algemeen juist is’ en knoopt daar nog de vraag aan vast ‘of mijn opvatting goed is, dat het woord ‘feitelijkheid’ altijd beteekent een positieve daad, dus nooit iets negatiefs’.
10. Minister van Justitie Loeff antwoordt daarop: ‘Ik wil beginnen met den laatsten geachten spreker te zeggen, dat ik in het algemeen meega met zijn opvatting van het begrip ‘feitelijkheid’, behoudens op één punt, nl. voor zooveel de geachte afgevaardigde die uitdrukking zooals deze voorkomt in het gewijzigde art. 284 voorPro ruimer houdt dan in art. 266. Volgens den geachten afgevaardigde zouden wij in art. 266 tePro maken hebben met een gequalificeerde feitelijkheid, terwijl hier de feitelijkheid op zich zelf zoude staan. Daardoor zou dan vanzelf de beteekenis van het woord ‘feitelijkheid’ in art. 266 engerPro moeten zijn dan zij hier, in art. 284 nieuw, is. Nu zou ik die redeneering juist willen omkeeren en zeggen, dat de beteekenis van het woord ‘feitelijkheid’ in dit artikel enger moet zijn en ook inderdaad is dan in art. 266. Waarom? Omdat het veel gemakkelijker is door een feitelijkheid te beleedigen dan door een feitelijkheid te dwingen. Men heeft in dit artikel niet te doen met een feitelijkheid, om zoo te zeggen staande op zich zelf, zonder verband met iets anders; de feitelijkheid moet toch in verband staan met de dwangoefening; zij moet een zoodanige zijn, dat daardoor de dwang, dien men wil aandoen, ook werkelijk kan aangedaan worden. Ik geloof dus, dat de redeneering van den geachten afgevaardigde in hoofdzaak juist is en ik, wat die hoofdzaak betreft, mij daarbij kan aansluiten, nl. in zoover wij de beteekenis van het woord ‘feitelijkheid’ moeten putten uit de geschiedenis van art. 266. Daarnaast zal men dan te letten hebben op het verschillend verband, waarin de uitdrukking in de beide artikelen voorkomt… ’. De vraag van het Tweede Kamerlid Willinge of ‘het begrip feitelijkheid alleen zou zijn een positieve daad en niet ook iets negatiefs’ beantwoordt de minister bevestigend. [6]
11. Over de aan zijn woorden te hechten betekenis laat de Minister van Justitie zich vervolgens nog uit naar aanleiding van opmerkingen van het Tweede Kamerlid Troelstra: ‘Ik herhaal: ik wensch van deze plaats geen verklaringen af te leggen, die er op gericht zouden kunnen schijnen, den rechter te binden. Ik wil mij niet in verdere casuïstiek begeven. Ik geloof bovendien, dat de voorbeelden, die ik heb aangehaald, voldoende het verschil tussen ‘geweld’ en ‘feitelijkheden’ in het licht stellen… Waar moeten wij licht zoeken voor de uitlegging van deze bepaling? Ik zeide het reeds: niet alleen, misschien zelfs niet in de eerste plaats in datgene, wat omtrent die bepalingen hier gezegd wordt. Het licht moet gegeven worden ook door den rechter; men moet rekening houden met diens gezond verstand en met diens inzicht in strafbepalingen als deze.’ [7]
12. Mij komt het voor dat het te ver voert, uit dit deel van de wetsgeschiedenis af te leiden dat een ‘feitelijkheid’ in de zin van art. 284 SrPro niet enkel kan bestaan uit het uitspreken van woorden. Dat Noyon niet van een feitelijkheid in de zin van art. 266 SrPro wilde spreken bij het uiten van woorden vloeit voort uit de context van dat artikel; de belediging die iemand in zijn tegenwoordigheid mondeling is aangedaan is zelfstandig strafbaar gesteld. Deze beperking van het begrip feitelijkheid is in het betoog van Willinge niet het centrale element. Loeff haakt in zijn antwoord aan bij dat centrale element: het begrip feitelijkheid wordt naar zijn opvatting door de context van art. 284 SrPro sterker beperkt dan door de context van art. 266 SrPro. Verder houdt Loeff een slag om de arm; hij gaat ‘in het algemeen’ met de geachte afgevaardigde mee; het gaat om een betoog dat ‘in hoofdzaak’ juist is; men heeft te letten op het ‘verschillend verband, waarin de uitdrukking in de beide artikelen voorkomt’. In het antwoord aan Troelstra geeft Loeff voorts aan de rechter de ruimte te willen laten bij het bepalen van de reikwijdte van deze strafbepaling. Meegewogen kan ook worden dat het gaat om uitlatingen tijdens de mondelinge behandeling, waarin Loeff ter plekke reageert op hetgeen Willinge aanvoert. Het gaat niet om een schriftelijke reactie waar lang(er) over is nagedacht. Ook dat brengt mee dat het niet voor de hand ligt conclusies te trekken uit de omstandigheid dat Loeff bij een deel van de door Willinge geciteerde omschrijving geen kanttekening heeft geplaatst.
13. Lindenberg wijst er nog op dat een uitleg waarin het enkel uitspreken van woorden geen ‘feitelijkheid’ kan opleveren slecht verenigbaar zou zijn met de opvatting van de regering die uit een elders besproken voorbeeld blijkt. De Commissie van Rapporteurs noemt als voorbeeld van dwingen ‘degene, die op kwellende wijze muziekinstrumenten bespeelt of doet bespelen, ten einde te verkrijgen, dat zijn buurman iets doet of nalaat’. [8] De regering meende dat ‘niet duidelijk’ zou zijn waarom dit ‘niet strafbaar zou behoeven te zijn als inbreuk op de persoonlijke vrijheid’. [9] Het is, zo stelt Lindenberg, ‘ook mogelijk door het (hard en tot vervelens toe) uitspreken van woorden een buurman ergens toe te dwingen’. [10]
14. De stellers van het middel doen een beroep op de conclusie van A-G Knigge voorafgaand aan HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:229. Knigge schrijft daarin (onder 6.2) dat het bij het begrip ‘andere feitelijkheid’ gaat ‘om “alle handelingen die niet vallen in het begrip van geweld, anderzijds niet uitsluitend bestaan in het uitspreken van woorden”’ en verwijst in een noot in de eerste plaats naar HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0728, NJ1997/598. Het is de vraag of die gevolgtrekking inderdaad rechtstreeks uit dat arrest voortvloeit. Ten laste gelegd was dat de verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen ter uitvoering van het voornemen om een B.V. ‘door na te noemen feitelijkheidwederrechtelijk te dwingen tot afgifte van een geldbedrag’, deze B.V. had benaderd en verzocht dit geldbedrag te voldoen of te overhandigen bij gebreke waarvan zou worden overgegaan tot openbaring of verstrekking aan derden van een computerbestand, althans dit computerbestand niet zou worden teruggegeven. Uw Raad oordeelde de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig, ‘aangezien die mededelingen op zichzelf niet kunnen worden aangemerkt als een feitelijkheid, welke term in de tenlastelegging kennelijk in dezelfde betekenis is gebezigd als daaraan toekomt in art. 284 SrPro’. Die beslissing berust vermoedelijk op het oordeel dat het, zoals A-G Machielse het (onder 14) verwoordt, ‘hooguit’ om een bedreigingmet een feitelijkheid gaat. In die zin begrijp ik ook Lindenberg, die uit dit arrest afleidt dat ‘het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ in art. 284 SrPro wordt begrensd door de reikwijdte van de andere, meer specifieke dwangmiddelen in de bepaling’. [11] Noyon-Langemeijer-Remmelink, waar Knigge in dezelfde voetnoot ook naar verwijst, leidt wel uit het arrest af dat feitelijkheden ‘niet uitsluitend bestaan in het uitspreken van woorden’. [12] Er is naar het mij voorkomt weinig reden om de verschillen tussen beide opvattingen op te kloppen: woorden worden altijd in een context geuit en die context zal bij het beoordelen van de (dwingende) lading (welhaast) altijd een rol spelen. [13]
15. Niet alleen de parlementaire behandeling van de Stakingswet is van belang in verband met de interpretatie van het begrip ‘andere feitelijkheid’. Ook de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 7 maart 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht BES met het oog op de verruiming van de mogelijkheden tot strafrechtelijke aanpak van huwelijksdwang, polygamie en vrouwelijke genitale verminking ( Stb.2013, 95) is relevant. De memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel houdt onder meer het volgende in: [14]
‘Artikel 284 SrPro stelt in het eerste lid, onderdeel 1°, strafbaar degene «die een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden». Het kan bij de in artikel 284 SrPro genoemde dwangmiddelen dus gaan om fysieke druk door geweld, maar ook om psychische druk door bedreiging met geweld. Bij feitelijkheden gaat het om handelingen die niet onder geweld of bedreiging vallen. Het kan daarbij gaan om meer subtiele vormen van psychische druk. Wel moeten deze handelingen van zodanige aard zijn dat zij in de gegeven omstandigheden leiden tot een druk waaraan het slachtoffer geen weerstand kan bieden (Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 284, aant. 4). De strafbepaling heeft een ruim toepassingsbereik. Kern van artikel 284 SrPro is het waarborgen van de psychische en fysieke vrijheid van mensen. De bepaling beoogt te voorkomen dat iemand op wederrechtelijke wijze in zijn vrijheid van handelen wordt beperkt of onder druk wordt gezet.’
16. De memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij dat wetsvoorstel houdt onder meer in: [15]
‘Het is juist dat de strafbaarstelling van dwang een betrekkelijk ruime reikwijdte heeft. (…) De strafbaarstelling is opgenomen in Titel XVIII inzake misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid en maakt al sinds de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafrecht in 1886 daarvan onderdeel uit.
De strekking van de strafbepaling is te voorkomen dat iemand op een wederrechtelijke manier in zijn vrijheid van handelen wordt beperkt doordat er dwang ten aanzien van hem wordt uitgeoefend. Omdat de delictsomschrijving niet beperkt is tot een specifiek dwangmiddel en evenmin tot een specifiek resultaat dat met de uitgeoefende dwang wordt beoogd, kan de strafbaarstelling als ruim worden gekenschetst. Verschillende vormen van dwang kunnen dus onder dit artikel worden gebracht, hetgeen ook blijkt uit de relevante jurisprudentie. (…) Onder feitelijkheid worden in het algemeen alle handelingen verstaan die niet als geweld zijn aan te merken. Deze handelingen moeten zodanig van aard zijn dat zij in de gegeven omstandigheden leiden tot een zodanige psychische druk dat het slachtoffer daaraan in redelijkheid geen weerstand kon bieden. De strafwaardigheid van het gedrag moet worden gevonden in de bewuste toepassing van dwang.’
17. Volgens de wetgever gaat het aldus bij feitelijkheden om handelingen die niet onder geweld of bedreiging vallen; daarbij kan het om ‘meer subtiele vormen van psychische druk’ gaan. Omdat de delictsomschrijving van art. 284 SrPro ‘niet beperkt is tot een specifiek dwangmiddel’ en evenmin tot een specifiek resultaat dat met de uitgeoefende dwang wordt beoogd, ‘kan de strafbaarstelling als ruim worden gekenschetst’. In dit verband wijs ik er voorts op dat de nota naar aanleiding van het verslag bij het desbetreffende wetsvoorstel inhoudt dat een ‘uitputtende opsomming van de vormen van strafbare dwang die onder art. 284 SrPro kunnen worden gebracht’ niet te geven is, dat het artikel ‘algemeen geformuleerd’ is en een ‘brede reikwijdte’ heeft, waaronder ‘veel verschillende vormen van dwang kunnen worden gebracht’. [16]
18. Bij de voornoemde Wet van 7 maart 2013 is het wettelijk strafmaximum van art. 284 SrPro verhoogd van negen maanden naar twee jaren gevangenisstraf. Blijkens de nota naar aanleiding van het verslag geeft het hogere strafmaximum het signaal af dat ‘dwang in de hoogste gradatie van ernst’ reden vormt voor het opleggen van een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur. [17] De wetgever had daarbij het oog op huwelijksdwang, situaties waarin radicale predikers zodanige fysieke of psychische druk uitoefenen op jongeren dat deze gedwongen worden iets te doen, niet te doen of te dulden, terwijl daarvan geen sprake zou zijn geweest als de fysieke of psychische druk niet was uitgeoefend en dwang in het kader van sektes. Ten aanzien van de ‘minder ingrijpende vormen van dwang (…), die eveneens onder de strafbaarstelling van artikel 284 SrPro vallen’ geldt dat ‘de rechter binnen het wettelijke strafmaximum een straf zal opleggen die passend is gelet op de ernst van het bewezenverklaarde delict. Vragen die bij de straftoemeting ter zake van artikel 284 SrPro onder andere van betekenis kunnen zijn, zijn op welke wijze de dwang is uitgeoefend (door geweld of bedreiging met geweld of wellicht door een andere, minder ingrijpende feitelijkheid) en waartoe de dwang heeft geleid of, in het geval van een poging, had moeten leiden.’ Daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever niet voor ogen heeft gestaan dat de verhoging van het wettelijk strafmaximum zou leiden tot een beperktere uitleg van de reikwijdte van art. 284 SrPro.
19. Bij de interpretatie van het begrip ‘feitelijkheid’ is ook de rechtspraak inzake de artikelen 242 en 246 Sr van belang. [18] In HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC8317, NJ1998/607 heeft Uw Raad expliciet gesteld dat ‘de wetsgeschiedenis met betrekking tot de invoeging van het bestanddeel ‘feitelijkheid’ in art. 284 SrPro bij de Wet van 13 april 1903, Stb. 1903, 101, en in (onder meer) art. 242 SrPro bij de Wet van 19 oktober 1991, Stb. 1991, 519, geen steun (biedt) aan de (…) opvatting dat aan het begrip ‘feitelijkheid’ in art. 284 SrPro een minder ruime uitleg moet worden gegeven dan aan datzelfde begrip in art. 242 SrPro’. In de rechtspraak inzake de artikelen 242 en 246 Sr komen veel zaken naar voren waarin het uitspreken van woorden centraal staat. Lindenberg en Van Dijk noemen verschillende typen gedragingen die blijkens rechtspraak van Uw Raad een feitelijkheid in de zin van deze artikelen kunnen opleveren, in twee daarvan staan woorden centraal. [19]
20. Het eerste type betreft ‘het bezigen van gebiedende taal’. In HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0645, NJ1997/485 m.nt. ’t Hart bestond de feitelijkheid daarin dat de verdachte (een huisarts) het slachtoffer, patiënt van de verdachte, in zijn spreekkamer, op dwingende toon had geboden gebukt te gaan staan. In HR 2 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1356, NJ1999/312 bestond één van de tenlastegelegde feitelijkheden erin dat de verdachte het (verstandelijk gehandicapte) slachtoffer met woorden had gedwongen zich uit te kleden. Uit HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ2004/78 ten slotte volgt dat Uw Raad onder omstandigheden het met barse stem toespreken van het slachtoffer als een feitelijkheid wil aanmerken.
21. Het tweede type betreft ‘het aanwenden van gezag of overwicht’. In HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1653, NJ2000/125 had de verdachte het slachtoffer in een ‘afhankelijkheidsrelatie’ gebracht. Uit ’s hofs vaststellingen volgt onder meer dat de verdachte leider was van een leefgemeenschap waar ook het slachtoffer deel van uitmaakte, dat hij zeer dominant was, het slachtoffer vaak kleineerde en vaak erg woedend was. In HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ2013/427 was (naast een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht) het inspelen op de devotie/godvruchtigheid van het slachtoffer als feitelijkheid aangemerkt.
22. Al met al meen ik dat de enkele omstandigheid dat mondelinge uitlatingen van de verdachte centraal staan in de uitgeoefende dwang, niet meebrengt dat van een ‘andere feitelijkheid’ in de zin van art. 284 SrPro geen sprake kan zijn. Voor zover noodzakelijk wijs ik er wat betreft de context waarin deze uitlatingen gedaan zijn op dat uit ’s hofs vaststellingen volgt dat de verdachte ook door de telefoon te gebruiken en door de wijze waarop hij zich presenteerde en uitdrukte heeft bijgedragen aan het creëren van de dwangsituatie.
23. Voor zover het middel tevens bedoelt te klagen over de vaststelling dat de slachtoffers door de bewezenverklaarde feitelijkheden zijn gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling, kan nog het volgende worden opgemerkt. Lindenberg onderscheidt in zijn dissertatie een aantal ‘dwangsoorten’. Daartoe behoren de fysieke dwang en de psychische dwang, sommige vormen van misleiding, en (overig) misbruik van onmacht. [20] In deze zaak is in ieder geval van misleiding sprake; de verdachte heeft voorgewend een agent of rechercheur te zijn.
24. Misleiding levert als zodanig geen dwang in de zin van de wet op. In HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0980, NJ1998/534 m.nt. De Hullu was tenlastegelegd, kort gezegd, dat de verdachte het slachtoffer had gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam door zich terwijl zij niet (geheel) wakker was tegenover haar voor te doen als haar partner. Het hof had de verdachte vrijgesproken; Uw Raad liet deze vrijspraak in stand, overwegend dat van dwingen in de zin van art. 242 SrPro slechts sprake kan zijn ‘indien de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in art. 242 SrPro bedoelde handelingen tegen haar wil heeft ondergaan’. Het bestanddeel ‘dwingen’ in art. 246 SrPro wordt in dezelfde zin uitgelegd (HR 5 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1701, overigens geen situatie van misleiding). [21] Uw Raad legt het begrip feitelijkheid in art. 284 SrPro, zo bleek eerder (randnummer 19), niet minder ruim uit dan in art. 242 SrPro. Mede tegen deze achtergrond is er geen reden om aan te nemen dat Uw Raad aan het bestanddeel ‘dwingen’ in art. 284 SrPro een andere uitleg geeft dan in art. 242 enPro 246 Sr.
25. Met het oog op de interpretatie van ‘dwingen’ in situaties van misleiding is ook HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ2007/422 m.nt. Buruma relevant. Uw Raad overwoog dat het hof blijkens de bewijsmiddelen onder meer had vastgesteld dat de verdachte, werkzaam bij de ambulancedienst als instructeur en leidinggevende, wetende dat hij door aangeefsters als zeer deskundig werd aangemerkt, van zijn overwicht en overtuigingskracht gebruik had gemaakt bij het verkrijgen van toestemming tot het verrichten van seksuele handelingen. De op de artikelen 242 en 246 Sr gebaseerde veroordeling werd gecasseerd omdat uit de bewijsmiddelen ‘niet zonder meer (kon) volgen dat de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of de aangeefsters in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht, dat zij zich daardoor niet tegen die handelingen konden verzetten, of dat de verdachte de aangeefsters heeft gebracht in een zodanige, door hem opzettelijk veroorzaakte, (bedreigende) situatie dat het daardoor voor haar zo moeilijk was om zich aan die handelingen te onttrekken dat er sprake was van dwang van de kant van de verdachte’. Uit deze formulering kan worden afgeleid dat Uw Raad bij misleiding wel van ‘dwingen’ wil spreken als deze gepaard gaat met het creëren van (grote) psychische druk dan wel een bedreigende situatie.
26. Lindenberg meent dat bij misleiding in twee situaties van ‘dwingen’ kan worden gesproken. [22] Eén daarvan is de situatie waarin ‘de misleiding van meet af aan grote psychische druk veroorzaakt’. In dat geval is, zo stelt hij, sprake van onvrijwilligheid. ‘Het heeft zelfs veel weg van psychische dwang. Het onderscheid is dat het slachtoffer hier veronderstelt te worden gedwongen door de omstandigheden, niet door degene die haar de informatie verstrekt.’ Als argument om voor een extensieve interpretatie te kiezen noemt Lindenberg onder meer ‘de normativiteit van het strafrecht’. Wanneer een slachtoffer zich niet door de dader gedwongen voelt, maar wel door een bedreigend ogende situatie, ‘kan het redelijk zijn de handelingen van de dader als oorzaak van de dwang aan te wijzen. Dit is dan ondanks dat het slachtoffer dit laatste causale verband niet ervaart. Het dwangbegrip lijkt daarmee niet onaanvaardbaar te worden opgerekt, omdat het slachtoffer de situatie begrijpelijkerwijs als dwang ervaart’.
27. Aanwijzingen dat Uw Raad in situaties van misleiding gekoppeld aan psychische druk een vaststelling van ‘dwingen’ in de zin van de artikelen 242, 246 en 284 Sr mogelijk acht, kunnen worden ontleend aan de rechtspraak waarin het inspelen op devotie als een feitelijkheid is aangemerkt. In het eerder genoemde HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ2013/427 was sprake van het door een psychisch en uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht alsmede het inspelen op de devotie/godvruchtigheid van het slachtoffer doen ontstaan van een voor het slachtoffer ongelijkwaardige situatie waardoor zij zich niet kon verzetten tegen de seksuele handelingen. A-G Hofstee besprak in zijn conclusie bij dit arrest (onder 13) ook HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZE0139 (niet gepubliceerd). Daarin waren de verdachte en haar mededader werkzaam in een klooster waar het slachtoffer van haar negende tot haar vijftiende levensjaar verbleef. De bewezenverklaring hield, volgens de conclusie van A-G Machielse, in dat de verdachte en haar mededader zich opzettelijk uitgaven als profeten van God en tegen het slachtoffer hadden gezegd ‘dat dit de opdracht van God was’. Uit de verklaring van het slachtoffer volgt dat zij geloofde dat de verdachte en haar mededader profeten van God waren. Daarmee wijzen de vaststellingen in dit arrest er op dat ook hier sprake was van een situatie van misleiding gekoppeld aan psychische druk, en dat het slachtoffer in de veronderstelling kan hebben verkeerd te worden gedwongen door de omstandigheden, niet door degene die haar de informatie verstrekte. Dat Uw Raad de middelen verwierp met de aan art. 101a (oud) RO ontleende motivering, duidt erop dat Uw Raad daarin geen argument zag om geen dwang aan te nemen.
28. Mede tegen deze achtergrond meen ik dat de klacht, voor zover zij zich mede richt tegen de vaststelling dat de slachtoffers door de bewezenverklaarde feitelijkheden zijn gedwongen iets te dulden, te weten het aanhoren van een telefonische mededeling, faalt. De verdachte heeft, door de slachtoffers onverhoeds op te bellen en zich voor te doen als politieman en door de wijze waarop hij de telefoongesprekken is begonnen, op hen een psychische druk gelegd; dat heeft hen ertoe gebracht de telefonische mededeling aan te (blijven) horen. [23] Daar was zijn opzet ook op gericht. Dat zij daarbij zijn misleid, omdat de verdachte in werkelijkheid geen politieman was, brengt niet mee dat van dwingen geen sprake is. Ik neem daarbij in aanmerking dat in het geval de verdachte daadwerkelijk politieman was geweest, en de feiten en omstandigheden overigens identiek waren, naar het mij voorkomt eveneens van ‘dwingen’ sprake was geweest. [24]
29. Ik rond af. Het hof heeft in de bewezenverklaring onder 1, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 telkens bewezenverklaard dat de verdachte de betrokkene onverhoeds heeft gebeld. Hij heeft telkens gezegd dat hij van de politie of van de (technische) recherche was. In acht gevallen heeft hij gezegd dat hij slecht nieuws of een vervelende mededeling had, en in zeven gevallen dat de betrokkene even moest gaan zitten. [25] In zijn bewijsoverwegingen heeft het hof overwogen dat de verdachte zich ‘op een zeer rustige, beheerste en professionele wijze’ uitte. En zich dus op een manier presenteerde ‘die past bij de wijze waarop een echte politieagent of rechercheur zich zou uitdrukken’. Het hof overweegt verder dat de verdachte op die manier misbruik gemaakt heeft van een in het maatschappelijk verkeer geldend patroon dat men (telefonische) mededelingen van hulpverleners, zoals de politie, aanhoort, serieus neemt en in beginsel niet zelf het gesprek afbreekt.
30. Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte ‘feitelijkheden’ opleverden waardoor de betrokken personen zijn ‘gedwongen’ tot het moeten aanhoren van een slechtnieuwsbericht waarin aan hen werd verteld dat een of meerdere van hun dierbaren waren overleden, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
31. Het middel faalt.
32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Wet van 11 april 1903,
2.K. Lindenberg,
3.Lindenberg,
4.Lindenberg,
5.Smidt V, p. 631-632.
6.Smidt V, p. 632-633.
7.Smidt V, p. 636.
8.Smidt V, p. 622.
9.Smidt V, p. 623-624.
12.Aant. 4 op art. 284 SrPro (actueel t/m 1 oktober 2012).
13.Vgl. in dit verband nog Lindenberg,
18.Zie voor kritiek op de introductie van dit bestanddeel in deze artikelen, vanwege de onbepaaldheid, A.J.M. Machielse, ‘De nieuwe zedendelicten’,
23.Ook van de ‘onvermijdbaarheid’ als vereiste voor dwang (vgl. Lindenberg,
24.Het aanwenden van gezag of overwicht is een feitelijkheid in de zin van de artikelen 242, 246 en 248 Sr; vgl. Lindenberg,
25.In twee gevallen is alleen bewezenverklaard dat de verdachte onverhoeds heeft gebeld en gezegd dat hij van de technische recherche was alvorens hij meedeelde dat de moeder van aangeefster was vermoord door kogels resp. doodgestoken bij een beroving (feiten 8 en 14). In het licht van ‘s hofs bewijsoverwegingen komt ook in die gevallen de bewezenverklaring mij toereikend gemotiveerd voor.