Conclusie
Gemeente), onrechtmatig heeft gehandeld jegens verweerster in cassatie, [verweerster] B.V. (hierna:
[verweerster]), doordat de Gemeente de aanbestede opdracht niet heeft gegund aan de combinatie waarvan [verweerster] onderdeel uitmaakte maar aan een inschrijver die volgens [verweerster] had moeten worden uitgesloten. Bodemprocedures waarin schadevergoeding wordt gevorderd naar aanleiding van een verloren aanbesteding zijn betrekkelijk zeldzaam. Zij kunnen ook lang duren, zoals deze zaak illustreert.
ARW 2005) als recht in de zin van art. 79 lid 1 onder Pro b RO is aan te merken. Het belangrijkste inhoudelijke geschilpunt betreft de vraag of de door de winnende inschrijver overgelegde Duitse certificaten, tezamen met de in de toepasselijke Duitse wetgeving voorziene maatregelen, gelijkwaardig zijn aan het bij de aanbesteding voorgeschreven Nederlandse certificaat met betrekking tot het toe te passen veiligheidssysteem, een zogenaamd VCA*-certificaat.
1.Feiten
Combinatie) en Alba Städte- und Industriereinigung Baving GmbH (hierna:
Alba).
het resultaat van VGM op grond van zowel de Nederlandse als de Duitse werkwijze tenminste gelijkwaardig is.” [10] De Gemeente is bij de beoordeling van de inschrijving van Alba op dit rapport afgegaan. [betrokkene 3] , teamleider beheer openbare ruimte van de Gemeente, heeft verklaard: [11]
2.Procesverloop
de rechtbank) en gevorderd om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Snaterse) en D. Tukkers (hierna:
Tukkers) als deskundigen voorgesteld. Na meerdere mislukte pogingen hebben deze beide deskundigen gezamenlijk H. Siegert (hierna:
Siegert) voorgedragen als derde deskundige. Bij inmiddels het vijfde tussenvonnis, van 9 april 2014, heeft de rechtbank deze drie personen als deskundigen benoemd en aan hen diverse instructies gegeven.
het hof) in hoger beroep gekomen van de zes vonnissen van de rechtbank en heeft daartegen zes grieven gericht. [verweerster] heeft verweer gevoerd. Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd. [18] De in cassatie relevante rechtsoverwegingen komen aan de orde bij de bespreking van het cassatiemiddel.
3.Juridisch kader
hoogste niveau van regelgevingzijn de Europese aanbestedingsrichtlijnen. De eerste richtlijn stamt uit 1971 en had betrekking op de aanbesteding van ‘werken’. [19] Begin jaren ’90 zijn afzonderlijke richtlijnen tot stand gekomen voor overheidsopdrachten voor diensten, [20] voor leveringen [21] en voor werken, [22] welke laatste de richtlijn uit 1971 verving. Deze drie richtlijnen zijn bij een herziening in 2004 samengebracht in Richtlijn 2004/18/EG, de “Algemene Richtlijn”, [23] ter onderscheiding van Richtlijn 2004/17/EG, de “Richtlijn nutssectoren”. [24] In 2014 vond opnieuw een herziening en modernisering van de regelgeving plaats: Richtlijn 2014/24/EU verving de Algemene Richtlijn. [25] De onderhavige zaak valt materieel en temporeel onder de
Algemene Richtlijn(hierna:
Richtlijn 2004/18).
het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen”. [26] In de onderhavige zaak wordt de aanbestede opdracht in de gedingstukken aangeduid als “het werk”, maar het betreft hier in juridische zin een aanbesteding van
diensten.
tweede niveau van regelgevingbestaat uit de nationale omzettingsbepalingen in Nederlandse wet- en regelgeving. Aanvankelijk was de omzetting beperkt tot een verwijzing naar de Europese aanbestedingsrichtlijnen en een algemene verplichting voor de aanbestedende diensten die richtlijnen toe te passen. In 1993 kwam de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen tot stand. [27] Die wet bood een grondslag voor het vaststellen van omzettingsmaatregelen bij algemene maatregel van bestuur. In 2005 zijn tot stand gekomen het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (hierna:
Bao), ter implementatie van Richtlijn 2004/18, [28] en het Besluit aanbestedingen speciale sectoren, ter implementatie van de Richtlijn nutssectoren (hierna:
Bass). [29] Ten tijde van de aanbesteding waar deze zaak over gaat, was
het Baovan toepassing.
derde niveau van regelgevingbetreft geen regelgeving in de zin van door of krachtens wetgeving dan wel op grond van een bestuursbevoegdheid vastgestelde verbindende regels. Deze ‘laag’ wordt ook wel aangeduid als “aanvullend beleid”. [33] De aanbestedingsreglementen voor de overheid moeten op dit niveau worden gesitueerd.
UAR). Het UAR was gebaseerd op een gezamenlijke beschikking van de ministers van de ‘bouwministeries’ [35] en had betrekking op opdrachten voor “
de uitvoering van werken op het gebied van de bouwnijverheid”. Toepassing van het UAR 1971 werd op grond van art. 6 van Pro het Besluit aanbesteding van werken (hierna:
Baw) voor de bouwministeries (en daarmee feitelijk voor de Rijksoverheid) verplicht gesteld. [36] Het Baw had een wettelijke basis in art. 33 Comptabiliteitswet Pro 1927, later in art. 43 (na wijziging art. 34 lid Pro 2) Comptabiliteitswet 1976. [37] Het UAR 1971 is vervangen door het UAR 1986, [38] dat vijf jaar later op zijn beurt werd vervangen door het UAR-EG 1991. [39] Ook deze aanbestedingsreglementen steunden op de Compatabiliteistwet. [40]
onderde Europese drempelwaarden. Daarbij geldt echter het ‘pas toe of leg uit’-principe; er kan gemotiveerd van die verplichting worden afgeweken. [45]
in de werkensectorvoor opdrachten beneden de drempels. Het grootste deel van de opdrachten vindt echter plaats op het terrein van leveringen en diensten. (…)
Voor dit terrein is tot dusverre nog geen instrument ter uniformering van de procedures vastgesteld. (…) Harmonisatie zou een vermindering van de lasten tot gevolg hebben (...). Door het uitschrijven van procedures voor leveringen en diensten wordt ook op deze terreinen uniformering en een overzichtelijke aanbestedingspraktijk nagestreefd.
Staat/Hasleruit 1985 het vertrekpunt. [51] In die zaak, die het inkopen door Rijkswaterstaat van een verkeersregelingsinstallatie betrof, [52] was in geschil of het UAR 1971 als ‘recht’ in de zin van (toen) art. 99 RO Pro was aan te merken. De Hoge Raad oordeelde dat dit het geval was:
Vivare/Dura Vermeeruit 2012. Die zaak betrof een door een woningcorporatie gehouden aanbesteding voor werken. De Hoge Raad oordeelde kort en krachtig dat het UAR 2001 als recht in de zin van art. 79 RO Pro moest worden beschouwd: [53]
Staat/Hasler] is geoordeeld dat het daar omstreden UAR 1971 geldt als ‘recht’ in de zin van art. 79 (destijds als 'wet' in de zin van art. 99) RO. Voor de hier te beoordelen UAR 2001, eveneens vanwege de Rijksoverheid van toepassing verklaard op aanbestedingen van werken door de Bouwministeries, valt hetzelfde aan te nemen. Dit valt ook aan te nemen in een geval als het onderhavige, waarin de aanbesteder niet een overheidsinstantie is; althans is er reden voor een uitleg ‘als ware de UAR 2001 recht in de zin van art. 79 RO Pro’. Zulks brengt mee dat de Hoge Raad de door het hof aan art. 25 lid 2 UAR Pro 2001 gegeven uitleg ‘vol’ kan toetsen.”
Gemeente Roermonduit 2009. [57] Die zaak betrof een Europese aanbesteding voor het uitvoeren van werken, waarop de gemeente Roermond het ARW 2005 van toepassing had verklaard. In zijn conclusie merkt A-G Keus op dat “
aangenomen moet worden dat het ARW 2004 – respectievelijk het ARW 2005 – moet worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO Pro, althans voor zover toegepast door de vier ‘bouwministeries’”. [58] De Hoge Raad kwam in zijn arrest aan die kwestie niet toe. Hij gaf in het kader van de behandeling van een motiveringsklacht een uitleg aan een bepaling uit het ARW 2005. [59]
Combinatie/Staatuit 2012 ging het om een door de Staat gehouden Europese aanbesteding voor het uitbaggeren van havens en het afvoeren van baggerspecie, waarop het ARW van toepassing was verklaard. Onder verwijzing naar de zo juist aangehaalde conclusie van A-G Keus merkte A-G Timmerman op [60]
nietals ‘recht’ kunnen worden aangemerkt. Daarbij wordt verwezen naar het arrest
Reco/Staatuit 1989, waarin de Hoge Raad overweegt dat – in tegenstelling tot
Staat/Hasler– er geen sprake was van het dwingend opleggen van een op een wet berustende regeling, maar dat het ging om algemene voorwaarden, die van toepassing waren verklaard bij het sluiten van aannemingsovereenkomsten. [62]
[…] /Hoogheemraadschapuit 2010, waarin met betrekking tot erfpachtvoorwaarden het volgende werd overwogen (cursivering toegevoegd; A-G): [63]
Het gaat hier derhalve niet om – bij besluit van het waterschap vastgestelde – algemeen verbindende voorschriften, noch ook om door het waterschap vastgestelde beleidsregels die haar en haar rechtsopvolgers op grond van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur binden, maar om voorwaarden die hun verbindende kracht telkens slechts ontlenen aan de individuele overeenkomst waarin zij – zoals in het onderhavige geval – zijn opgenomen. Zodanige voorwaarden kunnen niet gelden als ‘recht’ in voormelde zin, ook niet indien een van de partijen bij zulk een overeenkomst steeds de overheid is.”
Scheffers/Gemeente Utrechtuit 1992. Die zaak betrof de Algemene Voorwaarden voor de uitgifte in erfpacht van de gemeente Utrecht. Een rechtsklacht over de uitleg van twee bepalingen uit die voorwaarden strandde om voornoemde redenen op art. 99 RO Pro. [65] A-G Koopmans achtte een doorslaggevend argument om de Utrechtse erfpachtvoorwaarden niet als ‘recht’ te kwalificeren dat dit een onaanvaardbaar groot verschil in behandeling zou doen ontstaan tussen algemene voorwaarden gehanteerd door gemeenten en algemene voorwaarden gehanteerd door particulieren. Volgens A-G Koopmans vormen de algemene voorwaarden “
niet een soort quasi-wetgeving zoals beleidsregels” en hebben zij “
uitsluitend tot doel een model op te leveren voor te sluiten overeenkomsten.” [66]
Scheffers/Gemeente Utrechtlevert Scheltema kritiek op het standpunt van Koopmans. Volgens Scheltema ontlenen algemene voorwaarden van de overheid niet alleen verbindende kracht aan het feit dat zij in een overeenkomst zijn opgenomen, maar ook omdat het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, behoudens bijzondere omstandigheden die tot afwijking dwingen, de overheid verplichten om bij het sluiten van overeenkomsten die algemene voorwaarden op te nemen. Ook zal niet altijd een helder onderscheid kunnen worden gemaakt tussen beleidsregels en door de overheid gehanteerde algemene voorwaarden. Vanuit het oogpunt van rechtseenheid is het wenselijk gemeentelijke algemene voorwaarden als ‘recht’ aan te merken, aldus Scheltema. [67]
Vivare/Dura Vermeer(zie hiervoor, 3.17) het UAR 2001 ongeclausuleerd als ‘recht’ aangemerkt.
nietals ‘recht’ kan worden gekwalificeerd maar moet worden gezien als algemene voorwaarden:
van werkenconform het ARW 2005 handelt. [74]
Rechtseenheid: een parallel met een regeling waarvan wél vaststaat dat zij is aan te merken als recht in de zin van art. 79 RO Pro, zoals het voorbeeld van een niet algemeen verbindend verklaarde CAO die gelijkluidend is aan een wel algemeen verbindend verklaarde CAO of aan een publiekrechtelijke rechtspositieregeling, ontbreekt hier. Daar komt bij dat het Unierecht reeds de rechtseenheid bevordert. Voor aanbestedingen boven de drempelwaarden, zoals de onderhavige, is de procedure geregeld in de Aanbestedingsrichtlijnen (zoals omgezet in nationale regelgeving).
Verbindende kracht: de verplichting het ARW toe te passen kan inderdaad berusten op algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. In de onderhavige zaak vloeit de verbindende kracht van het ARW 2005 als gezegd uitsluitend voort uit het feit dat dit tussen partijen is overeengekomen. Bovendien is het hier de Gemeente (en niet de inschrijver) die zich beroept op schending van het ARW 2005. Algemene beginselen, waar aanbesteders zich aan hebben te houden, strekken niet ter bescherming van de belangen van die aanbesteders zelf.
ArrestVivare/Dura Vermeer: de vraag naar de reikwijdte van art. 79 RO Pro kwam in dat arrest aan de orde in het kader van het incidentele cassatieberoep. Het middel zelf (afgedrukt in de NJ) repte daar niet over. Het lijkt erop dat hierover in cassatie niet of nauwelijks partijdebat heeft plaatsgevonden
.Ik lees de bewuste overweging in het arrest in elk geval niet zo dat de Hoge Raad heeft bedoeld definitief te beslissen op de vraag of het UAR 2001 (en opvolgende aanbestedingsreglementen) als ‘recht’ zijn aan te merken. In de literatuur is dit arrest overigens bekritiseerd. [75]
Regelingen die in de rechtspraak wél als ‘recht’ zijn aangemerkt(zie hiervoor, 3.28): genoemde regelingen hebben gemeen dat zij algemeen geldend zijn en verbindend zijn voor de relevante groep justitiabelen, zonder dat hun instemming is vereist. Dat is een belangrijk verschil met de onderhavige zaak, omdat het ARW 2005 naar aard en inhoud
nietvan toepassing is op een aanbesteding als de onderhavige. Alleen als gevolg van het van toepassing verklaren door de Gemeente in combinatie met de door de inschrijvers gegeven instemming was het ARW hier van toepassing.
Scheffers/Gemeente Utrechten
[…] /Hoogheemraadschapen men ook hier te maken heeft met – door de Gemeente gehanteerde – algemene voorwaarden als bedoeld in art. 6:231 BW Pro. Tot slot wijs ik er in dit verband nog op dat in Nederland aanbestedingsprocedures primair worden beheerst door het privaatrecht, vanuit de overtuiging dat de aanbesteder niet handelt in de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden maar als partij bij een transactie waarbij aanbesteder en inschrijvers op voet van gelijkheid staan. [76]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Poot/ABP-rechtspraak over afgeleide schade [77] eraan in de weg staat dat een individuele vennoot in een v.o.f. voor zichzelf een vordering instelt terzake van schade die voortvloeit uit een onrechtmatig handelen jegens de v.o.f. Anderzijds stelt de Gemeente dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om, zo nodig op grond van art. 25 Rv Pro, te beoordelen of [verweerster] ontvankelijk is en/of haar vordering kan worden toegewezen gelet op het feit dat deze vordering onderdeel vormt van het v.o.f.-vermogen en [verweerster] haar vordering niet heeft ingesteld als vennoot in de v.o.f. (deelgenoot in de gemeenschap) en/of ten behoeve van de v.o.f. (gemeenschap). Aan beide rechtsklachten koppelt de Gemeente een motiveringsklacht.
De vereiste rechtsvorm van de combinatie van ondernemers waaraan de opdracht wordt gegund:
Combinatie [verweerster] B.V. / [A] v.o.f.” en daarbij geen rechtsvorm heeft vermeld. [80] Ook in het plan van aanpak van de Combinatie staat in hoofdstuk 3.0 (“
Organisatie”) niet dat de Combinatie een bepaalde rechtsvorm heeft aangenomen: “
Wegens de omvang van de in het bestek vermelde werkzaamheden, is er gekozen om een samenwerkingsverband aan te gaan tussen de in paragraaf 2.1 en 2.2 vermelde partijen. Er wordt door beide partijen middels een combinatie als één inschrijver[s] ingeschreven.” [81] In de memorie van antwoord heeft [verweerster] gesteld dat de Combinatie “
een ‘gelegenheids-samenwerkingsverband’” is geweest en geen vennootschap. [82] Niets in de stukken wijst er op dat de Combinatie de rechtsvorm van een v.o.f. zou hebben gehad.
in het vennootschappelijk vermogen van de Combinatie”, aldus de Gemeente. [84] Zij heeft in de memorie van grieven echter niet toegelicht wat zij met “
vennootschappelijk vermogen van de Combinatie” bedoelt. Pas tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft zij – zonder nadere toelichting en tussen haken – voor het eerst gesteld dat de Combinatie als vennootschap onder firma moet worden aangemerkt. [85] [verweerster] heeft betoogd dat deze stellingen van de Gemeente tardief en in strijd met de tweeconclusieregel zijn. [86]
7. Verklaring van het hoogste management
subonderdelen 2.1 en 2.2dat conform art. 2.25.3 ARW 2005 (i) de verklaring K, (ii) de staat van verrekenprijzen en (iii) de eigen verklaring dienen te worden ondertekend door “
een bestuurder die de inschrijver ter zake van de inschrijving rechtsgeldig vertegenwoordigt.” [90] Het hof zou dat in rov. 3.7.2 hebben miskend. In
subonderdeel 2.3stelt de Gemeente dat het oordeel van het hof in rov. 3.7.3 met betrekking tot (iv) het inschrijfbiljet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onvoldoende is gemotiveerd door te oordelen (a) dat de inschrijving van de Combinatie niet op grond van art. 2.25.1 ARW 2005 ongeldig is, omdat volgens het hof slechts is vereist dat het inschrijfbiljet is “
ondertekend” en [A] v.o.f. de inschrijving bovendien achteraf ex art. 6:69 BW Pro kon bekrachtigen, (b) dat de art. 2.26.1, 2.14.3 en 2.14.4 ARW 2005, waarin de mogelijkheid tot herstel van een eenvoudig gebrek wordt geboden, analoog kunnen worden toegepast ten aanzien van een gebrek in de vertegenwoordigingsbevoegdheid en (c) dat de inschrijving van de Combinatie niet ongeldig is omdat de Gemeente de inschrijving niet ongeldig heeft verklaard.
althans onvoldoende [is] gemotiveerd.” [92] In de procesinleiding wordt echter niet toegelicht
waaromhet aangevochten oordeel van het hof onvoldoende zou zijn gemotiveerd. De schriftelijke toelichting van de Gemeente bevat op dat punt overigens ook geen toelichting.
gelijkwaardig certificaatvan een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde instantie of instelling te overleggen; of
andere bewijzeninzake
gelijkwaardige maatregelenop het gebied van de kwaliteitsbewaking van ondernemers naar voren te brengen.
iets te kort door de bocht”, omdat niet aan de orde is geweest de vraag of de inschrijver audits (laat) verricht(en) op het kwaliteitsmanagement, terwijl dit wel een wezenlijk onderdeel is van een ISO-gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem.
daartoe strekkend certificaat of een recent rapport van een bevoegde handhavingsautoriteit” zou hebben overgelegd. Dit oordeel laat de inschrijver volgens de Gemeente niet vrij in het bepalen van het type alternatieve bewijs. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt volgens de Gemeente niet in te zien dat Alba het ‘andere bewijs’ niet zou hebben geleverd.
naleving, terwijl het gaat om de vraag of sprake is van gelijkwaardige
maatregelenin welk geval hetzelfde beschermingsniveau geldt. De Gemeente betoogt dat, indien op grond van de toepasselijke regelgeving sprake is van hetzelfde beschermingsniveau, de mate van zekerheid dat de normen daadwerkelijk worden nageleefd geen rechtens relevant gezichtspunt meer is.
voormelde gezichtspunten” tegenover elkaar te worden afgewogen om te beoordelen of al dan niet sprake is van gelijkwaardigheid. Ook de constatering van het hof in rov. 3.9.11 dat houders van een VCA-certificaat “
in sterkere mate” worden gedwongen om zich aan de VCA-waarden te houden, miskent volgens de Gemeente dat het gaat om de vraag of – alle relevante aspecten afwegend – sprake is van gelijkwaardigheid. [99]
voldoet.
aangenomen mag worden” dat de Duitse overheidsinstellingen hun wettelijke taak naar behoren zullen uitvoeren. De Gemeente heeft
nietgesteld dat bij Alba ook daadwerkelijk (recent) controles hebben plaatsgevonden en dat daaruit is gebleken dat Alba aan de gestelde Duitse wet- en regelgeving voldoet. De Gemeente heeft ook geen beschrijving gegeven van door Alba getroffen gelijkwaardige maatregelen, die
nalevingvan de toepasselijke Duitse wet- en regelgeving waarborgen. Het is gelet hierop niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.9.7 heeft geoordeeld dat het poneren van de enkele stelling dat dezelfde normen op Alba van toepassing zijn nog niet betekent dat sprake is van gelijkwaardigheid en waarborging van hetzelfde beschermingsniveau.
verplichtingom aan bepaalde wet- en regelgeving te voldoen niet betekent dat die verplichting ook daadwerkelijk wordt
nageleefd. In dit kader heeft het hof overwogen dat naleving van die verplichting wél wordt aangetoond door een daartoe strekkend certificaat of een recent rapport van een bevoegde handhavingsautoriteit. Daarmee heeft het hof voorbeelden gegeven van situaties waarin van ‘gelijkwaardige maatregelen’ sprake kan zijn. Uit niets blijkt dat het hof hiermee een uitputtende opsomming heeft willen geven. Van strijd met de nuttige werking van de vrijheid van dienstverlening (art. 56 VWEU Pro) is geen sprake.
voormelde omstandigheden als gezichtspunten tegenover elkaar [moeten] worden afgewogen om te beoordelen of al dan niet sprake is van gelijkwaardigheid.”