Conclusie
1.Feiten
. Aanleiding tot het onderzoek
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 8-18) is gericht tegen het oordeel van het Hof in rov. 2.5 dat de maatstaf of een accountant als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, niet alleen dient te worden aangelegd bij de beoordeling van de vraag of de accountant bij de uitoefening van zijn beroep toerekenbaar is tekortgeschoten jegens zijn opdrachtgever, maar dat die maatstaf ook mede bepalend is bij de beoordeling van de vraag of een accountant bij de uitoefening van zijn beroep onrechtmatig heeft gehandeld jegens een derde. EY klaagt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende gemotiveerd is.
Vie d’Or IIbuiten discussie dat de accountant bij de jaarrekeningcontrole een zorgplicht heeft jegens derden. [12] Een belangrijk argument hiervoor is dat ook derden hun gedrag moeten kunnen afstemmen op de informatie van de controlerend accountant en bij het nemen of handhaven van hun (financiële) beslissingen erop moeten kunnen vertrouwen dat het in de jaarrekening gepresenteerde beeld niet misleidend is. [13] Deze taakuitoefening van de accountant dient dus mede een wezenlijk publiek belang. [14] In de literatuur wordt een dergelijke zorgplicht jegens derden ook aangenomen voor wat betreft de andere wettelijke taken van de accountant. [15]
- de accountant moet uiterlijk ten tijde van het uit handen geven van de rapportage weten of behoren te weten dat deze ter beschikking van een derde zal komen;
- de accountant moet weten of behoren te weten dat de betreffende derde (zeer) waarschijnlijk op de rapportage zal vertrouwen bij het nemen van een beslissing over een bepaalde transactie of een transactie van een bepaalde soort.
gedrags- en beroepsregels ten behoeve van een goede uitoefening van de werkzaamheden van accountants’. [24] Art. 2 van Pro de VGBA luidt als volgt:
Artikel 2
Een kenmerk van het accountantsberoep is de aanvaarding van de verantwoordelijkheid om in het algemeen belang te handelen. Derhalve bestaat de verantwoordelijkheid van een accountant niet louter uit het vervullen van de behoeften van een individuele cliënt of werkgever. Dit artikel geeft een opsomming van de fundamentele beginselen waaraan een accountant zich heeft te houden, teneinde invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheid om te handelen in het algemeen belang.”
De registeraccountant neemt de volgende fundamentele beginselen in acht:
Integriteit(...)
Objectiviteit
Deskundigheid en zorgvuldigheid
Geheimhouding(...)
Professioneel gedrag(...)”
dat neemt niet weg dat de accountant die de aanwijzingen in deze NBA-handreiking niet toepast, erop voorbereid moet zijn dat van hem op enig moment kan worden gevraagd uit te leggen op welke wijze door hem is voldaan aan de basisprincipes, verplichtingen en essentiële werkzaamheden uit wet- en regelgeving, die nader zijn behandeld in de NBA-handreiking”. De Handreiking geeft een aantal algemene uitgangspunten die bij de uitvoering van persoonsgerichte onderzoeken in acht moeten worden genomen. Daarbij wordt in de eerste plaats gerefereerd aan de algemene beginselen uit de VGBA [29] (integriteit, objectiviteit, deskundigheid en zorgvuldigheid, geheimhouding en professioneel gedrag). Verder worden genoemd worden het beginsel van hoor en wederhoor, het proportionaliteitsbeginsel, het subsidiariteitsbeginsel en het beginsel van fair play.
Wanneer, zoals in dit geval, sprake is van een persoonsgericht onderzoek of, hoewel van een persoonsgericht onderzoek in eigenlijke zin geen sprake is, de betrokkenheid van bepaalde personen bij de handelingen die het voorwerp van het onderzoek zijn, zodanig is dat het onderzoek onvermijdelijk de positie en het functioneren van deze personen raakt, dienen deze personen naar het oordeel van het College – met het oog op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag – in beginsel te worden gehoord. Daarmee wordt hun de mogelijkheid geboden informatie te verschaffen over - bijvoorbeeld - het doel van het onderzoek, voordat de resultaten van het onderzoek aan de opdrachtgever worden uitgebracht. Indien het horen van een persoon om de hiervoor gegeven redenen was aangewezen, doch achterwege is gebleven, berust het document waarin de uitkomst van het desbetreffende onderzoek is neergelegd niet op een deugdelijke grondslag, tenzij is gebleken van bijzondere omstandigheden die het achterwege laten van het horen rechtvaardigen.”
nietop één lijn kan worden gesteld met een rapport van een partijdeskundige.
dat voor de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag niet maatgevend is de redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsbeoefenaar, maar dat bepalend is of aan het onderzoek zodanige fundamentele gebreken kleven dat die de marginale toets, inhoudende dat EY in redelijkheid niet tot de bevindingen in haar rapport komen, niet kan doorstaan”. (rov. 4.1.1.). Naar aanleiding van de tegen deze maatstaf gerichte grief van [verweerder] overweegt het Hof in rov. 2.5 van het vonnis als volgt:
Vie d’Or II-arrest (mede) bepalend is in
iedergeval waarin de vraag beantwoord dient te worden of een accountant onrechtmatig heeft gehandeld jegens een derde, dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. [38]
de bijzondere feiten en omstandighedenheeft aangenomen dat in
dit gevalde (striktere) maatstaf of een accountant als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, mede bepalend is bij de beoordeling van de vraag of EY bij de uitoefening van haar werkzaamheden onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder] . [39] Het Hof is dus niet uitgegaan van de opvatting dat deze maatstaf geldt in
allegevallen waarin beoordeeld moet worden of een accountant onrechtmatig heeft gehandeld jegens een derde.
onafhankelijkvan zijn opdrachtgever en
onpartijdigdient te zijn. Volgens het Hof brengt dit mee dat de accountant de belangen van zijn opdrachtgever niet op voorhand zwaarder mag laten wegen dan de belangen van degene die onderwerp van een persoonsgericht accountantsonderzoek is, en vaak, naar redelijkerwijs voorzienbaar is, wederpartij van de opdrachtgever zal worden in een gerechtelijke procedure. Het Hof merkt daarbij op dat de positie van een accountant anders is dan die van veel partijdeskundigen die ingeschakeld worden om de belangen van een partij in een geschil te behartigen. Om die reden is het Hof het ook niet eens met de overweging van het GEA in rov. 4.4.1 (“
Inherent aan een partij-rapportage is dat dit is opgemaakt ten behoeve van één partij. In de procedure waarin dit wordt ingebracht, heeft de andere partij de mogelijkheid om aan te geven dat het rapport op onderdelen niet klopt”), die impliceert dat het voldoende is als pas bij de rechter een evenwichtig beeld ontstaat of kan ontstaan nadat degene die onderwerp is geweest van het persoonsgericht onderzoek, gelegenheid heeft gehad het definitieve rapport voor de rechter te betwisten. Het definitieve rapport van EY dient volgens het Hof dus
zelfeen evenwichtig beeld te geven. Het Hof overweegt in rov. 2.8 verder nog dat ook de uitgebreide regeling in art. 13.1-13.3 Gedragsrichtlijn over de voorgeschreven inrichting van het wederhoor in dit licht dient te worden bezien. Daarbij merkt het Hof op dat ook in zoverre de positie van een accountant die een rapport opstelt na een door hem verricht persoonsgericht onderzoek, anders is dan die van veel partijdeskundigen. Die laatsten zijn namelijk in beginsel niet gehouden gelegenheid te bieden tot wederhoor, aldus het Hof.
- b) dat gesteld noch gebleken is dat [verweerder] op het rapport is afgegaan;
- c) dat EY gesteld heeft dat [verweerder] gedurende veel meer dan 6 uur gelegenheid heeft gehad om het concept rapport te bestuderen;
onder (a)genoemde omstandigheid niet te betrekken in zijn oordeel, omdat het zijn van registeraccountant geen noodzakelijke voorwaarde is voor het aannemen van een zorgplicht jegens een derde (zie hiervoor onder 3.4-3.17). De
onder (b)genoemde omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat [verweerder] op het rapport is afgegaan is evenmin relevant. Van een zorgplicht jegens derden kan ook sprake zijn in gevallen waarin de derde niet heeft vertrouwd op de van de accountant afkomstige rapportage, maar voorzienbaar is dat een derde schade zal leiden als de door de accountant opgestelde rapportage onjuist is. De stelling
onder (c)dat [verweerder] gedurende veel meer dan 6 uur gelegenheid heeft gehad om het conceptrapport te bestuderen, heeft betrekking op de wijze waarop EY invulling heeft gegeven aan haar zorgplicht jegens [verweerder] en niet op het bestaan en de reikwijdte daarvan. Het Hof behoefde die stelling dan ook niet te betrekken bij zijn meer algemene oordeel over de aan te leggen toetsingsmaatstaf. Met betrekking tot de
onder (d)vermelde stelling geldt dat het Hof in rov. 2.14-2.16 heeft beslist dat aan [verweerder] een onvolkomen gelegenheid voor wederhoor is geboden. Daarbij heeft het Hof overwogen dat art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn meebrengt dat de geboden wederhoor voldoende moet zijn om het eindrapport van EY evenwichtig te maken en dat het daarbij dus niet gaat om de vraag in hoeverre voorzienbaar was dat [verweerder] in de gerechtelijke procedure(s) die op het definitieve rapport zouden volgen voldoende gelegenheid voor wederhoor zou worden geboden (2.16, zie ook rov. 2.8). De stelling
onder (e)dat het GEA in de ontbindingsbeschikking van 14 september 2010 heeft overwogen dat [verweerder] het rapport van EY niet concreet heeft weersproken, is om dezelfde reden niet relevant voor de beantwoording van de vraag tot welke mate van zorg EY jegens [verweerder] gehouden was bij het opstellen van dat eindrapport. Ook de kwalificatie van dat rapport door het GEA als een partijrapport waaraan vrije bewijskracht toekomt, zoals gesteld
onder (f),maakt niet dat het Hof, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden van het geval en de positie van de accountant in het rechtsverkeer, niet tot een ander oordeel kon komen over de status en betekenis van dat accountantsrapport.
onder 19-34) bevat een groot aantal klachten tegen de rov. 2.6-2.9 en rov. 2.14-2.16 van het vonnis waarin het Hof ingaat op de betekenis van de Gedragsrichtlijn, een interpretatie geeft aan bepalingen uit die richtlijn en deze toepast op het onderhavige geval. In de bestreden overwegingen zegt het Hof het volgende:
Wederhoor: mogelijk door middel van conceptrapportage
onder 19-21) dat het Hof met zijn oordelen in de rov. 2.6-2.9 en 2.14 een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Volgens EY heeft [verweerder] zich immers noch in eerste aanleg noch in hoger beroep concreet en gemotiveerd op het standpunt gesteld dat EY de bepalingen van de Gedragsrichtlijn had geschonden en is noch de betekenis van deze bepalingen noch de toepassing daarvan op de onderhavige casus onderwerp geweest van het partijdebat. [47] EY stelt verder dat [verweerder] in geen geval de stelling heeft betrokken dat de artikelen 13.1-13.3 in verband met art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn met zich brachten dat EY in dit concrete geval niet kon volstaan met ter inzage geven, maar vanwege die bepalingen een kopie van het conceptrapport aan [verweerder] had moeten verstrekken. EY merkt daarnaast op dat het Hof de inhoud en toepassing van die bepalingen evenmin ter gelegenheid van het pleidooi aan de orde heeft gesteld en dat het Hof aldus het beginsel van hoor en wederhoor en de eisen van een behoorlijke rechtspleging heeft geschonden, alsmede het bepaalde in art. 128 lid 1 Rv Pro-Aruba. In dat verband wordt er door EY nog op gewezen dat het Hof in rov. 2.14 op grond van zijn interpretatie van de Gedragsrichtlijn tot het oordeel komt dat EY het conceptrapport aan [verweerder] had dienen te verstrekken en niet kon volstaan met het ter inzage geven van het conceptrapport, zulks terwijl de klachten van [verweerder] erop neerkwamen dat EY hetzij het rapport had dienen te verstrekken, hetzij [verweerder] meer tijd had moeten geven om het rapport te bestuderen [48] , zulks terwijl EY had bestreden dat [verweerder] onvoldoende tijd was gegeven om het conceptrapport te bestuderen en bewijs had aangeboden dat zij [verweerder] voldoende gelegenheid tot hoor en wederhoor had gegeven. [49] EY stelt verder dat het voorgaande evenzeer zou gelden indien de Gedragsrichtlijn opgevat zou moeten worden als recht in de zin van art. 52 Rv Pro-Aruba. [50]
in het belang van de geheimhouding van de rapportage”. [57] Hiermee was dus duidelijk
daten
waarom[verweerder] van mening was dat EY dit fundamentele beginsel had geschonden. Dat het Hof vervolgens – mede gelet op het verweer van EY dat zij conform de Gedragsrichtlijn heeft gehandeld – de artikelen 13.1-13.3 van de Gedragsrichtlijn in verband met 3.1 van die richtlijn heeft geïnterpreteerd en in rov. 2.14 heeft toegepast om te beoordelen of EY – met het gedurende zes uur ter inzage geven van het rapport en het niet toezenden van (een kopie) van (delen van) het rapport “
in het belang van de geheimhouding” – de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend accountant mag worden verwacht, is dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk. Daarbij is nog op te merken dat EY het bepaalde in art. 13.1 van de Gedragsrichtlijn (wel) expliciet heeft genoemd in haar conclusie van antwoord. [58] In het licht van het hiervoor geschetste partijdebat is het evenmin onjuist of onbegrijpelijk dat het Hof op grond van zijn interpretatie van de Gedragsrichtlijn tot het oordeel is gekomen dat EY het conceptrapport aan [verweerder] had moeten verstrekken. [verweerder] heeft immers gesteld dat EY het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door te weigeren haar (een kopie van) het conceptrapport toe te zenden of mee te geven. [59] EY is nadrukkelijk op die stelling ingegaan, door aan te voeren dat zij het conceptrapport niet wilde verstrekken “
in het belang van de geheimhouding”. [60]
onder 22-23) dat het Hof in rov. 2.6 ten onrechte en zonder deugdelijke motivering heeft geoordeeld dat het concordantiebeginsel meebrengt dat, kort gezegd, de Gedragsrichtlijn van overeenkomstige toepassing is in Aruba en daarmee impliciet dat deze van toepassing is op de accountants van EY die het rapport hebben opgesteld. EY betoogt dat nu Aruba – in tegenstelling tot Nederland – geen eigen, geschreven gedragsregels kent, er op grond van art. 39 lid 1 Statuut Pro voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut) niets te concorderen valt. Het concordantiebeginsel brengt volgens EY in ieder geval niet met zich dat door Nederlandse beroepsorganisaties ontwikkelde regels van toepassing zijn in Aruba, zeker niet nu in Aruba, anders dan in Nederland, geen publiekrechtelijke beroepsorganisatie voor accountants bestaat met verordenende bevoegdheid.
de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht” – bij gebrek aan eigen, geschreven gedragsnormen voor accountants in Aruba – dient te worden gekeken naar de in Nederland ontwikkelde gedragsnormen (vgl. ook rov. 2.5). Daarbij is nog op te merken dat het Hof dit in zoverre heeft genuanceerd, dat overwogen is dat de kleinschaligheid en andere bijzonderheden van de Arubaanse samenleving bijzondere feitelijkheden kunnen meebrengen die van belang kunnen zijn bij de invulling van die normen (rov. 2.6, slot). Aldus heeft het Hof de Arubaanse rechter(s) kennelijk enerzijds houvast willen bieden bij de invulling van de zorgplicht van de accountant (jegens derden) en hen anderzijds voldoende ruimte willen laten om bij die invulling rekening te houden met eventuele afwijkende maatschappelijke opvattingen in Aruba. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste toepassing van het concordantiebeginsel en is evenmin onbegrijpelijk. Overigens valt hierbij nog op te merken dat EY in eerste aanleg zelf heeft gesteld dat in Aruba in de praktijk aansluiting wordt gezocht bij de wet- en regelgeving zoals die in Nederland van toepassing is op de beroepsuitoefening van accountant, alsmede dat zij in dit geval aansluiting heeft gezocht bij de Gedragsrichtlijn. [63]
gebondenzijn. Deze lezing van rov. 2.6 lijkt mij – zoals hiervoor vermeld – niet de juiste, zodat de klachten van EY falen. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of de Gedragsrichtlijn dient te worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 lid 1 RO Pro en/of art. 25 Rv Pro en art. 52 Rv Pro-Aruba.
op de rand van het contract tussen EY en FLPD” bevond. Dit brengt volgens het Hof mee dat EY ook jegens [verweerder] gehouden was om te handelen in overeenstemming met de Gedragsrichtlijn, althans voor zover deze regels (mede) strekken tot bescherming tegen schade zoals [verweerder] stelt te hebben geleden. De hiervoor genoemde overwegingen van het Hof in rov. 2.6-2.7 kunnen zijn (impliciete) oordeel dat voor de beantwoording van de vraag of EY in dit geval jegens [verweerder] de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht (mede) dient te worden gekeken naar het bepaalde de Gedragsrichtlijn, zelfstandig dragen. Een eventuele gegrondbevinding van de klachten met betrekking tot het concordantiebeginsel kan dus niet tot cassatie leiden.
onder 24) dat de overweging van het Hof in rov. 2.7 dat [verweerder] van EY mocht verwachten dat zij de regels van de Gedragsrichtlijn in acht zou nemen, onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is, faalt.
op de rand van het contract tussen EY en FLPD bevond” en dat hij daarom redelijkerwijs mocht verwachten dat EY zich aan de Gedragsrichtlijn zou houden. Anders dan EY betoogt, heeft het Hof dus niet geoordeeld dat [verweerder] daadwerkelijk, subjectief, erop heeft vertrouwd dat EY de regels van de Gedragsrichtlijn in acht zou nemen.
onder 25) dat het Hof in rov. 2.8 (p. 6, laatste alinea) een onjuiste, althans onvoldoende toereikend gemotiveerde interpretatie van art. 13.2 van de Gedragsrichtlijn heeft gegeven. EY voert daartoe aan dat het Hof in rov. 2.8 heeft overwogen dat uit art. 13.2 van de Gedragsrichtlijn blijkt dat de keuze voor ter inzageverstrekking slechts gemaakt kan worden indien het belang bij geheimhouding in redelijke verhouding staat tot het belang dat de betrokkene heeft bij toezending. Volgens EY bepaalt het net daarvoor door het Hof geciteerde art. 13.2 van de Gedragsrichtlijn echter dat de accountant een keuze maakt voor één van de werkwijzen die in redelijke verhouding staat tot het belang bij geheimhouding van de rapportage, alsmede tot de omvang en de strekking van de rapportage. De bepaling houdt volgens EY dus in dat de accountant een discretionaire bevoegdheid heeft en in dat verband diverse belangen in zijn oordeel betrekt.
onder 26) tegen de overweging in rov. 2.9 dat het GEA een andere toetsingsmaatstaf heeft aangelegd en dat grief II in zoverre gegrond is, faalt. Uit rov. 2.9, gelezen in samenhang met rov. 2.5-2.8, blijkt duidelijk dat het Hof met deze overweging heeft bedoeld dat het GEA ten onrechte niet de in rov. 2.5 vermelde (striktere) maatstaf heeft gehanteerd, te weten of een accountant als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Zoals hiervoor vermeld, is het Hof gelet op de omstandigheden van het geval tot het oordeel gekomen dat deze (striktere) maatstaf dient te worden aangelegd bij de beoordeling of EY bij het verrichten van het persoonsgericht onderzoek onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder] . Het Hof heeft deze maatstaf vervolgens nader ingevuld aan de hand van de voor accountants geldende fundamentele beginselen en (een interpretatie van) de regels in de Gedragsrichtlijn (rov. 2.8). Met het oordeel in rov. 2.9 dat grief II
in zoverregegrond is, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat slechts het deel van grief II dat betrekking heeft op de door het GEA gehanteerde maatstaf (zie de memorie van grieven p. 9, eerste alinea en tweede alinea (eerste drie volzinnen)) gegrond is en dat de grief voor het overige (zie de memorie van grieven, p. 10, tweede alinea vanaf de vierde volzin en p. 10) geen zelfstandige betekenis heeft naast de andere door [verweerder] aangevoerde grieven. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Zo wordt de onder grief II vermelde schending van hoor en wederhoor (zie memorie van grieven, p. 10) ook al door grief III aan de orde gesteld en in dat kader door het Hof besproken (zie rov. 2.10-2.16).
onder 27) dat het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door in rov. 2.14, eerste volzin, ambtshalve op te merken dat “
de stelling van EY dat de keuze[voor terinzageverstrekking – A-G]
in samenspraak met het bestuur van FLPD is gemaakt, op enigszins gespannen voet staat met het voorschrift in art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn dat de accountant zelfstandig de onderzoekstappen vaststelt”, faalt wegens gebrek aan belang. Uit het vonnis blijkt immers niet dat het Hof aan deze ambtshalve opmerking ook enige voor EY nadelige consequentie heeft verbonden. Hetzelfde geldt voor de klacht dat onbegrijpelijk is, althans ongemotiveerd, waarom de betreffende stelling van EY volgens het Hof op gespannen voet staat met art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn.
onder 28) is gericht tegen de overweging van het Hof in rov. 2.14, derde en vierde volzin, dat ook bij toezending van de conceptrapportage in zekere zin tegemoet wordt gekomen aan het belang van geheimhouding, omdat art. 13.2 (slot) van de Gedragsrichtlijn voorschrijft “
dat aan de ontvanger schriftelijk wordt bericht dat verspreiding van de conceptrapportage niet is toegestaan”. EY klaagt dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is hoe aldus aan het belang van geheimhouding tegemoetgekomen zou worden. Volgens EY blijkt immers niet dat [verweerder] gehouden zou zijn om dit verspreidings“
verbod” op te volgen en wordt hij ook niet door de Gedragsrichtlijn gebonden.
onder 29) dat ook ontoereikend gemotiveerd is de overweging in rov. 2.14, vijfde volzin: “
Dat het belang van de geheimhouding ook voor EY kennelijk niet zeer zwaar woog, volgt uit de omstandigheid dat het [verweerder] uiteindelijk wel werd toegestaan de voor wederhoor geboden tijd te gebruiken om delen van de conceptrapportage over te schrijven (en zijn aantekeningen mee te nemen).” EY voert aan dat het mogen maken en meenemen van aantekeningen iets geheel anders is dan het ter beschikking stellen van een kopie van de conceptrapportage.
onder 30)tegen de overweging van het Hof in rov. 2.14, tiende volzin, dat indien [verweerder] de relevante delen van het conceptrapport niet zou mogen meenemen om nader te bestuderen en met een advocaat of accountant of andere deskundige te bespreken, hem dat, naar voorzienbaar was, in niet geringe mate zou beperken in zijn mogelijkheden om een adequate reactie te geven. EY klaagt dat deze overweging onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheid dat EY het (definitieve) rapport op 9 juli 2010 aan [verweerder] heeft gestuurd en hij tot en met de zitting in de ontbindingsprocedure op 2 september 2010 geen concreet verweer tegen het rapport heeft gevoerd, zoals het GEA heeft vastgesteld in zijn ontbindingsbeschikking [64] en in deze procedure niet bestreden is. Gelet op deze omstandigheid heeft het Hof volgens EY onvoldoende gemotiveerd waarom [verweerder] in de veel kortere periode die beschikbaar zou zijn geweest voor commentaar op het concept indien hij wel een kopie van het concept had ontvangen, wel in staat zou zijn geweest een adequate reactie te geven.
eindrapportage een evenwichtig beeld moet geven (zie rov. 2.8, 2.14 (slot), 2.15-2.16). Het Hof heeft in rov. 2.14 dan ook uitsluitend beoordeeld of de keuze van EY om te weigeren de delen van het
conceptrapport aan [verweerder] toe te zenden kon worden gerechtvaardigd in het licht van het bepaalde in art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn. Zoals ook blijkt uit rov. 2.16, heeft het Hof daarbij niet van belang geacht in hoeverre voorzienbaar was dat [verweerder] in de gerechtelijke procedure(s) die op het definitieve rapport zou(den) volgen, (alsnog) voldoende gelegenheid voor wederhoor zou worden geboden en – zo ligt voldoende kenbaar in het oordeel van het Hof besloten – of [verweerder] in die gerechtelijke procedure(s) al dan niet een concreet verweer tegen dat
eindrapport heeft gevoerd. Dat het hof dit laatste niet van belang heeft geacht, is ook niet onbegrijpelijk, omdat de ter beoordeling voorliggende vraag of EY bij de uitoefening van haar werkzaamheden de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht door (onder meer) [verweerder] in de gelegenheid te stellen een adequate reactie te geven op de
conceptrapportage, moet worden onderscheiden van de vraag of [verweerder] in de daarop volgende gerechtelijke procedure gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om op de
eindrapportage te reageren. Het “station” van het voldoende gelegenheid bieden voor wederhoor op de
conceptrapportage (om tot een evenwichtige eindrapportage te komen) is dan immers al gepasseerd. Het oordeel van het Hof dat voorzienbaar was dat het niet mogen meenemen van de relevante delen van het
conceptrapport, [verweerder] in niet geringe mate zou beperken in zijn mogelijkheden een adequate reactie te geven, is verweven met waarderingen van feitelijke aard – waaronder een afweging van het belang bij geheimhouding en de omvang en strekking van de conceptrapportage – en niet onbegrijpelijk.
onder 31) tegen de conclusie van het Hof in rov. 2.14 (slot) en rov. 2.15 dat de keuze van EY om te weigeren de delen van het conceptrapport toe te zenden of mee te geven aan [verweerder] niet gerechtvaardigd was in het licht van het voorschrift van artikel 3.1. van de Gedragsrichtlijn behoeven – gelet op het voorgaande – geen afzonderlijke bespreking.
onder 32) dat de beslissing van het Hof dat de keuze van EY om te weigeren de delen van het conceptrapport toe te zenden of mee te geven aan [verweerder] niet gerechtvaardigd was (rov. 2.14, slot), óók onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk en in strijd met het recht is, indien de Gedragsrichtlijn buiten beschouwing wordt gelaten, aangezien:
omvangrijk deel van een conceptrapport”, terwijl een rapport van uiteindelijk – 86 bladzijden (het concept was 70 bladzijden) [65] zich niet snel als omvangrijk laat kenschetsen;
onder a)vermelde omstandigheid is op te merken dat de kwalificatie van de delen van het conceptrapport die aan [verweerder] ter inzage zijn verstrekt, – volgens [verweerder] in totaal 70 pagina’s (zie rov. 2.1.4) – als een “
omvangrijk deel van het conceptrapport” (rov. 2.14), bij uitstek een oordeel betreft dat is voorbehouden aan het Hof als feitenrechter. Onbegrijpelijk is dit oordeel niet. Met betrekking tot de
onder b) en c)vermelde omstandigheden is op te merken dat het Hof in rov. 2.15 heeft geageerd op de stelling van EY dat zij veel meer gelegenheid (dan zes uur) heeft geboden aan [verweerder] om het conceptrapport (en de bijlagen) in te zien. Het Hof heeft daarover het volgende overwogen “
Ook indien [verweerder] in de gelegenheid is gesteld om terug te komen om het conceptrapport en de bijlagen opnieuw in te zien, doet dat aan voornoemd oordeel niet af. Weliswaar biedt dat een en ander aan [verweerder] een ruimere gelegenheid om commentaar op het conceptrapport voor te bereiden, maar het blijft zo dat [verweerder] het conceptrapport niet toegezonden kreeg en niet mocht meenemen en dat deze keuze van EY niet gerechtvaardigd is in het licht van het voorschrift van art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn.” Ook indien de Gedragsrichtlijn buiten beschouwing wordt gelaten, is deze overweging van het Hof niet onjuist of onbegrijpelijk. De bepaling in art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn vormt immers een uitwerking van het voor accountants geldende fundamentele beginsel van objectiviteit (vgl. rov. 2.7-2.8). Dat beginsel brengt in dit geval mee dat het eindrapport evenwichtig moet zijn. Of, zoals het in de tuchtrechtspraak is verwoord, op een deugdelijke grondslag moet berusten (zie hiervoor onder 3.15). Om dat doel te bereiken moet aan degene die onderwerp is (geweest) van het persoonsgericht onderzoek voldoende gelegenheid worden geboden om op het conceptrapport te reageren. Volgens het hof brengt een afweging van de betrokken belangen in dit geval mee dat EY redelijkerwijs niet mocht weigeren de delen van het conceptrapport toe te zenden of mee te geven aan [verweerder] . Tot slot geldt dat ook de
onder d)vermelde omstandigheid dat er geen regel is die in zijn algemeenheid of voor dit specifieke geval voorschrijft dat slechts aan het vereiste van hoor en wederhoor kan worden voldaan door degene die onderwerp is van het onderzoek een afschrift te verstrekken van het conceptrapport, niet maakt dat het oordeel van het Hof in rov. 2.14 onjuist of onbegrijpelijk is. Het Hof heeft dit uitgangspunt immers niet miskend, maar de verschillende belangen (geheimhouding, omvang, inhoud, strekking en voorzienbare gevolgen van het rapport) tegen elkaar afgewogen en op grond daarvan geoordeeld dat EY in dit geval de delen van het conceptrapport aan [verweerder] had moeten toezenden of meegeven.
onder 33) dat het Hof in rov. 2.15 ten onrechte haar bewijsaanbod, zoals opgenomen in de conclusie van dupliek onder 8, heeft gepasseerd wegens onvoldoende belang, althans dat het Hof dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
onder 34) dat het oordeel in rov. 2.16 dat art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn meebrengt dat het geboden wederhoor voldoende moet zijn om het rapport van EY evenwichtig te maken, geen stand kan houden, omdat [verweerder] zich niet voldoende concreet op art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn heeft beroepen. Verder wordt door EY geklaagd dat ook onjuist, althans onbegrijpelijk is de overweging “
en gaat het dus niet om de vraag in hoeverre voorzienbaar was dat [verweerder] in de gerechtelijke procedure(s) die op het definitieve rapport zou(den) volgen, voldoende gelegenheid voor wederhoor zou worden geboden.” Volgens EY had het Hof bij zijn beoordeling de omstandigheid moeten betrekken dat [verweerder] nadat het definitieve rapport aan hem was verstrekt nog voldoende gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren en zijn verweer in de ontbindingsprocedure voor te bereiden, alsmede dat hij in die procedure uitstel van de mondelinge behandeling had kunnen vragen en gelegenheid heeft gehad om opheldering over openstaande vragen of ontbrekende stukken te verzoeken. [70]
in die faseeen deskundige in te schakelen om zijn reactie op het conceptrapport gewicht te geven. [71] Volgens [verweerder] heeft dit tot gevolg gehad dat de schriftelijke reactie die hij, in de korte tijd die hem gegund was, op het conceptrapport heeft gegeven “
niet van voldoende gewicht werd bevonden door E&Y om het rapport aan te passen c.q. bij te stellen althans door E&Y als “escape” werd gebruikt om het rapport niet aan te hoeven passen c.q. bij te stellen.” [72] Gelet op deze stellingen van [verweerder] , alsmede het door EY in eerste aanleg gevoerde verweer dat zij haar werkzaamheden heeft uitgevoerd conform de Gedragsrichtlijn, is de overweging van het Hof dat art. 3.1 van de Gedragsrichtlijn meebrengt dat het geboden wederhoor voldoende moet zijn om het eindrapport evenwichtig te maken niet onjuist of onbegrijpelijk.
definitieverapport in een gerechtelijke procedure kan om die reden niet worden gelijkgesteld met de door de accountant geboden gelegenheid tot het geven van een adequate reactie op het
conceptrapport, zo ligt in ’s Hofs oordeel besloten. Gelet op het voorgaande, is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het Hof niet in zijn oordeel heeft betrokken dat [verweerder] na toezending van het
definitieverapport (op 9 juli 2010) nog gelegenheid had om daarop te reageren. De klachten van EY tegen rov. 2.16 falen dan ook.
definitiefrapport in een gerechtelijke procedure niet kan worden gelijkgesteld met de gelegenheid tot het geven van een adequate reactie op een
conceptrapport, is overigens ook terug te vinden in de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Te wijzen is op de zaak
Mantovanelli v. France. [73] In die zaak klaagde het echtpaar Mantovanelli (hierna: de klagers) dat hun recht op een ‘fair hearing’ als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was geschonden. Zij voerden daartoe aan dat zij – in strijd met een nationale bepaling – niet op de hoogte waren gesteld van de data waarop de door de administratieve rechter benoemde (medisch) deskundige getuigen zou gaan horen. Ook zou de deskundige in zijn rapport hebben gerefereerd aan documenten die zij niet vooraf hadden kunnen inzien. Aldus hadden zij naar eigen zeggen geen gelegenheid gehad om onderzoek te doen naar de personen die bewijs hebben geleverd aan de deskundige. Ook zouden zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun commentaar te geven op de door de deskundige onderzochte documenten en het getuigenbewijs en evenmin om de deskundige te vragen aanvullend onderzoek te doen. De klagers hebben daarbij echter niet bestreden dat zij het deskundigenrapport
nadienwel hebben ontvangen en dat zij daartegen
in rechteverweer hadden kunnen voeren.
voordathet rapport aan het gerecht was verzonden. Nu de klagers niet in de gelegenheid waren gesteld om effectief te reageren op het rapport kwam het EHRM tot het oordeel dat art. 6 EVRM Pro is geschonden.
Een accountantsrapport behoeft naar maatstaven ter beoordeling van de beroepsaansprakelijkheid jegens derden niet foutloos te zijn in de zin dat er geen enkele onjuistheid in zou mogen staan. Nog minder geldt dat er geen enkele onduidelijkheid in zou mogen staan. Een deel van de klachten van [verweerder] gaat niet op en de overige klachten acht het Hof (voor zover thans gebleken, zie rov. 2.71 hierna) minder ernstig dan [verweerder] . Er zijn diverse passages die onjuist of onduidelijk zijn, of duidelijker hadden kunnen zijn, en die ten nadele van [verweerder] werken. Indien meer hoor en wederhoor was toegepast, waren deze waarschijnlijk ten dele en mogelijkerwijs geheel gecorrigeerd, respectievelijk verduidelijkt geweest voordat het eindrapport zou zijn vastgesteld. Al met al is sprake van een combinatie van een onvolkomen wijze van het toepassen van wederhoor, enige onjuistheden in het eindrapport en enige onduidelijkheden in het eindrapport. Deze combinatie van factoren leidt ertoe dat uit het eindrapport een negatiever totaalbeeld van [verweerder] kan ontstaan dan gerechtvaardigd wordt door de feiten. EY heeft onvoldoende zorg betracht om die ongewenste situatie te vermijden. Daarom komt het Hof tot de slotsom dat EY zich schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad jegens [verweerder] doordat zij een rapport heeft uitgebracht dat niet voldoet aan hetgeen [verweerder] van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam accountantsbureau mocht verwachten in het kader van een zorgvuldige uitoefening van de taak om een persoonsgericht rapport uit te brengen aan het bestuur van FLPD.”
onder 35-37) bevat motiveringsklachten tegen de overweging in rov. 2.69, vierde volzin, dat indien meer hoor en wederhoor was toegepast de passages in het rapport die onjuist of onduidelijk zijn, of duidelijker hadden kunnen zijn, en die ten nadele van [verweerder] werken, waarschijnlijk ten dele en mogelijkerwijs geheel gecorrigeerd, respectievelijk verduidelijkt waren geweest voordat het eindrapport zou zijn vastgesteld. EY klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Volgens EY is het in het licht van de omstandigheden dat (i) [verweerder] in het kader van de ontbindingsprocedure geen concrete bezwaren heeft aangevoerd tegen het definitieve rapport en (ii) hij in zijn schriftelijke reactie op het conceptrapport evenmin is ingegaan op de door het Hof in rov. 2.17-2.67 vastgestelde onjuistheden en onduidelijkheden, niet aannemelijk dat indien [verweerder] (wèl) een afschrift van het conceptrapport had ontvangen, althans meer hoor en wederhoor was toegepast, hij wèl zodanig commentaar had gegeven dat de litigieuze passages in het rapport waarschijnlijk ten dele en mogelijkerwijs geheel gecorrigeerd respectievelijk verduidelijkt geweest waren voordat het eindrapport was vastgesteld.
de mogelijkheid van schade aannemelijk is”, zo blijkt uit rov. 2.70 (zie hierover nader onder 3.75 e.v. bij de bespreking van
onderdeel 4). De overweging van het Hof in rov. 2.69 dat indien meer hoor en wederhoor was toegepast, de in rov. 2.17-2.67 door het Hof vastgestelde onjuist- en onduidelijkheden waarschijnlijk ten dele en mogelijkerwijs geheel gecorrigeerd, respectievelijk verduidelijkt zouden zijn geweest voordat het eindrapport zou zijn vastgesteld, dient in dat licht te worden gelezen. Dit geldt ook voor de overweging in rov. 2.69. dat door de combinatie van een onvolkomen wijze van het toepassen van wederhoor, enige onjuistheden en enige onduidelijkheden uit het eindrapport een negatiever totaalbeeld van [verweerder] kan ontstaan dan gerechtvaardigd wordt door de feiten. In deze oordelen ligt niet méér besloten dan dat het niet zonneklaar is dat de combinatie van het niet verstrekken van een afschrift van het conceptrapport aan [verweerder] en de vastgestelde onjuist- en onduidelijkheden in het rapport
onmogelijktot enige schade voor [verweerder] kan hebben geleid (of zal kunnen leiden), in welk geval het Hof de gevorderde verklaring voor recht had moeten afwijzen wegens onvoldoende belang (art. 3:303 BW Pro).
onder 37geformuleerde motiveringsklacht – en de daar genoemde omstandigheden – hebben betrekking op de vraag wat er zou zijn gebeurd in het hypothetische geval dat het EY wel een afschrift van het conceptrapport aan [verweerder] zou hebben verstrekt. Zoals het Hof in rov. 2.70 heeft overwogen, kan die vraag in een schadestaatprocedure nog aan de orde komen in het kader van causaal verband tussen onrechtmatige daad en de schade en in het kader van de omvang van de schade.
onder 38-41) bevat in de eerste plaats op de onderdelen 1, 2 en 3a voortbouwende klachten tegen het vervolg van rov. 2.69. Nu die (sub)onderdelen geen doel treffen, dienen ook de daarop voortbouwende klachten te falen.
Deze suggereren dat [verweerder] dienstreizen heeft gemaakt die hij niet tijdig heeft aangevraagd, dat hij in strijd met een reeds genomen bestuursbesluit eigen declaraties heeft geaccordeerd en dat hij hogere daggeldvergoedingen heeft ontvangen dan waarop hij overeenkomstig een bestuursbesluit recht had, zonder dat duidelijk is in hoeverre dit juist is.” Er is dus wel enig verband tussen de door het Hof vastgestelde onjuist- en onduidelijkheden in het rapport van EY en de grondslag van de ontbindingsbeschikking van het GEA.
onder 41) klaagt EY dat het oordeel in rov. 2.69 dat uit het eindrapport een negatiever beeld van [verweerder] kan ontstaan dan gerechtvaardigd wordt door de feiten onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is. Voor zover deze klacht voortbouwt op de voorgaande klachten faalt deze. Verder is voldoende duidelijk dat het Hof met “de feiten” doelt op hetgeen op grond van het rapport van EY ‘feitelijk’ over het handelen en/of nalaten van [verweerder] is komen vast te staan, waarbij de in rov. 2.17-2.67 geconstateerde onjuist- en onduidelijkheden worden weggedacht. Ook de daarop gerichte motiveringsklacht faalt dus.
onder 42) bevat de klacht dat het Hof met zijn ambtshalve opmerking in rov. 2.40 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
Uit nader onderzoek is gebleken dat deze kleine groep leveranciers met name bestaat uit familie en vrienden.” [77] Volgens [verweerder] vormt deze zin een impliciete verwijzing naar een campagneslogan van de politieke partij AVP en geeft deze daarmee blijk van een politieke beïnvloeding van EY (vgl. rov. 3.39). Het Hof verwerpt dit betoog van [verweerder] met onder meer de volgende overweging: “(…)
De enkele omstandigheid dat EY in een brief spreektvan “
familie en vrienden”, maakt niet dat EY onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld, ook niet indien dit een impliciete verwijzing zou zijn naar een campagneslogan van de politieke partij AVP, hetgeen het Hof in het midden laat.” (rov. 2.40). Vervolgens merkt het Hof ambtshalve nog op dat de verzending van die brief in strijd is met de in de opdrachtbevestiging van 20 januari 2010 gedane mededeling aan het bestuur van FLPD, dat indien de werkzaamheden leiden tot een (impliciet) oordeel over de gedragingen van [verweerder] , EY de relevante feitelijkheden in haar conceptrapport aan [verweerder] zou voorleggen voordat zij daarover mededelingen zou doen aan het bestuur van FLPD, en daarmee in strijd is met art. 13.1 van de Gedragsrichtlijn.
ten overvloedeover (nog) een ‘fout’ van EY met betrekking tot het toepassen van hoor en wederhoor.
Thans staat niet ter beoordeling of voornoemde onrechtmatige daad schade voor [verweerder] heeft veroorzaakt. Voor toewijzing van de vordering is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat is het geval, want voorgaande oordelen van het Hof werpen een ander licht op de rov. 5.9 en 5.10 van de ontbindingsbeschikking van 14 september 2010, die dragend zijn voor de bij die beschikking gegeven beslissing om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding. Voor het overige oordeelt het Hof thans niet over de vraag of [verweerder] in het hypothetische geval dat het rapport wel aan de zorgvuldigheidsnorm zou hebben voldaan, ook zou zijn ontslagen (met of zonder ontslagvergoeding). Dat kan in een schadestaatprocedure aan de orde komen in het kader van het causaal verband tussen onrechtmatige daad en schade en in het kader van de omvang van de schade.”
AIG-arrest blijkt immers dat indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, de rechter ervan uit dient te gaan dat de eiser daarbij belang heeft als “
de mogelijkheid van schade aannemelijk is”. [79] Dit geldt ook als niet tevens een veroordeling tot schadevergoeding of tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd, zo overweegt de Hoge Raad in datzelfde arrest. [80]
de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden” in dat: [82]
de voorgaande oordelen van het Hof een ander licht [werpen] op de rov. 5.9 en 5.10 van de ontbindingsbeschikking (…), die dragend zijn voor de bij die beschikking gegeven beslissing om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding”. [84] Dit ‘causaliteitsoordeel’ tussen de fout van EY en het door [verweerder] gestelde schadeveroorzakende feit is echter niet gelijk te stellen met de beoordeling van het causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de (verschillende) schade(posten) van [verweerder] . Zoals het Hof in rov. 2.70 heeft overwogen, lag de vraag naar dát causaal verband in deze zaak niet ter beoordeling voor, maar kan deze in een schadestaatprocedure nog aan de orde komen.
de vraag of [verweerder] in het hypothetische geval dat het rapport wel aan de zorgvuldigheidsnorm zou hebben voldaan, ook zou zijn ontslagen (met of zonder ontslagvergoeding).” Het Hof behoefde die omstandigheid dus niet te betrekken in zijn oordeel of “
de mogelijkheid van schade aannemelijk is”.