Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
perpetual securities(voluit:
fixed-to-floating rate perpetual capital securities). De fiscus meent dat hun uitgifte civielrechtelijk geen geldlening is, maar de belanghebbende eigen vermogen heeft opgeleverd, zodat de rentekosten niet aftrekbaar zijn. Gaat het civielrechtelijk wél om een geldlening, dan stelt hij subsidiair dat het belastingrecht af moet wijken van het civiele omdat de
perpetualseen deelnemerschapslening ex art. 10(1)(d) Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) opleveren, zodat ook dan de rentekosten niet in aftrek komen.
perpetualshebben geen
fixed maturity date(geen bepaalde aflossingsdatum). In bepaalde situaties is aflossing (
redemption) mogelijk, maar niet verplicht en daarmee overgelaten aan belanghebbendes discretie. De belanghebbende kan betaling van de jaarlijks vervallende rente uitstellen zonder daardoor verplicht te worden de hoofdsom af te lossen of zekerheid te stellen, maar die renteschuld draagt op zijn beurt wel weer rente. Hoofdsom en achterstallige rente zijn wel direct opeisbaar bij faillissement van de belanghebbende of ontbinding en vereffening (
winding-up) van haar vermogen, met dien verstande dat de
perpetual-houders alsdan in rang gelijk staan (
pari passu ranking) met eventuele preferente aandeelhouders. De belanghebbende heeft geen preferente aandelen uitgegeven.
perpetualsaangemerkt als een overeenkomst van altijddurende rente ex art. 1807 boek Pro 7A Burgerlijk Wetboek (BW). Op basis daarvan heeft zij een terugbetalingsplicht geconstateerd en de
perpetualsals een bijzondere vorm van geld-lening aangemerkt. Nu de rente niet van de winst afhangt, heeft zij de
perpetualsfiscaal-rechtelijk niet als deelnemerschapslening aangemerkt. Zij achtte de rente daarom aftrekbaar.
perpetualscivielrechtelijk als geldlening – een bijzondere overeenkomst van verbruikleen – gekwalificeerd en niet als eigen vermogen. Uit HR
BNB2007/104 (
[C]-boringen) heeft hij afgeleid dat als civielrechtelijk een terugbetalingsplicht bestaat en niet volstrekt onaannemelijk is dat terugbetaald zal (kunnen) worden, het ook fiscaalrechtelijk om een lening gaat. Nu in casu een terugbetalingsplicht bestaat, zag ook het Hof de uitgifte van de
perpetualsals een bijzondere vorm van geldlening tegen rente, nl. een overeenkomst van altijddurende rente ex art. 7A:1807 BW. Voor fiscaalrechtelijke afwijking van het civiele recht zag het Hof geen grond. Gelet op HR
BNB2018/60 moet deelnemerschap en dus ook winstafhankelijkheid van rentebetaling beoordeeld worden op basis van juridische criteria. Het Hof achtte de op de
perpetualsverschuldigde vergoeding overigens formeel noch materieel winstafhankelijk.
perpetual-vermogen bij faillissement aansprakelijk acht voor de schulden van de vennootschap en (ii) door de
pari passubepaling een daadwerkelijke terugbetalingsplicht ontbreekt, en (b) zo er civielrechtelijk al een geldlening zou zijn, deze als deelnemerschaps-lening moet worden aangemerkt omdat zij een onbeperkte looptijd heeft en volledig is achtergesteld bij alle concurrente crediteuren en de rente door de
pari passubepaling contractueel winstafhankelijk is.
pari passubepaling op voorhand hun recht op terugbetaling zouden hebben prijsgegeven. Dat een geldverstrekker de hoofdsom alleen in bepaalde bijzondere omstandigheden kan opeisen omdat hij zich verbonden heeft dat overigens niet te doen, wil niet zeggen dat de geldnemer geen terugbetalingsplicht (schuld) heeft; het wil slechts zeggen dat het (buiten de situaties waarin wel degelijk terugbetaling geëist kan worden) om een natuurlijke verbintenis gaat: een vorderingsrecht waaraan alleen de rechtsvordering ontbreekt.
Alshet in casu om een altijddurende rente gaat, is de belanghebbende dus wel degelijk verbonden de hoofdsom terug te betalen en heeft het Hof correct geoordeeld dat een terugbetalingsplicht bestaat. De precieze civielrechtelijke kwalificatie van de schuld
causa(geldlening, gevestigde rente, verbruikleen, of enige andere verbintenis uit de wet of uit overeenkomst) acht ik overigens fiscaalrechtelijk niet relevant, als civielrechtelijk maar een – al dan niet afdwingbare, al dan niet voorwaardelijke – schuld vaststaat ter zake van zowel hoofdsom als eventueel uitgestelde rente, waarvan betaling niet volstrekt onaannemelijk is. Dat een terugbetalingsplicht voorwaardelijk is en terugbetaling onzeker, neemt de terugbetalingsplicht niet weg en sluit dus niet uit dat de geldverstrekking fiscaalrechtelijk vreemd vermogen is (HR
JOR2016/354 en
[C]).
terms and conditionsvan de
perpetualslijkt mij niet onbegrijpelijk, gegeven dat een hoge rentevoet tot aflossing kan urgeren en de
perpetualsdaadwerkelijk geheel zijn afgelost. Dit feitelijke oordeel lijkt mij daarmee in cassatie onaantastbaar. ‘s Hofs rechtskundige oordeel over de volgorde bij faillissement lijkt mij juist. Ik zie niet hoe de curator in een faillissement van de belanghebbende de alsdan direct opeisbare vorderingen van de
perpetuals-houders met vrucht zou kunnen betwisten; hij zou wel – als de vereffening van het vennootschapsvermogen zover zou komen – bij het opstellen van de uitdelingslijst rekening moeten houden met hun achterstelling. Middelonderdeel (a) lijkt mij daarmee ongegrond.
perpetualszijn achtergesteld bij alle concurrente vorderingen. De belanghebbende heeft gesteld dat zij materieel een vaste looptijd hebben, maar in ’s Hofs oordeel ligt mijns inziens de niet-onbegrijpelijke uitleg besloten dat zij civielrechtelijk geen vaste looptijd hebben; dat het in de praktijk mogelijk anders is (gebleken), is niet van belang; het gaat om de civielrechtelijke voorwaarden, tenzij daaraan zelfstandige betekenis moet worden ontzegd (HR
BNB2018/60).
perpetual-houders afhankelijk is van belanghebbendes winst. De belanghebbende kan rentebetaling opschorten zonder verplicht te worden de hoofdsom af te lossen of zekerheid te stellen. Door de combinatie met de
pari passubepaling ontstaat dan volgens de Staatssecretaris een situatie waarin de vergoeding alleen betaald wordt als preferente aandeelhouders dividend uitgekeerd krijgen, zodat in zoverre de vergoeding ‘in potentie’ geheel winstafhankelijk is. Ook deze stelling lijkt mij rechtskundig en feitelijk onjuist. De opschortingsbevoegdheid maakt rentebetaling niet afhankelijk van de jaarwinst of van vrije winstreserves; zij maakt slechts de
timingvan betaling
wilsafhankelijk. De
pari passubepaling bepaalt slechts een (achtergestelde) schuldeisersrang bij faillissement of ontbinding. Uit HR
BNB1999/176 volgt dat rentebetaling niet winst-afhankelijk wordt door de mogelijkheid tot opschorting, noch door koppeling aan declaratie van dividend. Uit HR
BNB2018/60 volgt dat aan de criteria voor een deelnemerschapslening niet economisch wordt getoetst, maar – in verband met de gewenste rechtszekerheid – op basis van hetgeen civielrechtelijk is overeengekomen, tenzij daaraan geen zelfstandige betekenis toekomt. Het Hof heeft met name op basis van het prospectus geoordeeld dat de rente formeel noch materieel afhankelijk is van de winstgevendheid van de belanghebbende.
perpetual-houders af te lossen én de – niet bestaande – preferente aandeelhouders hun – hypothetisch – gestorte kapitaal terug te geven), maakt de rente niet afhankelijk van belanghebbendes winst in de jaren waarin die combinatie van ontbindingsbesluit, pref-uitgifte en vereffeningstekort niet viel te verwachten. Uiteindelijk is alles winstafhankelijk, ook het loon van de werknemers. Relevant lijkt mij of de
perpetual-houders met hun geldverstrekking een mede-eigenaarachtig ondernemersrisico lopen en medewinstgerechtigd zijn. ’s Hofs uitleg van de overeenkomst en zijn waardering van de feiten houden in dat dat niet het geval is. Dat oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
perpetual securitiesuitgegeven aan het publiek. De
perpetualszijn genoteerd aan de Amsterdamse beurs Euronext.
International Financial Reporting Standards(IFRS) kunnen
perpetualsals eigen vermogen worden beschouwd. Ook
rating agencieskunnen
perpetualsgeheel of gedeeltelijk tot het eigen vermogen rekenen.
perpetualsbevat voorwaarden die het Hof heeft geciteerd. Ik herhaal die citaten hier niet, maar verwijs hieronder waar nodig naar de citaten in de Hofuitspraak. Ik citeer wel de onderdelen die de Staatssecretaris in zijn beroepschrift heeft opgenomen. Dat zijn de volgende:
2. STATUS AND SUBORDINATION
Status and Subordination) is an irrevocable stipulation (
derdenbeding) for the benefit of the creditors referred to in paragraph (iii) of Condition 3 (
Winding-up) and each such creditor may rely on and enforce this Condition 2 (
Status and Subordination) under Section 6:253 of the Dutch Civil Code.
Status
Subordination
Winding-up), save for such obligations as may be preferred by provisions of law that are both mandatory and of general application.
3.WINDING-UP
Winding-up) have been reimbursed or paid in full and the Holders irrevocably waive their right to be treated equally with all such creditors of the Issuer in such circumstances.
9.ENFORCEMENT EVENTS
Enforcement Event”) occurs:
Non-payment
Winding-up
Non-payment), the Holder of such Security may, at its discretion and, subject to any applicable laws, without further notice, institute proceedings for the Winding-up of the Issuer in The Netherlands (but not elsewhere) and/or prove in any Winding-up of the Issuer, but may take no other action in respect of such default and, in the case of paragraph (b) (
Winding-
up), the Securities will immediately become due and repayable at their principal amount together with accrued interest and any Arrears of Interest and/or prove in the Winding-up of the Issuer, subject always to the ranking provided in Condition 2 (
Status and Subordination).
pari passu ranking) is opgenomen in verband met de destijds door kredietbeoordelaars gebruikte criteria om een geldverstrekking voor financieringsdoeleinden (deels) als eigen vermogen aan te merken.
[B]belanghebbendes
long term credit ratingopgewaardeerd, hetgeen voor de belanghebbende aanleiding was om
condition6(e) van de
terms and conditionsin te roepen en de
perpetualsop 21 november 2013 af te lossen. [3]
perpetuals:
perpetuals
perpetuals
swap
perpetuals
BNB1988/217 [5] (zie 5.5 hieronder) als volgt overwegende:
[C]-arrest; zie 5.8 hieronder; PJW]). Bovendien ontstaat er in het onderhavige geval niet alleen een terugbetalingsverplichting ingeval van faillissement, maar ook ingeval van ontbinding en vereffening.”
perpetual-houders aan de belanghebbende civielrechtelijk als kapitaal (eigen vermogen) of als schuld moet worden aangemerkt. Ook het Hof heeft daartoe eerst onderzocht of de
perpetualscivielrechtelijk zijn aan te merken als een overeenkomst van geldlening, die volgens het Hof een bijzondere overeenkomst van verbruikleen is. Uit het
[C]-arrest HR
BNB2007/104 [7] (zie 5.8 hierna) heeft hij afgeleid dat als civielrechtelijk een terugbetalingsverplichting bestaat waarvan feitelijk niet volstrekt onaannemelijk is dat zij nagekomen zal (kunnen) worden, de fiscaalrechtelijke kwalificatie in beginsel niet afwijkt van de civielrechtelijke kwalificatie ‘lening’. Met de Rechtbank ziet ook het Hof de
perpetualsals een overeenkomst van altijddurende rente ex art. 7A:1807 BW en daarmee als vreemd vermogen:
BNB1998/208 (zie 5.6 hieronder). Uit HR
BNB2018/60 (zie 5.11 hierna) volgt dat dit wordt beoordeeld op basis van formele criteria, zij het dat wel wordt voorbijgegaan aan bedingen in de leningsovereenkomst waaraan zelfstandige betekenis moet worden ontzegd. Het Hof acht de rentevergoeding op de
perpetualsformeel noch materieel afhankelijk van belanghebbendes winst:
3.Het geding in cassatie
perpetual-vermogen bij faillissement aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap en (ii) door de
pari passubepaling een daadwerkelijke terugbetalingsplicht ontbreekt, en (b) zo er civielrechtelijk al een geldlening zou zijn, het om een deelnemerschapslening gaat omdat zij een onbeperkte looptijd heeft en volledig is achtergesteld bij alle concurrente crediteuren en de rente door de
pari passubepaling contractueel winstafhankelijk is.
Condition9(i)(b) (zie 2.3 hiervoor) verplicht de belanghebbende weliswaar bij faillissement of ontbinding tot (terug)betaling van “
the principal amount together with accrued interest and any Arrears of Interest” maar alleen
“subject to the ranking (…)”, zodat
condition9(i)(b) moet worden gelezen in samenhang met
conditions2 en 3, die belanghebbendes verplichtingen jegens de
perpetual-houders in rang gelijk stelt met haar verplichtingen jegens eventuele preferente aandeelhouders.
BNB2014/79 [8] dat in civielrechtelijk niet-eenduidige gevallen, zoals in casu, beslissend is of de geldverstrekker aansprakelijk is voor schulden van de geldnemer. Volgens de Staatssecretaris is belanghebbendes hoofdsomverplichting jegens de
perpetual-houders gelijk aan haar hoofdsomverplichting jegens preferente aandeelhouders en daarmee beperkt tot het bij ondernemingsstaking uitkeren van een vereffeningsoverschot na voldoening van alle (andere) schuldeisers, zulks tot maximaal de hoofdsom plus achterstallige couponrente en vertragingsrente, maar nooit meer dan wat aan preferente aandeelhouders zou toekomen. Dat acht hij geen terugbetalingsplicht omdat de belanghebbende het in eigen hand heeft of wordt terugbetaald, zodat geen sprake is van een geldlening. De
perpetualsdragen door hun voorwaarden hetzelfde risico als preferente aandelen; hun houders gaan bij déconfiture niet vóór op preferente aandeelhouders; net als die aandeelhouders kunnen zij noch hoofdsomaflossing, noch couponbetaling afdwingen. Dat niet-betaalde coupons rentedragend verschuldigd blijven, ziet men ook wel bij niet-betaald dividend op preferente aandelen, zodat dit ‘s Hofs oordeel niet kan dragen dat een reële terugbetalingsverplichting bestaat. De
pari passubepaling heeft volgens de Staatssecretaris tot gevolg dat de
perpetual-houders geen schuldeisers zijn als bedoeld in art. 2:23b BW. In HR
BNB2014/80 [9] (zie 5.10 hierna) wijst u volgens hem expliciet op de voorrang op preferente aandeelhouders als kenmerk van schuldeiserschap in de zin van art. 2:23b BW. De
perpetual-houders staan echter in rang gelijk aan preferente aandeelhouders, althans niet kan worden voorkomen dat dit het geval zal zijn, zodat zij bij faillissement niet voor gaan op de aandeelhouders. De Staatssecretaris acht niet relevant dat tijdens de
perpetual-looptijd geen preferente aandelen hebben bestaan en de
pari passubepaling dus niet is geactiveerd, nu de geldverstrekking moet worden gekwalificeerd op het moment van sluiten van de overeenkomst en toen de reële mogelijkheid betstond dat zij in werking zou treden. De geldverstrekkers hebben met die bepaling op voorhand hun recht op terugbetaling prijsgegeven, aldus de Staatssecretaris.
pari passubepaling en belanghebbendes bevoegdheid om rentebetaling eenzijdig uit te stellen. Alle contractuele bepalingen moeten in samenhang worden beoordeeld; dat is geen verboden materiële beoordeling van de geldverstrekking, maar een civielrechtelijke beoordeling binnen de kaders van HR
BNB2018/60 (zie 5.11 hierna). Civielrechtelijk kan de belanghebbende eenzijdig de rentebetaling opschorten zonder dat daardoor een aflossingsplicht ontstaat of zekerheden verstrekt moeten worden. Door de combinatie met de
pari passubepaling ontstaat dan een situatie waarin de vergoeding alleen betaald wordt als preferente aandeelhouders dividend uitgekeerd krijgen, zodat in zoverre de vergoeding in potentie geheel winstafhankelijk is.
2. De perpetuele geldverstrekking met schuldaansprakelijkheid
verweeracht de belanghebbende middelonderdeel (a) (civielrechtelijke kwalificatie) ongegrond omdat:
perpetualswaarvoor in cassatie geen ruimte bestaat;
perpetualsnog steeds als een schuld van de belanghebbende moeten worden aangemerkt. Dat het Hof zulks ten overvloede heeft overwogen, neemt niet weg dat (ook) die overweging zelfstandig het oordeel draagt dat de
perpetualsals vreemd vermogen moeten worden aangemerkt;
perpetualscivielrechtelijk geen eigen, maar vreemd vermogen zijn – al dan niet in de vorm van geldlening of eeuwigdurende rente – omdat (a) slechts de keuze bestaat uit eigen vermogen en vreemd vermogen (artt. 2:364(4), 2:373(1) en 2:375(1) BW) en de
perpetualsniet onder de eigen-vermogen-bepalingen vallen, zodat zij (dus) schulden zijn in de zin van art. 2:375(1)(a) BW; (b) de
perpetuals‘obligatieleningen’ zijn als bedoeld in art. 2:375(1)(a) BW en vaststaat dat alle betrokkenen steeds bedoelden vreemd vermogen aan te trekken; (c) aan de
perpetual-houders bevoegdheden toekomen die aandeelhouders niet hebben en die hen als schuldeiser kenmerken, zoals hun recht op rente, de mogelijkheid om faillissement aan te vragen, en hun uiteindelijke recht op terugbetaling van de hoofdsom, die weliswaar door de belanghebbende kan worden uitgesteld, maar niet afgesteld; (d)
perpetual-houders geen zeggenschapsrechten hebben, noch recht op een liquidatieoverschot bij vereffening in of buiten faillissement: zij zullen nooit meer ontvangen dan de hoofdsom en de overeengekomen rente. De
pari passubepaling is slechts een wegens de eisen van kredietbeoordelaars opgenomen achterstellingsbepaling die de verhouding regelt tussen
perpetual-houders en preferente aandeelhouders. Zo’n bepaling kan niet, met voorbijgaan aan andere contractuele voorwaarden en vennootschapsrechtelijke regels, het goederenrechtelijke en vennootschaps-rechtelijke gevolg hebben dat de
perpetualseigen vermogen ex art. 2:373(1) BW) zouden zijn;
perpetual-houders hun recht op terugbetaling zouden hebben prijsgegeven en dat betwisting van hun vorderingen door een faillissementscurator zou betekenen dat zij geen schuldeisers zouden zijn.
perpetual-houders achtergesteld zijn bij alle concurrente schuldeisers, maar alleen of de rente winstafhankelijk is en of de looptijd onbepaald is. De Staatssecretaris gaat volgens haar niet in op de looptijd, maar alleen op de winstafhankelijkheid. Contractueel is een vaste rente bepaald (i) waarvan betaling kan worden uitgesteld maar niet afgesteld, (ii) die bij uitstel zelf weer rente draagt, en (iii) die ook bij faillissement, surséance en liquidatie verschuldigd blijft. De
pari passubepaling acht de belanghebbende irrelevant omdat die de verschuldigdheid van de rente niet wegneemt. Zij meent dat de Staatssecretaris HR
BNB2014/80 (
[D] -arrest) verkeerd leest: of en hoe de
perpetual-houders een door hen bij liquidatie ontvangen opbrengst moeten verdelen is niet relevant voor de vraag of de verschuldigde rente van de winst afhangt. Zou middelonderdeel (b) toch tot cassatie leiden, dan is beslissend of de looptijd vast of onbepaald is, wat de feitenrechters niet hebben onderzocht. De belanghebbende acht de materiële looptijd beslissend, conform de conclusie voor HR
BNB2012/39; [13] die is korter dan 50 jaar.
perpetualskunnen volgens de belanghebbende niet gelijkgesteld worden met de instrumenten bedoeld in art. 29a Wet Vpb. De parlementaire geschiedenis van die bepaling bepaalt niet de kwalificatie van geldleningen, zeker niet van die van vóór haar invoering.
perpetualsdan wél zijn als zij geen geldlening zijn. Ter rechtvaardiging van aftrekweigering kan hij haars inziens niet volstaan met verwerping van het standpunt dat zij geldleningen zijn, omdat die verwerping niet ontzenuwt dat de
perpetualsook dan nog steeds schulden van de vennootschap zijn.
repliekstelt de Staatssecretaris dat volgens HR
BNB2014/79 (
redeemable preference shares; zie 5.9 hierna) geen beslissende betekenis toekomt aan het jaarrekeningenrecht. Voor zover dat in casu anders zou zijn, pleit de jaarrekening 2010 voor kwalificatie als eigen vermogen. Civielrechtelijk is onduidelijk of de
pari passubepaling in de weg staat aan de terugbetalingsplicht die de Hoge Raad kenmerkend acht voor de civielrechtelijke geldlening en die bij faillissement de
perpetual-houders moet beschermen tegen de verplichtingen van de vennootschap jegens aandeelhouders. De
pari passubepaling neemt die ongelijkheid tussen
perpetual-houders en aandeelhouders echter juist weg. De Staatssecretaris bepleit op basis van HR
BNB2014/80 en van de conclusie voor HR
BNB2014/79 (zie onderdeel 3.4 hiervoor) een beslissende rol voor de – al dan niet uit art. 2:23b BW – voortvloeiende verhaalsrangorde bij faillissement. Hij bestrijdt dat de rentevergoeding winstonafhankelijk zou zijn. Hij wijst op een (in hoger beroep bestreden)
uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 november 2018, [14] waar
uit volgt dat op basis van alle overeengekomen bedingen beoordeeld moet worden of een geldverstrekking een deelnemerschapslening is en dat zo’n beoordeling geen materiële toetsing inhoudt.
dupliekstelt de belanghebbende dat de kwalificatie in het jaarrekeningenrecht geen betekenis heeft voor de civielrechtelijke kwalificatie van de
perpetuals: de
IFRS-kwalificatie is autonoom en staat los van Boek 2 BW en van de Nederlandse civielrechtelijke (en fiscale) kwalificatie. Zij herhaalt dat de
pari passubepaling het schuldeiserschap van de
perpetual-houders niet wegneemt en betwist de suggestie dat geen terugbetalingsverplichting zou bestaan doordat het jaarverslag 2010 vermeldt dat de
perpetualseen “
eeuwigdurende obligatielening” zijn. Zij kan de stellingen van de Staatssecretaris over art. 2:23b BW niet volgen omdat die bepaling niet ziet op de verhouding tussen, of de kwalificatie van, eigen en vreemd vermogen en evenmin op de vraag wanneer een schuldeiser voorrang heeft. HR
BNB2014/80 zegt niet dat een schuldeiser steeds vóór moet gaan op
alleaandeelhouders om te kunnen spreken van vreemd vermogen en de Staatssecretaris miskent dat de
perpetual-houders wel degelijk vóór alle bestaande aandeelhouders aan de beurt komen.
4.De wet
Boek 2 Burgerlijk Wetboek
Artikel 364
Artikel 1791
Artikel 1800
Artikel 1807
Artikel 129
tier 1kapitaalinstrumenten verzekerd:
Achtergrond
5.Rechtspraak
Civiel
NJ1974/265 [17] betrof een bank die aan [E] NV effecten ter beschikking had gesteld om die te belenen bij derden. [E] kon een deel van het met belening verkregen geld te eigen behoeve gebruiken en moest het overige storten bij de bank. Het litigieuze geld was door [E] ter voldoening aan deze afspraak bij de bank gestort, die het op een rekening ten name van [E] had gesteld en daarop depositorente had vergoed. In geschil was of de geldoverdracht aan de bank verkregen was uit hoofde van geldlening, zoals de curator in [E] ’s faillissement stelde, of uit anderen hoofde, zoals de bank inbracht tegen de vordering van de curator. Uw eerste kamer overwoog:
perpetualslijken niet aan deze eis te voldoen omdat de
perpetual-houders terugbetaling alleen (direct) kunnen
eisenbij faillissement en
winding up. Bij
non-paymentkunnen zij echter wel belanghebbendes faillissement aanvragen (zie
condition9(i)(a) in 2.3 hierboven) en dat zij contractueel grotendeels hebben afgezien van opeisbaarheid, betekent niet dat zij hebben afgezien van hun ‘verlangen’ tot terugbetaling: zij hebben niet afgezien van hun vorderingsrecht, maar alleen (deels) van de afdwingbaarheid ervan, behoudens bepaalde
enforcement events.
NJ2003, 503 [18] ) niet mede tot gevolg dat de debiteur zijn verrekeningsbevoegdheid verliest, noch dat bij faillissement
alleandere crediteuren voorgaan:
NJ2003/50 [19] volgt dat uw eerste kamer een verplichting tot terugbetaling van geld niet alleen
nodig, maar in beginsel ook
voldoendeacht voor het aanmerken van een overeenkomst als een geldlening in de zin van art. 7A:1791 BW, ook al is die verplichting afhankelijk van een onzekere toekomstige gebeurtenis:
JOR2016/354 [20] betrof een contractuele bepaling inhoudende dat de geldontvanger moest terugbetalen “wanneer hij daartoe in staat zal zijn”. Ook zo’n beding staat niet in de weg aan het aannemen van een overeenkomst van geldlening:
BNB1988/217 [21] achtte u de civielrechtelijke vorm van een gelieerde geldlening bepalend voor haar fiscale kwalificatie als eigen of vreemd vermogen, behoudens drie uitzonderingen: schijnleningen, permanente verliesfinanciering en
prêts participatifs:
BNB1998/208 [24] betrof een belanghebbende die haar langlopende schulden omzette, deels in 10% cumulatief preferente aandelen en deels in achtergestelde winstdelende obligaties. De obligaties waren in beginsel in 2033 aflosbaar à pari of, indien hoger, tegen de gemiddelde koers van de
cumprefsin de drie voorafgaande jaren. De rechten van de obligatiehouders waren voor het overige min of meer gerelateerd aan de rechten van de cumpref-houders. In 1983 werden zowel de cumprefs als de obligaties genoteerd aan de Amsterdamse beurs. In 1987/1988 werden de obligaties omgewisseld in cumprefs. In geschil was of het verschil tussen de (bij compromis vastgestelde) economische en de nominale waarde van de verplichting jegens de obligatiehouders als kosten van geldlening in aftrek kwam. U oordeelde:
cumprefsleken dan de nu te beoordelen
perpetualslijken op de (hypothetische) preferente aandelen waarmee zij in geval van déconfiture in rang gelijk gesteld zijn. Toch kwalificeerde u de achtergestelde winstdelende obligaties als vreemd vermogen op grond van hun vaste looptijd van 50 jaar
.
BNB1999/176 [25] betrof 8½%-rentende, perpetuele, cumulatieve en achtergestelde obligaties, in 1994 uitgegeven door een bank. De belanghebbende beleggingsmaatschappij had een deel van die obligaties overgenomen van de bank, na overleg met de inspecteur, om op korte termijn van de belastingrechter een kwalificatie van de lening te verkrijgen. Belanghebbende was door de schuldoverneming rente aan de bank verschuldigd geworden. Voor het Hof was in geschil of de rente die de bank op de obligaties vergoedt in mindering kwam op haar resultaat, want van het antwoord op die vraag hadden de partijen de aftrekbaarheid van de schuldovernemingrente afhankelijk gesteld. U oordeelde:
[C]-arrest betrof de vraag naar de verschuldigdheid van kapitaalsbelasting over door een aandeelhoudster zonder zekerheden aan haar dochter verstrekt geld om naar olie en gas te zoeken in de [C] . In het geschiljaar (1997) was niets te zeggen over economische winbaarheid van eventuele reserves. De terugbetalingsplicht had volgens het Hof in deze omstandigheden geen reële betekenis; een derde zou nooit geld hebben verstrekt zonder zekerheden. U overwoog echter:
BNB2014/79 [27] betrof
Redeemable Preference Shares(RPS) in een gelieerde Australische vennootschap, waarop jaarlijks en cumulatief 8% werd vergoed in de eerste twee jaren, waarna de vergoeding met 1 punt per twee jaar opliep tot maximaal 12%. RPS-houders hadden voorrang op gewone aandeelhouders bij betaling van de financiersvergoeding en bij terugbetaling van kapitaal/hoofdsom. De RPS konden op elk moment, maar moesten uiterlijk na tien jaar worden afgelost. De RPS-houders hadden – enige bijzondere situaties daargelaten – geen stemrecht. De belanghebbende had de op haar RPS ontvangen vergoeding aangemerkt als vrijgesteld deelnemingsdividend. De fiscus zag echter belastbare rente, mede omdat die vergoeding bij de Australische debiteur aftrekbaar was; een klassieke hybride-financierings
mismatch. U preciseerde de eerder door u gebruikte term ‘civielrechtelijke vorm’: u verwees nu naar beoordeling naar ‘civielrechtelijke maatstaven’, onder toevoeging van ‘(…) al dan niet in overeenstemming met de vorm die door de partijen (…) gegeven is’, en u koos voor de kwalificatie dividend:
sharesin bedrijfseconomische zin op één lijn kan worden gesteld met het aangaan van een (achtergestelde) lening en
sharesgestorte kapitaal naar Australisch en Nederlands jaarrekeningenrecht als vreemd vermogen wordt aangemerkt.
BNB2014/80 (
[D] -arrest) [28] , betrof een [D] dat naar de civielrechtelijk vorm preferent aandelenkapitaal in de zin van art. 2:175 en Pro art. 2:178 BW Pro aan een concern verschafte. Bij de kwalificatie van deze geldverstrekking als eigen of vreemd vermogen lagen de fiscale belangen omgekeerd: de fiscus zag vreemd vermogen en wilde de door het syndicaat ontvangen vergoeding als rente belasten in plaats van haar als deelnemingsdividend te moeten vrijstellen, zoals het syndicaat bepleitte. Ook in deze zaak stelde u de belanghebbende in het gelijk:
a contrariokan worden afgeleid dat als bepaalde schuldeisers zoals de litigieuze
perpetual-houders, in bepaalde situaties in rang gelijk gesteld worden aan bepaalde preferente eigen-vermogensverschaffers, zij daardoor geen schuldeisers meer zouden zijn. Een contractuele
pari passubepaling kan volgens haar niet afwijken van dwingende vennootschapsrechtelijke bepalingen over een besluit tot aandelenuitgifte en over die uitgifte zelf. Ik maak uit het arrest slechts op dat voor kwalificatie van een geldverstrekking als kapitaal (eigen vermogen) niet relevant is dat (i) de (preferente) aandeelhouder na een bepaalde tijd de mogelijkheid heeft de kapitaalverstrekking te beëindigen; (ii) het risico dat het kapitaal daadwerkelijk wordt aangesproken voor de schulden van de vennootschap
ab initioverwaarloosbaar lijkt, en (iii) de beloning vergelijkbaar is met de beloning op een (achtergestelde) geldlening, en (daardoor) (iv) nauwelijks verschil bestaat tussen de kapitaalverstrekking en een geldlening. Mijns inziens werpt art. 2:23b BW geen licht op de vraag of de litigieuze
perpetualsfiscaalrechtelijk eigen of vreemd vermogen hebben geproduceerd voor de belanghebbende, omdat art. 2:23b BW pas relevant is
nadatis vastgesteld of een geldverstrekker ‘schuldeiser’ is of slechts is gerechtigd tot een vereffeningsoverschot. Uit het arrest, waarin u uiteraard niet het oog kon hebben op de litigieuze situatie waarin bepaalde achtergestelde schuldeisers, indien zich bepaalde situaties voordoen, in rang gelijk worden gesteld met (niet-bestaande) preferente aandeelhouders, volgt niet dat de
perpetual-houders met de
pari passubepaling op voorhand hun recht op terugbetaling hebben prijsgegeven. Uit niets volgt dat zij dat hebben gedaan. Zij hebben immers alleen de
opeisbaarheidvan hun vorderingsrecht (grotendeels) opgegeven; dat neemt de
verschuldigdheidvan de rente en de hoofdsom niet weg, en dus evenmin belanghebbendes
verplichtingom rente en hoofdsom te betalen, al kan zij daartoe alleen in bepaalde gevallen (déconfiture; ontbinding) of indirect (faillissementsverzoek) worden gedwongen.
BNB2018/60. [29] Die zaak betrof
managersvan een vennootschap die als minderheidsaandeelhouders toetraden en daarbij elk € 300.000 uitleenden aan de vennootschap, zonder aflossingsschema en zonder zekerheden. In geschil was of een verlies op die vordering aftrekbaar was of als deelnemerschapslening in de kapitaalsfeer lag, gegeven dat er geen vaste looptijd was en de fiscus de leningen
materieelachtergesteld achtte bij alle concurrente crediteuren, hoewel contractueel geen sprake was van achterstelling. U overwoog:
6.Literatuur en commentaren op de uitspraken van de feitenrechters
Fiscaal up to Date2017-0001 becommentarieerde de uitspraak van onze rechtbank als volgt:
V-N2018/41.9 vindt ’s Hofs oordeel niet sterk onderbouwd:
perpetualsook met de
coco’sgenoemd in 4.8 en 4.9 hierboven.
NTFR2018/1980 bij de Hofuitspraak:
perpetualobligatie geen deelnemerschapslening is.”
perpetualsnaar IFRS/IAS-32-maatstaven vreemd vermogen zijn, (ii) civielrechtelijk een overeenkomst van altijddurende rente zijn (art. 1807 boek Pro 7A BW), (iii) die overeenkomst historisch voortspruit uit het verbod van de Rooms-katholieke kerk op renteberekening, (iv) zo’n contract civielrechtelijk noch geldlening, noch kapitaalverstrekking is, maar rentekoop, en (v) de rentebetalingen daarom aftrekbaar zijn (behalve de eerste vier, laat ik voetnoten weg):
1. Inleiding
perpetualsen op
pari passu ranking:
Als onderscheidend element van aandelen is voor een perpetual van belang dat ze in geval van een liquidatie of faillissement vóór de aandeelhouders gaan, dat wil zeggen: eerder in rang in de opbrengst delen.
perpetualszoals de litigieuze een altijddurende rente zijn: [39]
Asser/Van Schaick 7-VIII: [41]
7.Middelonderdeel (a) - eigen of vreemd vermogen?
perpetualsom een overeenkomst van altijddurende of gevestigde rente ex art. 7A:1807 BW gaat en dat die overeenkomst een bijzondere overeenkomst van geldlening is. De Rechtbank lijkt dat uit HR
BNB1999/176 af te leiden, maar ik lees dat niet in dat arrest (zie 5.7 hierboven). Civiele rechtspraak ontbreekt en de civielrechtelijke literatuur is niet eenduidig over de vraag of de overeenkomst van art. 7A:1807 BW (ook) een overeenkomst van geldlening is (zie 6.6 en 6.7 hierboven). Het systeem van het BW lijkt op ontkennende beantwoording te wijzen. Tot 1 januari 2017 waren de bepalingen over het (uit)lenen van geld onderdeel van titel 14 (‘Van verbruikleening’) van boek 7A BW en had de overeenkomst van ‘gevestigde of altijddurende rente’ een eigen titel 15. Het ligt niet voor de hand dat de wetgever een benoemd contract dubbel benoemt. Ook de wijziging van boek 7 BW per 1 januari 2017, leidende tot de nieuwe eigen titel 2C (‘geldlening’) suggereert dat de overeenkomst van altijddurende rente geen overeenkomst van geldlening is in de zin van de nieuwe titel 2C, nu de titel over altijddurende rente niet in de nieuwe titel over geldlening is geïntegreerd, maar geheel ongemoeid en zelfs ongenoemd is gelaten. Ik heb in de parlementaire geschiedenis van die wetswijziging geen passages gevonden die ingaan op de verhouding tussen geldlening en altijddurende rente. Anderzijds moet toegegeven worden dat het separeren van de geldlening uit de titel over verbruikleen niet impliceert dat geldlening niet meer (ook) onder verbruikleen valt. De ene civielrechtelijke kwalificatie lijkt de andere dus niet uit te sluiten: de litigieuze
perpetualszijn civielrechtelijk misschien zowel ‘verbruikleen’ als ‘altijddurende rente’ als ‘geldlening’.
renteverbod ontweken zou kunnen worden door juist een
rentete bedingen, en dan nog wel
altijddurend. Dat lijkt de goden te verzoeken. Bezien vanuit het doel van het kerkelijke renteverbod lijkt het logischer om de jaarlijkse betalingen juist niet als ‘rente’ te benoemen, maar als termijnen van terugbetaling van de hoofdsom, zij het dat die hoofdsom op een gegeven moment wel ‘op’ zal zijn en dan de vraag rijst hoe de termijnen te benoemen die blijven verschijnen zolang niet óók de oorspronkelijk verstrekte som als zodanig is terugbetaald. [42] In feitelijke instantie is hierover enige discussie gevoerd (zie het proces-verbaal van de Hofzitting). Wat daarvan zij, vaststaat dat naast jaarlijkse ‘rente’-betalingen een nominale hoofdsom terugbetaald moest worden en dat die ook daadwerkelijk is terugbetaald.
Alsde litigieuze
perpetualsonder art. 1807 boek Pro 7A BW vallen, volgt uit die bepaling dat de geldverstrekker zich verbindt de hoofdsom niet op te eisen, hetgeen impliceert dat zij verschuldigd is, zij het dat de schuldeiser – behoudens in gecontracteerde of in de wet genoemde specifieke gevallen – betaling niet kan afdwingen.
Alshet in casu om een altijddurende rente gaat, heeft het Hof dus rechtskundig correct geoordeeld (r.o. 4.19) dat een terugbetalingsplicht ter zake van de hoofdsom bestaat. In bepaalde situaties (faillissement en ontbinding) bestaat overigens óók een rechtsvordering, en bij
non-paymentkan kennelijk indirect, door faillissementsaanvraag, de hoofdsom teruggevorderd worden.
alsde litigieuze
perpetualseen altijddurende rente ex art. 1807 boek Pro 7A BW zijn, volgt ook hieruit dat de geldontvanger verbonden is de hoofdsom terug te betalen, zij het dat terugbetaling niet kan worden afgedwongen behoudens in aangewezen specifieke gevallen. Materiële belastingschulden ter zake waarvan de navorderingstermijn is verstreken of formele belastingschulden ter zake waarvan de invorderingstermijn is verstreken, zijn wel degelijk schulden; de betalingsverplichting blijft ook na verjaring bestaan. Wordt zo’n niet-opeisbare schuld betaald, dan kan die betaling niet teruggevorderd worden als onverschuldigd betaald. [43] Ontvangen gewetensgeld wordt bij mijn weten door de fiscus ook niet terugstort als onverschuldigd betaald.
terugbetalingsplicht gaat, als de belastingplichtige civielrechtelijk maar een schuld heeft, die dus ook kan voortvloeien uit leverancierskrediet, onrechtmatige daad of enige andere oorzaak. Zoals het Hof terecht aangaf: het gaat bij renteaftrek niet zozeer om ‘geldlening’ als wel om ‘schuld’ (vreemd vermogen), ongeacht waaruit die civielrechtelijke en rentedragende schuld voortvloeit. Het ging in de boven geciteerde fiscale rechtspraak steeds om een geldverstrekking die civielrechtelijk als geldlening werd geduid en om de vraag of die duiding ook fiscaalrechtelijk gevolgd moest worden, maar die rechtspraak geldt mijns inziens evenzeer als uit anderen hoofde dan geldlening een rentedragende schuld bestaat. De civielrechtelijke kwalificatie van de
perpetuals, al dan niet als benoemd contract, doet mijns inziens voor de fiscaalrechtelijke kwalificatie dus slechts ter zake voor zover die civielrechtelijke kwalificatie bepaalt of al dan niet een (terug)betalingsschuld bestaat. Hoe de
perpetualscivielrechtelijk ook precies gekwalificeerd moeten worden, vaststaat dat civielrechtelijk een terugbetalings-schuld bestaat die bovendien bij faillissement en andere
winding-updirect opeisbaar is.
hybrid financeals een categorie tussen eigen en vreemd vermogen in, maar dat uit (de parlementaire geschiedenis van) art. 29a Wet Vpb kan worden afgeleid dat de wetgever meent dat
hybridsfiscaalrechtelijk eigen vermogen zijn. Met de belanghebbende zie ik de grond voor die stelling niet. Art. 29a Wet Vpb is, zoals bleek, alweer verdwenen per 1 januari 2019. [44] Zelfs als de stelling juist zou zijn, kan de (mede)wetgever, als hij een al decennia bestaand vermogensonderscheid van zó eminent fiscaal belang wil verleggen, niet volstaan met een vage suggestie bij de invoering van een zéér specialistische, ondergeschikte en omstreden regeling over coco’s, die bovendien alweer ingetrokken is. Uw vaste rechtspraak over
hybrid financeis helder: zien wij civielrechtelijk een (niet-gesimuleerde en niet-denkbeeldige) terugbetalingsplicht, dan zien wij fiscaalrechtelijk vreemd vermogen, tenzij de geldverstrekker deelneemt in het ondernemersrisico en de winst van de geldnemer. De rechtszekerheid eist dat. Uit HR
BNB1998/208 (zie 5.6 hiervoor) volgt dat dit ook geldt bij ongelieerde geldverstrekkingen aan het publiek zoals de litigieuze. Wil de wetgever het anders, dan zal hij de door hem gewenste verlegging van het fiscaalrechtelijke onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen volledig en expliciet bij formele wet moeten regelen, mét alle consequenties daarvan, en hij moet dan op andere wijze voorzien in de rechtszekerheid die de praktijk van ondernemingsfinanciering behoeft.
BNB2014/79 (Australische RPS; zie 5.9 hiervoor) volgt dat het jaarrekeningenrecht niet beslist en maak ik op dat u een objectievere benadering wenst dan puur naar de maatstaf van ‘de vorm die de partijen aan de geldverstrekking hebben gegeven’. In dat arrest preciseerde u immers de term ‘civielrechtelijke vorm’, nl. door beoordeling voor te schrijven ‘naar civielrechtelijke maatstaven,’ onder toevoeging van ‘
al dan niet in overeenstemming met de vormdie door de partijen daaraan is gegeven’ (
curs. PJW). Wellicht wilde u duidelijk maken dat de civielrechtelijke presentatie (uiteraard) niet beslist als het (ook) civielrechtelijk om een (relatieve) schijnhandeling gaat.
pari passubepaling op voorhand hun recht op terugbetaling zouden hebben prijsgegeven, is mijns inziens rechtskundig en feitelijk onjuist. Zoals bleek, hebben zij niet hun vorderingsrecht, maar alleen hun rechtsvordering (deels) opgegeven. Dat zij daarnaast in geval van
concursuseen bepaalde achterstelling hebben aanvaard, neemt noch hun schuldeiserschap, noch belanghebbendes terugbetalingsschuld weg. Dat de geldverstrekkers, als er ook preferente aandeelhouders zouden zijn, zouden moeten delen met die preferente aandeelhouders, neemt hun schuldeiserschap evenmin weg. Alle bestaande aandeelhouders staan hoe dan ook ten achter bij de
perpetual-houders. Dat hun schuldeiserschap weinig voorstelt (zij verschillen in grote lijnen slechts op twee punten van preferente aandeelhouders: zij kunnen indirect bij
non-paymentbelanghebbendes faillissement aanvragen en zij maken geen kans op een liquidatie-uitkering boven pari), moge zo zijn, maar, zoals u in HR
BNB2018/60 (zie 5.11 hierboven) overwoog: de rechtszekerheid eist duidelijke criteria; en zoals u in HR
BNB2014/80 (
[D]; zie 5.10 hierboven) overwoog: dat achtergestelde winstdelende obligaties en cumulatief preferente aandelen economisch soms nauwelijks uit elkaar zijn te houden, is niet relevant. Eigen en vreemd vermogen moeten fiscaalrechtelijk juist wél duidelijk uit elkaar gehouden kunnen worden vanwege de verstrekkende fiscale gevolgen van die kwalificatie. In het
[D]-arrest achtte u in de omgekeerde situatie dan ook niet van belang dat het risico dat het preferente-aandelenkapitaal zou worden aangesproken voor vennootschapsschulden verwaarloosbaar was. Ook zwak aandeelhouderschap is aandeelhouderschap en ook zwak schuldeiserschap is schuldeiserschap. Het staat de wetgever vrij om van de belastingrechter de ondankbare taak over te nemen om de praktijk op dat vlak van rechtszekerder handvatten te voorzien.
perpetual-houders zou erkennen of betwisten en of hij bij de verificatie van vorderingen te maken zou hebben met preferente aandeelhouders, als die zouden bestaan (zie het proces-verbaal van de Hofzitting). De processtukken en de vaststaande feiten lijken mij geen andere conclusie toe te laten dan dat de hoofdsomvordering en eventuele achterstallige-rentevorderingen van de
perpetual-houders bij faillissement van de belanghebbende direct opeisbaar zijn en dat voor betwisting ervan door de curator geen rechtsgrond bestaat. Wel zal hij bij het opmaken van de uitdelingslijst rekening moeten houden met hun achterstelling, aangenomen dat er na voldoening van de separatisten, de bevoorrechten en de concurrenten nog ergens rekening mee te houden valt. Overigens zijn er geen preferente aandeelhouders (geweest), zodat het probleem hypothetisch is.
JOR2016/354 (zie 5.4 hierboven) en uit het
[C]-arrest (zie 5.8 hierboven). Volgens het Hof is niet volstrekt onaannemelijk dat de terugbetalingsverplichting niet nagekomen zal (kunnen) worden (zie r.o. 4.10 Hof in 2.11 hierboven). ‘s Hofs uitleg van de
terms and conditionslijkt mij op dit punt geenszins onbegrijpelijk, mede gegeven dat de
perpetualsdaadwerkelijk geheel zijn afgelost en dat de rentevoet op
perpetualsdoorgaans in zekere mate aflossing-urgerend is voor de geldnemer, die niet eeuwig een hoge rente zal willen betalen. ‘s Hofs uitleg lijkt mij daarmee in cassatie onaantastbaar. Het rechtskundige deel van ‘s Hofs oordeel over de volgorde bij faillissement lijkt mij juist.
8.Middelonderdeel (b) - deelnemerschapslening?
perpetualszijn achtergesteld bij alle concurrente vorderingen. [45] De belanghebbende heeft gesteld dat zij materieel een vaste looptijd hebben, maar in ’s Hofs oordeel ligt mijns inziens de niet-onbegrijpelijke uitleg van de
terms and conditionsbesloten dat zij civielrechtelijk geen vaste looptijd hebben. Zoals bleek, is niet van belang dat materieel aflossing (veel) eerder dan na 50 jaar valt te verwachten. Het gaat immers om hetgeen civielrechtelijk is overeengekomen (in casu een onbepaalde looptijd), tenzij daaraan zelfstandige betekenis moet worden ontzegd, waarvan volgens het Hof kennelijk onvoldoende blijkt.
perpetual-houders afhankelijk is van belanghebbende winst. Zij kan rentebetalingen opschorten zonder daardoor verplicht te worden de hoofdsom af te lossen of zekerheid te stellen. Door de combinatie met de
pari passubepaling ontstaat dan volgens de Staatssecretaris een situatie waarin de vergoeding alleen betaald wordt als preferente aandeelhouders dividend uitgekeerd krijgen, zodat in zoverre de vergoeding ‘in potentie’ geheel winstafhankelijk is. Ook deze stelling lijkt mij rechtskundig en feitelijk onjuist. Een opschortingsbevoegdheid maakt rentebetaling geenszins afhankelijk van de jaarwinst vóór rentebetaling of van vrije winstreserves. Zij maakt slechts de
timingvan de betaling
wilsafhankelijk. De
pari passubepaling doet niet meer dan een achtergestelde schuldeisersrang bepalen in geval van faillissement of ontbinding. Uit HR
BNB2018/60 (zie 5.11 hiervoor) volgt dat de vraag of aan de criteria voor een deelnemerschapslening is voldaan, dus ook de vraag of de vergoeding afhangt van de winst van de debiteur, in beginsel niet materieel wordt onderzocht, maar in verband met de gewenste rechtszekerheid wordt beantwoord op basis van civielrechtelijke maatstaven,
i.e.op basis van hetgeen is overeengekomen, tenzij daaraan zelfstandige betekenis moet worden ontzegd. Uit HR
BNB1999/176 volgt (zie 5.7 hierboven) dat rente niet afhankelijk wordt van de winst door de mogelijkheid tot uitstel van betaling ervan, noch door koppeling ervan aan declaratie van dividend. Het Hof heeft op basis van zijn uitleg van met name het prospectus geoordeeld dat de op de
perpetualsverschuldigde rente formeel noch materieel afhankelijk is van belanghebbendes winst.
perpetual-houders niet zouden aanzitten), terwijl (iv) tussentijds preferente aandelen zouden zijn uitgegeven (de houders waarvan mogelijk wél bij de a.v.a. zouden aanzitten, maar dan denkelijk zonder stemrecht) en tenslotte (v) bij die ontbinding onvoldoende vennootschapsvermogen beschikbaar zou blijken te zijn om zowel de
perpetual-houders af te lossen als de – in werkelijkheid niet-bestaande – preferente aandeelhouders het hypothetisch door hen gestorte kapitaal terug te betalen. Zelfs als deze situatie zich zou kunnen voordoen, zou dat de rente niet afhankelijk maken van belanghebbendes winst vóór rentebetaling in de jaren waarin de combinatie van een ontbindingsbesluit en een vereffeningstekort niet viel te verwachten. Dat een hypothetische samenloop van omstandigheden en wilsbesluiten in de (verre) toekomst niet uitgesloten kan worden geacht, rechtvaardigt mijns inziens niet de conclusie dat de rente winstafhankelijk is in de jaren waarin die hypothetische bijzondere samenloop van omstandigheden en wilsbesluiten helemaal niet aan de orde is.
perpetualszou veroorzaken, terwijl dat effect zou uitblijven bij het aantrekken van hetzelfde bedrag, maar dan door uitgifte tegen 50% van de nominale waarde van achtergestelde 10-jaars
zero bondsad nominaal € 200 miljoen met dezelfde rang als de
perpetuals.
perpetual-houders met hun geldverstrekking een mede-eigenaarsachtig ondernemersrisico lopen en mede-winstgerechtigd zijn. ’s Hofs uitleg van de overeenkomst en zijn waardering van de feiten houdt uiteindelijk in dat dat niet het geval is. Dat oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk.