Conclusie
1.Overzicht
earn-outsbedongen bij de vervreemding van deelnemingen (art. 13(6) Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb)) en over een antispeculatievergoeding bij doorverkoop, met name over de vraag of ook rente over die vergoedingen vrijgesteld/onaftrekbaar is.
earn-outonder art. 13(6) Wet Vpb en de antispeculatievergoeding als vergoeding voor een afgesplitst belang in de zin van de
Falcons-rechtspraak. In geschil is slechts of ook (i) de contractuele rente over de earn-out 2007 en (ii) de wettelijke rente over de antispeculatievergoeding onder die vrijstelling vallen. Daarvoor is volgens de wettekst beslissend of zij onderdeel zijn van de ‘prijs’ (dat is volgens HR
BNB2018/151 de ‘tegenprestatie’) voor de deelneming.
Rechtbankachtte beide renten een vergoeding voor te late betaling en daarom geen onderdeel van de prijs voor de deelneming, zodat zij niet zijn vrijgesteld.
Het Hofheeft de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne gemaakt en daaraan toegevoegd dat de litigieuze renten geen verband houden met de winst van de deelneming. Daaraan doet niet af dat de grondslag voor de renteberekening bestaat uit de verkoopprijs en tijdverloop.
in cassatiedat ‘s Hofs oordeel strijdt met het doel van art. 13(6) Wet Vpb. Volgens haar zijn de earn-out 2007 en de contractuele rente daarover één geheel voor de toepassing van art. 13(6) Wet Vpb. Uit de verkoopovereenkomst volgt dat de
earn-outplus contractuele rente en de antispeculatievergoeding plus wettelijke rente aan elkaar zijn gekoppeld. Het Hof heeft bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom het feit dat de burgerlijke rechter moest tussenkomen bij de bepaling van de totale verkoopprijs ertoe leidt dat de rente wordt uitgesloten uit de verkoopprijs en daarmee van de deelnemingsvrijstelling.
Staatssecretarismeent dat het Hof terecht geen causaal verband zag tussen de renten en de winst van de deelneming. De koper is haar betalingsverplichtingen niet nagekomen en betaalt alleen dáárom rente. Het gaat zijns inziens om een grotendeels feitelijk oordeel, dat niet onvoldoende is gemotiveerd.
BNB1993/180), inhoudende dat de waarde van earn-outrechten en -verplichtingen geschat moesten worden ten tijde van de vervreemding van de deelneming en dat hun waardebewegingen nadien belast c.q. aftrekbaar waren. Dit kon leiden tot fiscale incoherentie tussen vrijstelling bij de verkoper en aftrek bij de koper en daardoor tot moeizame discussies met de fiscus. Per 1 januari 2002 zijn daarom de waardeontwikkelingen van earn-outrechten en -verplichtingen ná de vervreemding onder de deelnemingsvrijstelling gebracht. Art. 13(6) Wet Vpb verstaat daartoe onder een
earn-out“een prijs welke geheel of ten dele bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding of de verkrijging nog niet vaststaat.” De wetgever heeft de schattingsrechtspraak dus uitgeschakeld en het bereik van de deelnemingsvrijstelling uitgebreid door post-vervreemdings-waardeontwikkelingen van zowel earn-outrechten als earn-outverplichtingen wél onder die vrijstelling te brengen.
BNB2018/151 volgt dat mee- of tegenvallers, om onder art. 13(6) Wet Vpb te vallen, onderdeel moeten zijn van de ‘prijs’ van de deelneming, i.e. van “hetgeen de vervreemder bij de vervreemding van de deelneming als tegenprestatie verkrijgt.” De wetgever heeft expliciet ook de volloop (oprenting) van een contant gemaakte earn-outvordering en ook valutaresultaten op een
earn-outonder de vrijstelling gebracht.
earn-outwas onzeker, maar alleen of de koper zonder rechterlijke tussenkomst zou nakomen. Dat hij deels niet wenste te betalen en daartoe genoopt moest worden, neemt noch het vast staan van de
earn-out, noch de opeisbaarheid ervan in 2008 weg, zoals ook uit het civiele vonnis blijkt. Ook de verschuldigdheid en het bedrag van de vrijgestelde antispeculatievergoeding stonden materieel vast op 16 januari 2008, toen de deelneming werd doorverkocht, en de opeisbaarheid ontstond contractueel twee weken nadien, hoezeer en hoelang er daarna ook nog over is geprocedeerd. Weliswaar kon de precieze uitslag van de civiele procedure niet met zekerheid voorspeld worden, maar dat procesrisico is een andere onzekerheid dan de in art. 13(6) Wet Vpb bedoelde
overeengekomenonzekerheid over aantal of beloop van de overeengekomen earn-outtermijnen en de onzekerheid of een antispeculatievergoeding verschuldigd zal worden: procesrisico is geen overeengekomen prijsbelooponzekerheid en daarmee geen onderdeel van de ‘prijs’ ex art. 13(6) Wet Vpb.
BNB2018/151 volgt dat het erom gaat of een recht c.q. verplichting onderdeel is van “hetgeen de vervreemder bij de vervreemding van de deelneming als tegenprestatie verkrijgt.” Mede op basis van HR
BNB2013/93 meen ik daarom dat
overeengekomenrente over onzekere toekomstige earn-outtermijnen - net als die termijnen zelf - onderdeel is van die ‘tegenprestatie’. De wetgever heeft mijns inziens door invoering van art. 13(6) Wet Vpb zulke rente mét de schattingsrechtspraak overgeheveld van belast naar vrijgesteld voor zowel de verkoper als de koper. Dat is echter niet de soort rente waarover dit geschil gaat.
nietverschuldigde, want nog onzekere en dus nog
nietopeisbare deel van een
earn-outdie eerst nog verdiend moet worden, of (ii) oprenting van een contant gemaakte schatting van een nog
nietverschuldigde
earn-outdie nog verdiend moet worden. Die interest (i) en (ii) is wél onderdeel van de ‘prijs’ ex art. 13(6) Wet Vpb, waarvoor dus de regel van HR
BNB2013/93 geldt dat niet ter zake doet hoe zij geduid wordt – als ‘rente’ of anderszins – als zij maar onderdeel van de overeengekomen ‘tegenprestatie’ is. De in de literatuur opgeworpen vraag of ook ‘gewone’ rente over toekomstige onzekere earn-outtermijnen onder de vrijstelling kan vallen, net als de oprenting van een contant gemaakt earn-outvordering, beantwoord ik dus bevestigend. Men kan zulke rente (die dus loopt over de periode vóórdat de earn-outtermijn vast komt te staan en opeisbaar wordt) desgewenst ook zien als een prijsaanpassing, die onder de vrijstelling valt.
overeengekomenonzekere rente gaat het hier dus niet. Hier gaat het om moratoire interest wegens (veel) te late betaling van een al wél opeisbare earn-outtermijn 2007 c.q. antispeculatievergoeding. Wettelijke rente wegens te late betaling van de antispeculatievergoeding ná opeisbaar worden ervan is evident niet overeengekomen, nu te laat betalen per definitie niet is afgesproken, en contractuele termijnrente die door de rechter ook wordt gebruikt in het geval van wanprestatie van de koper ná het opeisbaar worden, is evenmin overeengekomen als tegenprestatie, want ook wanprestatie is per definitie niet overeengekomen als tegenprestatie.
tot aanhet vast komen staan en opeisbaar worden van
earn-outsen hebben niets te maken met verzuim van de koper, maar stroken juist met de afspraak met de koper (nominale maar onzekere bedragen in de toekomst). De litigieuze rente daarentegen ziet op de periode ná opeisbaar worden van de earn-out 2007 en de antispeculatievergoeding, dus de periode van
verzuimvan de koper. Ook uit het feit dat de rente niet verschuldigd zou zijn geworden bij correcte contractuitvoering, volgt dat zij geen onderdeel is van de overeengekomen prijs. De antispeculatievergoeding valt überhaupt niet onder art. 13(6) Wet Vpb, nu zij geen
earn-outis, maar een vergoeding voor een afgesplitst belang in de zin van de
Falcons-rechtspraak. Voor rente wegens te late betaling van die vergoeding is art. 13(6) Wet Vpb dus niet relevant, en dergelijke rente is evenmin zelf een afgesplitst belang. De wanpresterende koper heeft de beide litigieuze interesten dan ook terecht ten laste van haar fiscale winst gebracht.
BNB2017/11; Kazachstaans voorkeursrecht), nu er immers wél is afgenomen.
BNB2013/93 gelezen mag worden dat ook expliciete als onderdeel van de prijs overeengekomen renteberekening over onzekere toekomstige earn-outtermijnen
tot aanhun vaststaan en opeisbaarheid bij zowel de koper als de verkoper onder de deelnemingsvrijstelling vallen; en (ii) dat voor (de rente over) de antispeculatievergoeding art. 13(6) Wet Vpb überhaupt niet relevant is omdat die vergoeding al als voordeel uit hoofde van een (afgesplitst belang bij een) deelneming rechtstreeks onder art. 13(1) Wet Vpb valt.
2.Feiten, geschil en geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
earn-outbestaande uit een deel van de winst van de deelneming over 2006 en 2007. Op 16 januari 2008 heeft de koper alle aandelen in de deelneming verkocht aan een derde voor € 8,5 mio.
Contractuele rente (rente earn-outvergoeding)
NTFR2019/74) achtte deze uitspraak juist:
(ne bis in idembeginsel). De in het onderhavige geval vergoede rente heeft geen relatie met de winst van de vervreemde deelneming anders dan dat de prijs die voor de deelneming is verschuldigd voor de berekening van deze rente een grondslag vormt naast de na de uiterste betaaldatum verstreken tijd.”
BNB 2018/151(zie 5.16 hieronder), waarop het Hof als volgt respondeerde:
de prijsin de zin van artikel 13, lid 6 van de Wet Vpb te zijn.”
FutD2019-2748) meent dat de
earn-outen de antispeculatie-vergoeding slechts als rekeneenheid fungeren bij de bepaling van de rente en verder geen verband bestaat tussen de prijs voor de deelneming en de rentebetalingen:
3.Het geding in cassatie
twee middelenvoor: (i) ’s Hofs oordeel is in strijd met het doel van art. 13(6) Wet Vpb om economisch dubbele belasting te voorkomen. Volgens haar zijn de
earn-outen daarover verschuldigde, contractueel bepaalde rente economisch één geheel in de zin van art. 13(6) Wet Vpb. Uit de verkoopovereenkomst volgt volgens haar ook dat de
earn-outplus contractueel bepaalde rente en de antispeculatievergoeding plus de wettelijke rente aan elkaar zijn gekoppeld; (ii) het Hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de tussenkomst van de burgerlijke rechter bij de vaststelling van de totale verkoopprijs de rente uitsluit van de deelnemingsvrijstelling. Die tussenkomst was noodzakelijk om de totale verkoopprijs van de aandelen inclusief rentevergoedingen vast te doen stellen. Die totale prijs was onzeker tot de burgerlijke rechter vonnis wees.
verweerstelt de Staatssecretaris dat het Hof terecht geen causaal verband heeft gezien tussen de rente voor te late betaling van de vergoedingen en de winst van de verkochte deelneming. Dat de koopprijs voor de deelneming mede grondslag is voor de berekening van moratoire rente is onvoldoende. Volgens de Staatssecretaris is de koper haar betalingsverplichtingen niet nagekomen en is zij enkel dáárom rente aan de belanghebbende verschuldigd, zodat die rente in een te ver verwijderd verband staat met belanghebbendes (voormalige) aandeelhouderschap om als voordeel uit hoofde van de deelneming te worden aangemerkt. De economisch dubbele belastingheffing waartegen de deelnemingsvrijstelling is gericht, doet zich ook niet voor als de rente bij de belanghebbende wordt belast. Haar standpunt leidt er bovendien toe dat de omvang van het vrijgestelde deelnemingsvoordeel afhankelijk wordt van het betalingstijdstip, hoewel de belaste winst van de deelneming gelijk blijft. Dit strookt niet met doel en strekking van de deelnemingsvrijstelling. Het oordeel van de feitenrechters dat beide rentevergoedingen een vergoeding voor te late betaling zijn en daarmee geen onderdeel van de tegenprestatie voor de vervreemding van de deelneming, acht de Staatssecretaris een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Had de koper de vergoedingen op tijd betaald, dan zou geen rente verschuldigd zijn geweest, aldus de Staatssecretaris.
4.Wetgeving en wetsgeschiedenis
rechtbij de verkoper onder de deelnemingsvrijstelling vallen, ook voor zover het gaat om oprenting (volloop) van contant gemaakte toekomstige winstuitkeringen of om valutawijzigingen. Waardewijziging van de earn-out
verplichtingvalt bij de koper onder de deelnemingsvrijstelling en beïnvloedt de kostprijs van - en daarmee het opgeofferde bedrag voor - de verworven deelneming:
5.Rechtspraak
Voordelen ‘uit hoofde van’ een deelneming
BNB1985/200 [12] had in 1970 haar 25%-belang in A BV verkocht aan de B-groep voor f 250.000. Betaling bleef uit en in 1971 verkocht de belanghebbende de deelneming voor f 1 aan NV D. Twee jaar later ontving zij van de B-groep een schadevergoeding ad f 182.000 wegens niet-afname. Volgens het Hof Amsterdam viel die vergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling omdat (i) de belanghebbende in 1972 geen aandeelhoudster meer was en (ii) de vergoeding geen voordeel uit hoofde van een deelneming was, maar schadevergoeding wegens wanprestatie:
BNB2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht) [13] gaat over een schadevergoeding wegens schending van een voorkeursrecht door de medeaandeelhouder. Zo’n schadevergoeding is alleen een voordeel uit hoofde van een deelneming als de precontractuele fase tussen koper en verkoper van de deelneming is gepasseerd en (dus) een fiscaalrechtelijk te activeren recht op levering van de deelneming is ontstaan bij de gefrustreerde koper:
BNB2019/26 [14] betrof kosten ter zake van een deelneming bij de verkoper. Om onaftrekbaar onder de deelnemingsvrijstelling te vallen, moet een kostenpost in ‘rechtstreeks oorzakelijk verband’ staan met de verwerving of vervreemding van de deelneming:
(…).”
Settlement & Divestment Agreementgesloten met de Poolse regering op grond waarvan zij € 1,16 miljard heeft ontvangen mits zij haar belang zou verkopen om haar
control rightsop te geven. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden achtte een deel van die vergoeding terug te voeren op haar terugtreden als grootaandeelhouder en haar opgeven van
control rightsen daarom vrijgesteld. Voor het overige achtte het Hof de vergoeding niet vrijgesteld omdat de aanspraak op het niet-verworven 21%-pakket geen afgesplitst belang was vergelijkbaar met een optie zoals in het
Falcons-arrest (zie 5.12 hieronder) en ook nog geen (realiseerbaar) recht op levering bestond zoals bedoeld in HR
BNB2017/11 (zie 5.2 hierboven).
BNB1980/46 [16] was in geschil of de koper van een deelneming de oprenting van de deels door haar schuldig gebleven en contant gemaakte koopsom van haar belastbare winst mocht aftrekken. Het Hof Amsterdam meende dat de oprenting moest worden geactiveerd als kostprijs deelneming. U oordeelde echter dat na verwerving van de deelneming de rente tot de lopende ondernemingskosten hoorde en ten laste van de winst kwam:
V-N1996/3219 [17] moest oordelen over rente ontvangen over de bij een bank in beheer gegeven koopsom voor een eveneens in beheer gegeven deelneming. De belanghebbende had met de koper overeenstemming bereikt over de verkoop van een deelneming, maar de partijen moesten wachten op toestemming van de Italiaanse overheid. Voor de duur van de wachtperiode werden zowel de aandelen als de koopsom in beheer gegeven bij de bank. Na verkregen overheidstoestemming, verkreeg de belanghebbende de koopsom mét rente, die zij beide onder de deelnemingsvrijstelling wilde brengen. Het Hof oordeelde echter dat de rente belast was omdat zij los stond van de waardeontwikkeling van de deelneming. Volgens de redactie van
V-N1996/3219, 1 was wellicht een andere uitkomst mogelijk geweest als de rente de vorm zou hebben gekregen van een opslag voor de waardeaangroei tijdens de wachtperiode:
V-N2014/58.13 [18] moest beslissen of de koper van een deelneming een valutawinst op de schuldig gebleven koopprijs in Amerikaanse dollars onder de deelnemingsvrijstelling kon brengen. De valutawinst was ontstaan tussen de aankoop van de deelneming op 1 december 2006 en de voldoening van de koopprijs medio 2007. De belanghebbende stelde dat het ging om een
earn-outex art. 13(6) Wet Vpb. De Rechtbank oordeelde anders omdat de koopsom niet onzeker was, maar vast stond:
earn-outop de datum van verkoop van de deelneming te worden geschat. Die geschatte prijs was bepalend voor de kostprijs van de deelneming en het verschil tussen die geschatte prijs en de boekwaarde bij de verkoper was het vrijgestelde deelnemingsvoordeel voor de verkoper. Waardeveranderingen van het earn-outrecht of van de earn-outverplichting na de verkoop waren belast dan wel aftrekbaar bij zowel de koper als de verkoper. [19]
BNB1993/180 [20] betrof de vraag of bij de verkoper waardeveranderingen van een
earn-out(een deel van de brutowinsten van de deelneming) voordelen uit hoofde van een deelneming waren. U achtte de uiteindelijke opbrengst slechts vrijgesteld tot aan het bedrag van de ten tijde van de verkoop geschatte waarde van de
earn-outomdat de earn-outvordering geen rechtstreeks verband hield met de waarde van de vervreemde aandelen, zodat die vordering zelfstandig tot winsten en verliezen kon leiden:
earn-outniet te hoog was gewaardeerd.
BNB2001/139 [21] was bij de koper de aftrekbaarheid in geschil van de koopprijs voor een deelneming voor zover afhankelijk van na aankoop te realiseren winsten van de deelneming. U oordeelde dat de waarde van de earn-outverplichting bij het ontstaan ervan gewaardeerd moet worden en dat latere waardeveranderingen van die verplichting belast c.q. aftrekbaar zijn:
earn-out, [22] hetgeen de koper uiterst pessimistisch maakte en de verkoper uiterst optimistisch. Aardema schreef daarover in
FED2000/96 bij het geciteerde arrest HR
BNB2001/139:
Falcons-arrest HR
BNB2003/34 [23] betrof de vraag of ook voor- en nadelen uit opties,
warrantsen conversierechten op/bij aandelen die tot een deelneming behoren, onder de deelnemingsvrijstelling vallen. U oordeelde dat als het belang bij een tot een deelneming behorend aandeel wordt opgesplitst, de deelnemingsvrijstelling bij beide bij die opsplitsing betrokken belanghebbenden toegepast kan worden:
BNB2006/7 [24] (Netwerkorganisatie-arrest) was de aftrekbaarheid in geschil van het bedrag dat de koper van een deelneming aan de verkoper moest betalen als gevolg van het feit dat de koper de deelneming met (grote) winst had doorverkocht aan een derde. Het ging dus om een antispeculatiebeding, vergelijkbaar met het antispeculatiebeding in ons geval, inhoudende dat de koper, als hij de deelneming binnen een bepaalde tijd na verwerving doorverkoopt, de gehele of een temporeel aflopend deel van de daarbij behaalde vermogenswinst moet afstaan aan de (eerste) verkoper. U meende in het geval van de doorverkochte netwerkorganisatie met het Hof Amsterdam dat de eerste verkoper en koper het belang bij de deelneming door het antispeculatiebeding hadden opgesplitst zoals bedoeld in
Falcons(zie 5.12 hierboven), zodat de antispeculatievergoeding voor de oorspronkelijke koper niet aftrekbaar was:
Falcons; PJW], strookt het met de strekking van de deelnemingsvrijstelling om, indien het belang bij een tot een deelneming behorend aandeel wordt opgesplitst, bij beide belanghebbenden bij dat aandeel de deelnemingsvrijstelling toe te passen, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt voor alle voor- en nadelen van dat aandeel.
BNB2006/7) vraagt zich dat af, maar voegt er aan toe dat het vaker gebeurt dat nabetalingen ontvangen door een belastingsubject dat een bepaalde fiscale status heeft verloren, toch nog onder het eerdere fiscale regime worden gebracht.
BNB2010/317, 318 en 319, die de verhouding betreffen tussen uw
Falcons-rechtspraak (gesplitste belangen bij een deelneming; zie HR
BNB2003/34 en HR
BNB2006/7 in 5.12 en 5.13 hierboven) en uw schattingsjurisprudentie over
earn-outsvan vóór 1 januari 2002 (zie 5.8 t/m 5.11 hierboven). Alle drie de arresten betroffen een nabetaling na de verkoop of aankoop van een deelneming; zij gaan alle drie over belastingjaren vóór de invoering van art. 13(6) Wet Vpb. De vraag was of de schattingsrechtspraak niet was achterhaald/ingehaald door de
Falcons-rechtspraak: of verkoop van een deelneming (deels) tegen een
earn-outniet een species is van het genus belangensplitsing. Uit de drie arresten volgt dat er toen, dus vóór de invoering van art. 13(6) Wet Vpb, nog wel debiet was voor uw schattingsrechtspraak, nl. in gevallen waarin de
earn-outniet of onvoldoende afhangt van de winst of de waarde van de deelneming, maar eerder van factoren die daar los van staan. Dat onderscheid (tussen wel of niet overwegend afhangen van winst of waarde van de verkochte deelneming) is door de invoering van art. 13(6) overigens wél achterhaald, nu die bepaling de enkele onzekerheid van de nog te ontvangen betaling(en) voldoende verklaart, ongeacht door welke factoren die onzekerheid wordt bepaald (Van de Streek merkt op dat ook een onzekere prijs afhankelijk van de gemiddelde temperatuur in de Bilt in het jaar na verkoop is vrijgesteld; zie 5.23 hieronder).
BNB2010/317 [26] betrof de vraag of de verkoper een overeengekomen, maar uiteindelijk niet-ontvangen nabetaling voor een verkochte deelneming ten laste van haar winst kon brengen. Anders dan de
earn-outsin uw schattingsrechtspraak (zoals HR
BNB1993/180; zie 5.9 hierboven), achtte u dit recht op de nabetaling, ook reeds vóór de invoering van art. 13(6) Wet Vpb géén recht dat naar zijn aard zelfstandig tot winsten en verliezen kan leiden, zodat de strop onaftrekbaar was. U nam ‘s Hofs kwalificatie ‘earn-out’ niet over en overwoog:
earn-outging, maar in wezen om een ingewikkeld antispeculatiebeding, dat evident zeer nauw verband hield met de waardeontwikkeling van de verkochte deelneming en daarmee onder uw
Falcons-rechtspraak viel.
BNB2010/318 [27] was de strop voor de verkoper wél aftrekbaar omdat het in die zaak wél om een echte
earn-outging, nl. een recht op de winst van de verkochte deelneming in een volgend jaar. Die winst was ten tijde van de verkoop veel hoger geschat dan de werkelijke winst bleek te zijn, zodat een verlies resulteerde dat de verkoper uiteraard wenste af te trekken. Ondanks verzet van de fiscus op basis van uw
Falcons-rechtspraak (de fiscus zag een gesplitst belang; dus geen aftrek), bleef u voor het verleden (van vóór de invoering van art. 13(6) Wet Vpb) bij uw schattingsrechtspraak: deze vordering was, net als in HR
BNB1993/180, een recht dat naar zijn aard zelfstandig resultaten produceert. U bevestigde het oordeel van het Hof Arnhem dat aftrek was toegestaan, en overwoog expliciet dat de schattingsjurisprudentie (vóór 2002) niet was achterhaald door uw
Falcons- en Netwerkorganisatie-arresten:
earn-outhet belang bij de deelneming niet opsplitst, zodat - bij afwezigheid van art. 13(6) Wet Vpb - resultaten op de geschatte earn-outvordering niet via de
Falcons-rechtspraak als afgesplitst belang onder de deelnemingsvrijstelling gebracht kunnen worden. Daarentegen is een antispeculatie-vergoeding, zoals in het Netwerkorganisatie-arrest en in HR
BNB2010/317, zowel voor als na invoering van art. 13(6) Wet Vpb vrijgesteld als voordeel uit een (opgesplitst belang bij een) deelneming.
BNB2010/319 [29] ten slotte, was een nabetaling door de koper weer
nietaftrekbaar omdat zij afhing van de vraag of aan de deelneming (een radiostation) ná de verkoop al dan niet (opnieuw) een bepaalde FM-frequentie zou worden gegund. U merkte die nabetaling aan als een prijsaanpassing en daarmee als (niet-aftrekbare) kostprijs deelneming:
BNB2010/319 (zie 5.17) en zoals die op basis van balansgaranties vielen dus al onder de deelnemingsvrijstelling en vallen sinds 1 januari 2003 expliciet onder de earn-outregeling van art. 13(6) Wet Vpb (zie 4.5 hierboven). Het gaat met name om overeengekomen terugbetalingen bij tegenvallende resultaten of niet realiseerbaar blijkende, bij de verkoop gegeven, balansgaranties. Bouwman en Boer [30] werpen de vraag op of onder prijsaanpassing ook valt een verlies op een vordering uit hoofde van een balansgarantie of andere prijsaanpassing die het gevolg is van insolvabiliteit van de verkoper. Een dergelijk verlies is immers niet zozeer een aanpassing van de prijs voor de deelneming, als wel een los daarvan staande latere financiële verwikkeling bij de koper. Zij menen dat dergelijke verliezen bij de koper niet onder de earn-outregeling vallen en dus aftrekbaar zijn. (Ook) volgens Van de Streek [31] had de wetgever met de earn-outregeling niet het oog op waardeveranderingen van een earn-outvordering door los van de deelneming staande gebeurtenissen na de verkoop van de deelneming, zoals gewijzigde solvabiliteit van de debiteur.
BNB2018/151 (zie 5.24 hieronder) dat het om een niet-aftrekbare aanpassing van de prijs ging in de zin van art. 13(6) Wet Vpb:
overeengekomenaanpassing op grond van een balansgarantie, die hoe dan ook – ook vóór 2002 – al onder de deelnemingsvrijstelling viel en sinds 2003 (ook) onder art. 13(6) Wet Vpb.
earn-outsdoor kopers en verkopers van deelnemingen bewerkstelligen om uitzichtloze waarderingsdiscussies te voorkomen. Hij heeft dat per 1 januari 2002 gedaan door de waardeontwikkelingen van zowel het earn-outrecht als de earn-outverplichting onder de deelnemingsvrijstelling te brengen.
BNB2013/93 [33] was het eerste arrest over die bepaling. In geschil was of bij de koper de oprenting van haar contant gemaakte jaarlijkse nabetalingsverplichting aftrekbaar was. Er was bovendien een vast minimumtotaalbedrag afgesproken, wat de vraag deed rijzen of het totale beloop van de termijnen wel ‘onzeker’ was. U overwoog dat de wetgever beoogde de ”waardeontwikkeling van het als tegenprestatie verkregen winstrecht onder de deelnemingsvrijstelling te brengen” en dat dit ook geldt voor waardeverandering door valutakoersschommeling of oprenting van contant gemaakte termijnen. U bevestigde verder het oordeel van het Hof Arnhem dat ook een regeling met een vast minimumbedrag onder de earn-outregeling valt, nu onzeker is wanneer dat bedrag wordt betaald en de totale prijs ook hoger kan uitvallen dan het minimumbedrag. U achtte dat ook het geval als dat vaste minimumbedrag zou zijn bepaald met inachtneming van een rentecomponent:
bronen geen zelfstandige (belaste) voordelen
getrokken uitdie bron; zij zijn
vruchten(vgl. art. 3:9(2) en (4) BW: “Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens verkeersopvatting als vruchten van goederen worden aangemerkt. (….). 4. Een (…) burgerlijke vrucht [wordt] een zelfstandig recht door haar opeisbaar worden”)).
BNB2013/93 doet het voor de toepassing van art. 13(6) Wet Vpb dus niet ter zake hoe de ‘prijs’ is bepaald, noch uit welke (soort) componenten hij bestaat; beslissend is uitsluitend of een bepaald voor- of nadeel als onderdeel van de (nader, eventueel na prijsaanpassing)
overeengekomen tegenprestatie(de ‘prijs’) beschouwd moet worden. Dat geldt ook voor een bedrag dat uit renteberekening bestaat, bijvoorbeeld begrepen in een overeengekomen minimumprijs. Niekel [34] signaleert dat, doordat daardoor ook renteachtige voordelen onbelast onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden genoten, de regeling verder gaat dan zijn doel (beëindiging van waarderingsdiscussies). Lubbers (noot in
BNB2013/93) vindt dat een onbevredigende uitkomst, maar ziet in de wettekst en de parlementaire geschiedenis geen basis om een earn-outclausule zoals in HR
BNB2013/93 te splitsen in een ‘zeker’ en een ‘onzeker’ deel, zodat het niet aan de belastingrechter is om deze uitkomst te corrigeren. Ik merk op dat de regeling wél aan het doel van fiscale symmetrie beantwoordt: een rente-achtig element in de prijs is evenmin aftrekbaar bij de koper. De redactie van
FutD2013-0376 signaleert dat de wettekst niet uitsluit dat waardeveranderingen onder de deelnemingsvrijstelling vallen die hun oorzaak niet vinden in winst of verlies van de deelneming. Ook Van de Streek [35] concludeert dat de partijen nabetalingen afhankelijk kunnen maken van gebeurtenissen die niets met de deelneming van doen hebben, zoals de gemiddelde temperatuur in de Bilt in het jaar na de verkoop van de deelneming. Wolvers (
FED2013/52) merkt op dat, nu de earn-outregeling opvallend ruim is omdat zij geen eisen stelt aan de oorzaak van het niet vaststaan van aantal of omvang van de termijnen, een renteloos schuldig gebleven koopsom onder art. 13(6) Wet Vpb valt als geen aflossings-schema is overeengekomen:
V-N2013/9.13 becommentarieerde HR
BNB2013/93 als volgt:
BNB2018/151 [39] betrof een verkoper van een deelneming die haar vordering op de twee kopers kwijtschold onder de voorwaarde dat zij de koopsom rentedragend schuldig erkenden en de resulterende lening gedurende negen jaar zouden aflossen uit winstuitkeringen door de deelneming (tot een bepaald maximum), waarna een eventueel nog resterende schuld zou worden kwijtgescholden. De verkoper wilde de door haar na negen jaar kwijtgescholden resterende saldi van haar vorderingen op de kopers en van de door hen nog niet-voldane vaste rente van 5% aftrekbaar afschrijven. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter dat tussen de bedongen koopsom, de kwijtschelding daarvan en de vordering uit schuldigerkenning “een zodanige samenhang bestaat, dat zij in economische zin als één geheel moeten worden beschouwd,” zodat de resterende saldi onaftrekbaar onder art. 13(6) Wet Vpb vielen. Hij gebruikte daar een soort fiscale kwalificatie voor, door de twee overeenkomsten (verkoop en lening) in elkaar te schuiven. U achtte dat echter niet nodig: u omschreef de term ‘prijs’ in art. 13(6) Wet Vpb als “hetgeen de vervreemder bij de vervreemding van de deelneming als tegenprestatie verkrijgt” en oordeelde dat in ‘s Hof overweging over ‘onverbrekelijke samenhang’ besloten lag dat belanghebbendes vorderingen uit schuldigerkenningen (rechtstreeks) de tegenprestaties waren geweest bij de vervreemding van haar deelneming. Het Hof had dus terecht de afwaardering op de vorderingen onaftrekbaar geacht onder art. 13(6) Wet Vpb:
Belastingadvies2018/16-17.7) stellen, vermoedelijk op basis van HR
BNB2013/93, dat de oprenting van een contant gemaakte earn-outvordering is vrijgesteld en vragen zich naar aanleiding van HR
BNB2018/151 af of dan ook overeengekomen rente op schuldig gebleven earn-outbetalingen is vrijgesteld:
BNB2018/151 op dat de belanghebbende ook de afschrijving van de niet-voldane rente van 5% niet ten laste van haar winst mocht brengen, maar ook dat het wél ontvangen deel van die rente vrijgesteld was, dus dat het antwoord op de vraag van Cohen en Kortekaas bevestigend luidt, althans voor zover dergelijke rente onderdeel is van de overeengekomen tegenprestatie voor de verwerving van de deelneming. Kennelijk gingen beide partijen in die procedure daarvan uit en ik zie ook niet in waarom niet: als iemand iets op afbetaling koopt en daarom ook rente moet betalen, is die rente toch ook onderdeel van de prijs die hij moet betalen voor het gekochte?
V-N2018/35.12 vroeg zich af of voor uw oordeel relevant was dat de earn-outvordering afhankelijk was van de resultaten van de verkochte deelneming:
earn-outbij zowel de koper als de verkoper) wetstechnisch en teleologisch even verdedigbaar was (zie de (bijlage bij de) conclusies voor HR
BNB2010/317 en 318) en gegeven het onpraktische gevolg van die rechtspraak (discussies met de fiscus en fiscale incoherentie), lijkt die rechtspraak achteraf bezien geen gelukkige greep. De wetgever heeft, om van die gevolgen af te zijn, in art. 13(6) Wet Vpb een ruimer bereik aan de deelnemingsvrijstelling gegeven dan volgens uw rechtspraak tot dan toe (zoals HR
BNB1985/200 (5.1 hierboven) en uw schattingsjurisprudentie (5.8 t/m 5.11 hierboven)) voortvloeide uit de term ‘uit hoofde van een deelneming’. Art. 13(6) Wet Vpb heeft dan ook een eigen ratio: voorkoming van waarderingsdiscussie, door symmetrische defiscalisering van zowel earn-outrecht en earn-outverplichting, dat wil dus zeggen: door afschaffing van de schattingsrechtspraak. Doordat het verloop van zowel het recht als de verplichting is vrijgesteld en het gezamenlijke fiscale effect bij koper en verkoper dus in beginsel nihil is, kon het de wetgever kennelijk niet zoveel schelen dat zijn earn-outregeling ‘opvallend ruim’ uitviel (zie Wolvers in 5.23 hierboven), waardoor ook onzekerheden die niets met de winst van de deelneming te maken hebben er onder vallen. Dat zo zijnde, zie ik niet waarom rente – zelfs als zodanig benoemde – over de in omvang of aantal onzekere termijnen van de afbetaling er niet onder zou vallen. Mijns inziens terecht kon het u in de boven (5.21) geciteerde zaak HR
BNB2013/93 dan ook niet schelen of er mogelijk een rentecomponent in de overeengekomen minimumprijs zat. Als die component maar onderdeel is van de tegenprestatie voor de levering van de deelneming.
6.Literatuur
FED2013/52; zie 5.23 hierboven). Ik betwijfel echter of een prijs die vaststaat en een prijs die onzeker is economisch steeds vergelijkbaar zijn. Bovendien hebben de koper en de verkoper het volledig in eigen hand of zij een vaste prijs of een onzekere prijs overeenkomen en dus of overeengekomen rente op de overeengekomen termijnen al dan niet bij beiden onder de vrijstelling valt.
belangbij de onzekere factor?). Bij een vaste koopsom in vreemde valuta is kwalitatief geen sprake van wezenlijke onzekerheid omdat de onzekerheid over de valuta “niet de rechtsverhouding tussen koper en verkoper als zodanig (raakt), maar (..) louter een nadere regeling (vormt) van de betalingsverplichting van de koper.”
NTFR-B2013/15) [41] merkte naar aanleiding van HR
BNB2013/93 (zie 5.21 hierboven) op dat de wetgever met de earn-outbepaling ook waardeverschillen onder de deelnemingsvrijstelling heeft gebracht die daar volgens uw (schattings)rechtspraak niet thuishoren. Hij noemt vier oorzaken van uiteenlopen van de geschatte en de werkelijke verkoopopbrengst van een deelneming: gerealiseerd debiteurenrisico, valutaresultaat, oprenting van de contante waarde van de
earn-out, en aanpassing van de waardering van de deelneming. De eerste drie gevallen zouden zijns inziens belast moeten worden afgewikkeld omdat hun oorsprong niet in waardeverandering van de deelneming ligt, maar een andere oorzaak heeft: betalingsonmacht, valutaverschillen of oprenting. Met Niekel stelt hij dat, gegeven het doel van art. 13(6) Wet Vpb, er geen resultaten onder zouden moeten vallen die niet tot schattingsverschillen tussen koper en verkoper zouden kunnen leiden. Vrijstelling van oprenting acht hij in strijd met de ratio van de deelnemingsvrijstelling, die alleen economische dubbele belasting van dezelfde winst wil voorkomen. De volloop van een earn-outvordering is niet ook al bij de deelneming in de heffing betrokken. Uit de parlementaire geschiedenis (zie 4.3 hierboven) blijkt echter expliciet dat ook het oprentingsvoordeel onder art. 13(6) Wet Vpb valt, zodat de earn-outregeling een ruimere ratio heeft dan de deelnemingsvrijstelling. Bruins Slot merkt op dat uit HR
BNB1980/46 (zie 5.5 hierboven) volgt dat een schuld op grond van goedkoopmansgebruik op contante waarde
magworden gewaardeerd, maar uit HR
BNB2001/85 [42] volgt dat als het verschil tussen nominale en contante waarde het realiteitsbeginsel geweld aandoet, de schuld op contante waarde
moetworden gewaardeerd. Er zijn dus gevallen waarin een koper en verkoper wel bevoegd, maar niet verplicht zijn om een vordering of schuld tegen contante waarde te waarderen. Vrijstelling van waardeverandering van een deelneming, bijvoorbeeld als gevolg van latere resultaten, strookt volgens Bruins Slot wél met de ratio van de deelnemingsvrijstelling. Hij vergelijkt zulke waardeverandering met de
Falconsuit uw gelijknamige arrest (zie 5.12 hierboven), dus met een afgesplitst belang:
BNB2010/317, 318 en 319 bleek echter dat uw schattingsrechtspraak niet achterhaald was met uw
Falcons- en Netwerkorganisatie-arresten. Bruins Slot’s betoog is dan ook in wezen een pleidooi voor de andere keuze die u in HR
BNB1993/180 (zie 5.9 hierboven) niet maakte en die u in HR
BNB2010/317, 318 en 319 ook niet alsnog maakte voor de nog resterende belastingjaren vóór de invoering van art. 13(6) Wet Vpb.
WFR2006/43) [43] waren het met Bruins Slot eens. Gegeven dat u in HR
BNB2006/7 (Netwerkorganisatie; zie 5.13 hierboven) een gesplitst belang bij de deelneming aannam, achtten zij verdedigbaar dat elke opbrengst uit een deelnemings-aandeel rechtstreeks, dus zonder toepassing van art. 13(6) Wet Vpb, onder de vrijstelling valt, “ongeacht of zij haar oorsprong vindt in dat recht zelf of daarvan een afgeleide is.” Hiemstra (
WFR2010/804) daarentegen [44] achtte het verloop van een
earn-outzoals bedoeld in art. 13(6) Wet Vpb niet een (alsnog) bij wet aangewezen gesplitst belang bij de verkochte deelneming, maar een voordeel dat pas op 1 januari 2002 expliciet bij wet als ‘uit hoofde van een deelneming’ is aangewezen, en daarmee vergelijkbaar met de door de meesleepregeling in art. 13(4) Wet Vpb aangewezen winstbewijzen en deelnemerschapsleningen. Ik meen dat de in onderdeel 5.15 t/m 5.17 geciteerde drie arresten HR
BNB2010/317, 318 en 319 hem gelijk geven.
BNB2013/93 (zie 5.21 hierboven) dat, nu een
earn-outzich over een zeker tijdverloop uitstrekt, doorgaans ook een rente-element in de betalingen zal zitten dat het(vrijgestelde) regime van de betalingen volgt. Belaste afwikkeling van een oprentingslast of -bate is zijns inziens pas geboden vanaf het moment waarop de totale omvang van de
earn-outvaststaat. Hij wijst daarbij op de uitspraak van de rechtbank in onze zaak:
BNB2013/93; PJW] de deur op slot zit om een oprentingslast (bij de koper) of oprentingsbate (bij de verkoper) in verband met een earn-outverplichting respectievelijk earn-outrecht in de belaste sfeer af te wikkelen. Naar onze mening ligt een afwikkeling in de belaste sfeer van de oprentingen voor de hand vanaf het moment dat de omvang van een earn-outverplichting/vordering vaststaat. Er is dan in wezen sprake van een sfeerovergang van de vrijgestelde sfeer naar de belaste sfeer. Wij illustreren onze opvatting aan de hand van een eenvoudig voorbeeld, waarin wij ons gemakshalve concentreren op de verkopende partij.
Rb. Zeeland-West-Brabant 25 mei 2018, nr. BRE-17/500-501,ECLI:NL:RBZWB:2018:3718
,V-N 2019/6.2.1. In deze zaak wenste de belastingplichtige een als wettelijke rente ontvangen bedrag onder de deelnemingsvrijstelling te brengen op de voet van art. 13 lid Pro 6. De rechtbank was echter van oordeel dat het rentebedrag het karakter had van een vergoeding voor een te late betaling van de earn-outvordering en geen onderdeel uitmaakte van de tegenprestatie van de geleverde aandelen.
HR 8 februari 2013, nr. 12/03657,BNB 2013/93 (noot A.O. Lubbers) — niet mogelijk. Wij lezen
[HR BNB 2013/93]zo dat de Hoge Raad vindt dat een renteopslag in de earn-outberekening deel uitmaakt van de vaststelling van de omvang van de earn-outvordering. Het verschil tussen de geschatte earn-outvordering en de vastgestelde earn-outvordering valt onder de deelnemingsvrijstelling. Wij lezen bovendien in [
HR BNB 2013/93]dat de Hoge Raad een slag om de arm houdt of überhaupt gesproken kan worden over ‘rente’ zolang de omvang van de earn-outvordering niet vaststaat. In r.o. 3.3.1 overweegt de Hoge Raad namelijk:
zou kunnen(cursivering, auteurs) worden aangemerkt, de deelnemingsvrijstelling van toepassing is.’”
7.Belanghebbendes geval; beoordeling van het cassatieberoep
nietinbaar zouden zijn gebleken wegens insolventie van de koper die los stond van de winst of de waarde van de deelneming. Zoals boven bleek, vraagt de literatuur zich af of ook een dergelijke strop - puur in hoedanigheid van crediteur - onaftrekbaar zou zijn.
overeengekomenonzekerheid over het aantal of het beloop van de overeengekomen earn-outtermijnen. Het procesrisico in geval van een (gestelde) contractbreuk is immers niet een als tegenprestatie voor de deelneming overeengekomen onzekerheid en dus geen onderdeel van de ‘prijs’ voor de deelneming in de zin van art. 13(6) Wet Vpb.
overeenkomenom de tegenprestatie te laten bepalen door een derde, bijvoorbeeld door drie deskundigen of door
the Hague commercial court, dan lijkt mij dat wat die derden uiteindelijk beslissen, overeengekomen is als tegenprestatie voor de deelneming en daarmee de ‘prijs’ is, ook als daar rente-elementen in zitten over de periode
tot aande datum van hun vaststelling van de prijs (zie HR
BNB2013/93 in 5.21 hierboven).
BNB2018/151 (zie 5.24 hierboven) volgt dat het erom gaat of een recht c.q. verplichting al dan niet onderdeel is van “hetgeen de vervreemder bij de vervreemding van de deelneming als tegenprestatie verkrijgt.” Terecht is niet in geschil dat zowel de earn-out 2007 als de antispeculatievergoeding vrijgesteld zijn, de
earn-outonder art. 13(6) Wet Vpb en de antispeculatievergoeding als vergoeding voor een afgesplitst belang in de zin van uw
Falcons-rechtspraak (zie 5.12 en 5.13 hierboven). Contractueel was bij eventuele overeen te komen betaling in termijnen (dus ná opeisbaar worden van een
vasteprijs, die dus niet onder de earn-outregeling zou vallen) een rentepercentage voorzien. De burgerlijke rechter heeft dat percentage gebruikt voor de moratoire interest over de te late betaling van de earn-out 2007. Ter zake van een eventuele antispeculatievergoeding was contractueel uiteraard geen interest voorzien, nu zo’n vergoeding, indien belopen, niet in termijnen betaald zou mogen worden, maar ineens en binnen twee weken betaald zou moeten worden. Ter zake van de te late betaling daarvan werd dus wettelijke interest verschuldigd.
earn-outdie eerst nog verdiend moet worden, en (ii) oprenting van een contant gemaakte schatting van een nog niet verschuldigde onzekere toekomstige
earn-outdie nog verdiend moet worden. Die renten (i) en (ii) zijn wél onderdeel van de ‘prijs’ bedoeld in art. 13(6) Wet Vpb, waarvoor dus de regel van HR
BNB2013/93 geldt (zie 5.21 hierboven) dat niet ter zake doet hoe zij geduid worden – als ‘rente’ of anderszins – als zij maar onderdeel van de overeengekomen tegenprestatie zijn. De in de literatuur (zie onderdeel 6 hierboven) opgeworpen vraag of ook ‘gewone’ rente op nog te betalen onzekere earn-outtermijnen onder de vrijstelling kan vallen, beantwoord ik dus bevestigend. Zoals bleek, meen ik met Van de Streek dat overeengekomen rente over (resterende) onzekere earn-outtermijnen net als die onzekere termijnen zelf onderdeel is van de tegenprestatie. De wetgever heeft dergelijke rente mét uw schattingsrechtspraak, overgeheveld van belast naar vrijgesteld, zowel voor de verkoper als voor de koper. Men kan dergelijke als onderdeel van de tegenprestatie overeengekomen onzekere rente (die dus loopt vóórdat de
earn-outvast komt te staan en opeisbaar wordt en daarmee dus net zo onzeker is als de
earn-outzelf) desgewenst ook zien als een voortdurend lopende onzekere aanpassing van een nog onzekere prijs, die dus onder de vrijstelling valt.
nadatde doorverkoop had plaatsgevonden die het antispeculatiebeding activeerde en die een op 16 januari 2008 opeisbare niet meer onzekere vordering creëerde, en is dus evenmin onderdeel van de overeengekomen tegenprestatie. Wettelijke rente wegens te late betaling van de antispeculatievergoeding ná opeisbaar worden daarvan is niet overeengekomen, nu te laat betalen per definitie niet is afgesproken, en contractuele rente die door de rechter ook wordt gebruikt in het geval van wanprestatie van de koper ná opeisbaar worden, is evenmin overeengekomen als tegenprestatie, want ook wanprestatie is per definitie niet overeengekomen als tegenprestatie.
earn-out. Oprenting en pre-onzekerheidsbeëindigingsrente zien op de periode
tot aanhet vast komen te staan van de verschuldigdheid en de opeisbaarheid van de earn-outvergoeding (in casu
tot2008) en heeft hoegenaamd niets te maken met enig verzuim van de debiteur (de koper), maar strookt juist met hetgeen met de koper is afgesproken, nl. onzekere nominale bedragen in de toekomst. De litigieuze rente daarentegen ziet op de periode ná beëindiging van de onzekerheid bedoeld in art. 13(6) Wet Vpb, dus na opeisbaar worden in januari resp. juli 2008, dus op de periode van
verzuimvan de koper. De Staatssecretaris merkt terecht op dat als de overeenkomst was uitgevoerd zonder onenigheid, de rente over de te laat betaalde earn-out 2007 niet verschuldigd zou zijn geworden, waaruit eveneens volgt dat zij geen onderdeel is van de overeengekomen tegenprestatie.
earn-outis, maar een vergoeding voor een afgesplitst belang in de zin van de
Falcons-rechtspraak. U zie het Netwerkorganisatie-arrest
BNB2010/317 in 5.15 hierboven, waaruit het onderscheid min of meer expliciet blijkt. Voor rente wegens te late betaling van die - meteen bij doorverkoop vast staande - vergoeding is art. 13(6) Wet Vpb volgens mij dus helemaal niet relevant. Dergelijke rente is evenmin zelf een afgesplitst belang, noch onderdeel van het door het antispeculatiebeding afgesplitste belang bij de verkochte deelneming.
BNB2017/11 in 5.2 hierboven), nu er immers wél is afgenomen en geleverd, zij het dat één van beide partijen (de koper) op twee punten toerekenbaar tekort bleek te schieten in de nakoming van de reeds lang perfecte verkoop overeenkomst. Hetgeen die partij alsnog moest betalen was deels de overeengekomen tegenprestatie (de earn-out 2007 en de antispeculatievergoeding, die tevens vergoeding voor een afgesplitst belang was) en deels moratoire interest wegens het onrechtmatige gemis van die veel te laat betaalde twee tegenprestaties.
BNB2013/93 (zie 5.21) inderdaad gelezen mag worden dat ook expliciete contractuele renteberekening over overeengekomen maar nog onzekere toekomstige earn-outtermijnen die nog verdiend moeten worden, bij zowel de koper als de verkoper onder de deelnemingsvrijstelling vallen; en wellicht ook voor explicitering dat de antispeculatievergoeding niet onder art. 13(6) Wet Vpb valt omdat zij als voordeel uit hoofde van een (afgesplitst belang bij een) deelneming al rechtstreeks onder art. 13(1) Wet Vpb. valt (of onder beide bepalingen valt).