Conclusie
1.Feiten en procesverloop
tevensals deskundige op te roepen op grond van art. 8 lid 6 Wet Pro Bopz. De advocaat schreef ter toelichting:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
niethoren van een in art. 8 lid 4 Wet Pro Bopz genoemde persoon. [2] In de desbetreffende zaak werd geklaagd dat de arts die de geneeskundige verklaring had afgegeven niet door de rechter was gehoord. In zijn conclusie betoogde de advocaat-generaal Asser dat de wetsgeschiedenis van de Wet Bopz weliswaar wijst in de richting van een verplichting tot horen, maar dat tijdens de parlementaire behandeling een bijzondere motiveringsplicht bij niet-horen niet nodig is geacht. Voorts merkte Asser op dat de wet niet voorziet in een sanctie indien art. 8 lid 4 Wet Pro Bopz niet is nageleefd. In alinea 2.19 van zijn conclusie maakte Asser de gevolgtrekking dat in cassatie niet met succes kan worden geklaagd over het niet-horen van de geneesheer-directeur. De Hoge Raad overwoog in rov. 3.3 dat het desbetreffende middelonderdeel faalde “op de gronden aangegeven in de conclusie van het OM onder 2.7 t/m 2.19”.
instructievan de wetgever aan de burgerlijke rechter om zich in Bopz-zaken niet lijdelijk, maar actief op te stellen en zich zo breed mogelijk te laten informeren alvorens een beslissing te nemen over het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging. Anderzijds gaat het om een door de wetgever aan de burgerlijke rechter toegekende
bevoegdheidom (ook ambtshalve) daartoe inlichtingen in te winnen bij de in dit artikellid genoemde personen als zij bereikbaar en beschikbaar zijn, ook al zijn zij niet tevoren formeel aangezegd of opgeroepen als getuige of deskundige. [5] Daarachter steekt kennelijk de gedachte dat de in dit artikellid genoemde personen mogelijk over nuttige informatie beschikken [6] en dat Bopz-zaken steeds spoedeisend zijn. [7] Ten aanzien van patiënten die op grond van een eerdere rechterlijke machtiging reeds onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven, beperkt de rechter zich veelal tot het horen van de betrokkene en zijn advocaat en de ter zitting aanwezige of vertegenwoordigde behandelaar. [8] Vanuit een oogpunt van rechtsbescherming is deze praktijk mijns inziens aanvaardbaar, omdat de betrokkene op grond van het zesde lid van art. 8 Wet Pro Bopz altijd nog de mogelijkheid heeft om de rechtbank te verzoeken bepaalde personen als getuige of als deskundige te laten oproepen en te horen.
komend rechtonderscheid wordt gemaakt tussen het inwinnen van inlichtingen door de rechter bij informanten en, anderzijds, het oproepen van getuigen of deskundigen. Art. 6:1 lid 5 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) [10] heeft betrekking op dit laatste:
nietopkomt tegen de afwijzing van het op art. 8 lid 6 Wet Pro Bopz gebaseerde verzoek. Bovendien is geen concrete klacht gericht tegen de (in alinea 2.12 hiervoor geciteerde) gronden waarop de rechtbank het op art. 8 lid 6 Wet Pro Bopz gebaseerde verzoek heeft afgewezen. Zou het middelonderdeel anders worden geïnterpreteerd, dan is mijns inziens ten aanzien van de afwijzing van het op art. 8 lid 6 gebaseerde Pro verzoek niet voldaan aan de eisen die art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt. [13]
linkis gelegd tussen opsluiting en de reactie van betrokkene daarop en het ontbreken van het benodigde causaal verband (tussen stoornis en gevaar). Het onderdeel mondt uit in de klacht dat de rechtbank niet heeft overwogen welke stoornis zij aanwezig acht en welk gevaar uit die stoornis voortvloeit.