De zaak betreft een cassatieberoep tegen een ontnemingsmaatregel opgelegd na veroordeling wegens medeplegen van de verkoop van grote hoeveelheden hennep, deelneming aan een criminele organisatie, witwassen en wapenbezit.
De betrokkene werd vrijgesproken van negentien transacties, maar het hof stelde vast dat tien transacties bewezen waren en baseerde de ontneming op een uitgebreide kasopstelling volgens artikel 36e, derde lid (oud) Sr. De verdediging voerde aan dat het ontnemen van voordeel uit vrijgesproken transacties in strijd is met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in het Geeringsarrest van het EHRM.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onterecht of onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de ontneming kan plaatsvinden op basis van de abstracte berekeningsmethode, waarbij niet hoeft te worden geconcretiseerd welke andere strafbare feiten het voordeel hebben veroorzaakt. De ontneming betreft niet rechtstreeks de vrijgesproken feiten, waardoor geen strijd is met de onschuldpresumptie.
Het cassatieberoep faalde en de ontnemingsmaatregel werd bevestigd. De betrokkene werd verplicht tot betaling van €223.919,00 aan de Staat, gebaseerd op een geschat wederrechtelijk voordeel van €228.919,00.