Conclusie
middelklaagt dat ’s hofs beslissing de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik dan veertien dagen de tijd had om hoger beroep in te stellen en dat ik op 2 december 2016 om 19.46 uur een mail aan de griffie heb verstuurd.
Dat klopt. Dat was op de laatste dag van de beroepstermijn.
Ik ben die dag bij de rechtbank in Maastricht geweest en daar heb ik geprobeerd mijn hoger beroep in te dienen. Dat is niet gelukt, omdat het op een andere vestiging moest gebeuren. Ik heb toen een telefoonnummer van iemand gekregen en toen ik dat nummer had gebeld, kreeg ik een mailadres. Toen ik een computer tot mijn beschikking had, heb ik de mail opgesteld. Er zat alleen geen handtekening bij, waardoor ik het opnieuw in moest dienen. Het klopt dat ik later een brief met een handtekening heb opgestuurd.
NJ2014/231 dat zo een doorzendplicht in elk geval niet bestaat voor een onjuist geadresseerde volmacht aan de griffier, die van de hand van een advocaat komt. Was het schrijven van de verdachte zelf afkomstig, dan wilde de Hoge Raad kennelijk een slag om de arm houden:
a contrario[lijkt] te kunnen worden afgeleid dat dit voor de verdachte weleens anders zou kunnen zijn”. Uit twee uitspraken van de Hoge Raad van 22 september 2015 leid ik af dat deze redenering in zoverre juist is, dat ook na invoering van de “Wet stroomlijnen hoger beroep” een schrijven van de verdachte dat kennelijk was bestemd voor de justitiële instantie waarbij rechtsmiddelen moeten worden aangewend en dat bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uiting van de wens van de verdachte om hoger beroep in te stellen, dient te worden doorgezonden aan de bevoegde instantie. [10] Heeft dat schrijven de niet-bevoegde justitiële instantie tijdig bereikt, dan wordt het hoger beroep geacht tijdig te zijn. [11] Zou de verdachte in de onderhavige zaak zich tijdig
schriftelijktot de rechtbank Maastricht hebben gewend, dan zou deze misslag zich derhalve voor ambtelijk herstel hebben geleend en had de verdachte – uiteindelijk – in zijn hoger beroep kunnen worden ontvangen. Niet gezegd is echter dat deze rechtspraak, die dus uitsluitend ziet op de onjuiste
adresseringvan een bijzondere schriftelijke volmacht aan de griffier op de voet van art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv, zich overeenkomstig laat toepassen op het afleggen van een (beweerde)
mondelingeverklaring als bedoeld in art. 449, eerste lid, Sv op de griffie van de verkeerde rechtbank. [12] Uit de hiervoor aangehaalde overweging van de Hoge Raad is dat in elk geval niet
a contrarioaf te leiden; de slotzin daarvan heeft immers enkel betrekking op de verlening van een volmacht aan een griffiemedewerker.
verklaringvan de verdachte niet gelijkluidend te oordelen als over een aan de verkeerde griffie gericht
schrijvenvan de verdachte. [13] Aflegging van de verklaring ten overstaan van de bevoegde griffie stelt de daartoe bevoegde autoriteit in de gelegenheid onder meer de identiteit van de verschenen persoon vast te stellen en ingevolge art. 408a Sv aan hem direct een oproeping te betekenen. Beide mogelijkheden ontbreken wanneer de verklaring bij een andere griffie wordt afgelegd. Bovendien is de inhoud van deze verklaring niet zomaar een formaliteit; uitleg ervan is essentieel om te bepalen tegen welke uitspraak wordt opgekomen en of de omvang van het beroep al dan niet wordt beperkt. De tot interpretatie van de verklaring bevoegde autoriteit is de griffie van het gerecht waar de bestreden beslissing is genomen. Anders dan bij het doorsturen van een volmacht, bestaat niet de optie om de mondelinge verklaring ‘door te zenden’ aan de bevoegde griffie die deze verklaring dan vervolgens behandelt als ware zij op de eigen griffie afgelegd. Bijgevolg zal de interpretatie van de mondelinge verklaring in zo een geval niet, althans hooguit
de auditu,kunnen geschieden door de daartoe bevoegde autoriteit. Voorts levert de door de steller van het middel gehuldigde rechtsopvatting potentiële bewijsproblemen op. Verklaart de verdachte zich schriftelijk tot de verkeerde instantie te hebben gewend dan zal dat veelal nog kunnen worden achterhaald en geverifieerd, waarbij ook nog op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld op welke dag en tijd dat schrijven door de ten onrechte geadresseerde instantie is ontvangen. Voor een op de verkeerde griffie afgelegde verklaring geldt dit niet. Hier komt bij dat een belangrijke reden om in de rechtspraak voor de volmacht een doorzendplicht te aanvaarden, erin gelegen zal zijn geweest dat ingeval de verdachte via een schriftelijke volmacht hoger beroep instelt niet de mogelijkheid bestaat hem over een door hem verzuimde vorm direct en zonder nadere vertraging te informeren. Verschijnt de verdachte echter persoonlijk bij de verkeerde instantie, dan kan hij van zijn vergissing wél onverwijld in kennis worden gesteld. De griffie van een ander dan het bevoegde gerecht kan in zo een geval ertoe zijn gehouden de verdachte die verschijnt en te kennen geeft een rechtsmiddel te willen instellen juist en volledig te informeren over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij hoger beroep kan instellen, of hem in elk geval door te verwijzen naar de bevoegde griffie. [14] Schiet deze informatievoorziening tekort, dan kan dat er onder omstandigheden toe leiden dat een termijnoverschrijding die daarvan het gevolg is, moet worden geacht verontschuldigbaar te zijn geweest. [15]
NJ2014/108. In de aan die uitspraak ten grondslag liggende zaak had het hof het op de laatste dag van de appeltermijn om 17:06 uur binnengekomen faxbericht aangemerkt als een verklaring dat de verdachte de raadsman had gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep en dat de griffiemedewerker werd gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep. Niettemin werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat het hof er ambtshalve mee bekend was dat de griffie van de rechtbank Haarlem om 17:00 uur sloot. De Hoge Raad overwoog daarover, voor zover hier van belang:
De Hoge Raad merkt op dat de noodzaak tot het trekken van zo een scherpe en vaste grens voortvloeit uit de met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de aanwending van een rechtsmiddel vereiste rechtszekerheid, ook indien in een uitzonderlijk geval als het onderhavige de - op het eerste gezicht wellicht onbillijke - consequentie daarvan is dat een uiterst minieme overschrijding van die grens tot gevolg heeft dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het beroep. Ook in zo een geval geldt derhalve dat dit gevolg daaraan uitsluitend niet kan worden verbonden indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
[…]
2.4. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de griffie van de Rechtbank om 17.00 uur sloot, kan de klacht dat het Hof niet 17.06 uur maar 17.00 uur als tijdstip van ontvangst van de volmacht had moeten aanmerken, niet tot cassatie leiden.”
“Artikel 2. Openingstijden griffiesDe griffies van het gerecht zijn geopend van maandag tot en met vrijdag van 8.30 uur tot 17.00 uur.”
unduly formalisticin de zin van de EHRM-rechtspraak over art. 6 EVRM Pro moet worden beschouwd, is echter verstoken van een (deugdelijke) onderbouwing en onderschrijf ik overigens niet. Niet-ontvankelijkverklaring bij overschrijding van de in art. 408, eerste lid, Sv voorziene termijn – een termijn van orde dus – kan niet (bovenmatig) formalistisch worden genoemd louter doordat het eindtijdstip een aantal uren wordt verschoven.
NJ1997/475, waarin deze het standpunt innam dat de mogelijkheid om na sluiting van de griffie nog rechtsmiddelen per faxbericht aan te kunnen wenden, zou leiden tot bevoordeling van de verdachte die kan beschikken over een faxapparaat boven degene die daarover niet kan beschikken. Ten aanzien van dit argument wordt door de steller van het middel gewezen op de regeling van cassatieschrifturen en ingebracht dat in dat kader thans niet meer zoals voorheen de sluitingstijd van de griffie (de centrale balie) van de Hoge Raad om 16:30 uur als eindtijdstip geldt, [24] maar dat ook nog een daarna per fax ingezonden schriftuur die op de laatst mogelijke dag voor 24:00 uur is begonnen binnen te komen, geacht wordt tijdig te zijn ingediend. [25]
scherpe, maar ook een
vastegrens aan de beroepstermijn te stellen, meen ik dat niet lichtvaardig tot wijziging van deze grens moet worden besloten. [33] De argumenten om de sluitingstijd van de griffie beslissend te achten, hebben weliswaar door de genoemde ontwikkelingen aan overtuigingskracht verloren, maar dat neemt mijns inziens niet weg dat de noodzaak (nog) niet bestaat om de koers op dit punt (nu al) te wijzigen. De huidige jurisprudentielijn is mede vanwege haar als zodanig te koesteren bestendigheid nog voldoende voorzienbaar en stemt nog altijd overeen met de terminologie van het huidige Wetboek van Strafvordering. En wellicht in het huidige tijdgewricht (inmiddels) wat minder vanzelfsprekend dan voorheen, mede gezien de informatie die internet en websites bieden kan en mag van de justitiabele ook nu nog worden verwacht dat hij ermee rekening houdt dat een beperking van de beroepsmogelijkheden is gelegen in de openingstijden van de griffie van het desbetreffende gerecht. In zekere zin zelfs meer dan voorheen zijn die openingstijden voor hem of haar via het internet tamelijk eenvoudig te raadplegen.