Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel tot bewijsuitsluiting niet (voldoende) gemotiveerd heeft verworpen.
De raadsman heeft verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat sprake zou zijn van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat uit de memo niet valt af te leiden dat er door de belastingdienst zonder verdenking een zaak tegen verdachte is geconstrueerd.
Voor de verdere bevindingen uit het door de Belastingdienst uitgevoerde onderzoek verwijs ik naar hetgeen hierover reeds is opgemerkt in het Proces-verbaal van aanvang AH-001. Uit dit onderzoek zijn aanwijzingen naar voren gekomen die doen vermoeden dat bij deze ABC-transactie meerdere strafbare feiten zijn gepleegd.
[betrokkene 2] > [betrokkene 3] 90.000 03-10-2003
[betrokkene 3] > [betrokkene 4] 115.000 03-10-2003
[betrokkene 4] > [betrokkene 1] 140.000 09-12-2003
[betrokkene 1] > [betrokkene 5] 339.000 30-07-2004
(…)”
tweede middelbehelst de klacht dat het onder 1 bewezen verklaarde onvoldoende met redenen is omkleed.
Woning Opbrengst verkoop € 90.000
Toen [betrokkene 2] op de hoogte kwam van het bod dat namens [betrokkene 1] was gedaan, wilde hij de - mogelijke (het hof laat hierbij in het midden of er al overeenstemming tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] was op alle van belang zijnde punten en wie [betrokkene 2] hierover had/ geïnformeerd) - verkoop aan [betrokkene 3] ongedaan maken. [betrokkene 3] heeft hierop beslag op de woning laten leggen. Verdachte heeft naar hij stelt [betrokkene 2] geadviseerd een advocaat te raadplegen en hem de naam gegeven van een Duits sprekende Nederlandse advocaat. Blijkens de hiervoor genoemde tijdlijn zou dit zijn gebeurd op 19 september 2003. [betrokkene 2] heeft dit advies naast zich neergelegd. [betrokkene 2] was op leeftijd (geboren op 6 februari 1924), hij wilde rust en hij had geen zin in een slepende juridische procedure. Hij is met [betrokkene 3] een verkoopprijs van € 90.000 overeengekomen. Deze lezing van verdachte (voor wat betreft het feit dat [betrokkene 2] geen zin had in een slepende juridische procedure) wordt bevestigd door de erfgenamen van de inmiddels overleden [betrokkene 2] .
Verdachte, zijnde notaris die op grond van zijn beroep wordt geacht deze jurisprudentie te kennen en bovendien een centrale rol speelde bij de ontvangst van de biedingen van [betrokkene 3] en van [betrokkene 1] , wist op dat moment dat de verkoopprijs van € 90.000 niet de waarde van de woning in het economische verkeer weergaf.
Het hof laat daarbij nog buiten beschouwing dat blijkens een door verdachte eveneens op 3 oktober 2003 verleden akte hetzelfde object is verkocht door [betrokkene 3] aan eerder genoemde [betrokkene 4] , waarbij de koopovereenkomst eveneens op 1 september 2003 zou zijn gesloten (koopsom € 115.000), en dat het object vervolgens door deze [betrokkene 4] blijkens een door verdachte op 9 december 2003 verleden akte is verkocht aan eerdergenoemde [betrokkene 1] . In die laatste akte is vermeld dat [betrokkene 4] de koop/verkoopovereenkomst heeft getekend op
1 oktober 2003en [betrokkene 1] op
6 oktober 2003(koopsom
€ 140.000). En tenslotte verlijdt verdachte op 30 juli 2004 een akte metbetrekking tot de verkoop van hetzelfde pand voor een bedrag van € 339.000. In de akte is abusievelijk opgenomen door verdachte dat de koop/verkoop eveneens op 1 respectievelijk 6 oktober 2003 is gesloten. In werkelijkheid is die koop/verkoopovereenkomst getekend op 8 respectievelijk 9 juni 2004
Op 28 juli 2004 doet verdachte de voorlopige successieaangifte.
Ten eerste is dit standpunt onjuist. Artikel 69 lid 2 AWR Pro richt zich tot een ieder die een bij de wet voorziene aangifte doet, ook al is hij daartoe niet gehouden of doet hij die aangifte namens een ander.
Maar bovendien komt daar bij dat in de verklaring van erfrecht (D-016, p. 926) van de hand van verdachte onder meer het volgende is opgenomen onder het kopje “Algehele volmacht afwikkeling nalatenschap”:
De erfgenaam van de overledene heeft aan alle medewerkers van mij, notaris, algehele volmacht verstrekt tot afwikkeling van de nalatenschap van de overledene, speciaal om haar te vertegenwoordigen terzake van de vereffening van de nalatenschap.
De bevoegdheid tot vertegenwoordiging betreft onder meer het aannemen van aan de nalatenschap verschuldigde prestaties, waaronder het innen van banktegoeden, het betalen van de schulden en van de uitvaartkosten, het doen van de vereiste belastingaangift(en) en het betalen van de verschuldigde belasting(en).
Wat er ook zij van dit betoog, dat ontslaat verdachte als notaris die de successieaangifte doet, niet van de verplichting om de juiste waarde van het onroerend goed te vermelden.
Dat de Belastingdienst beschikte over de gegevens van de WOZ-waarde en daar kennelijk op dat moment geen aandacht aan heeft geschonken, is hoogstens van belang voor de vraag of het mogelijk zou zijn geweest na te vorderen (voor zover de termijn voor een mogelijke navordering al niet zou zijn verstreken) op grond van het zich voordoen van een nieuw feit.”
derde middelbehelst de klacht dat het onder 2 primair bewezen verklaarde onvoldoende met redenen is omkleed.
vierde middelbehelst de klacht dat het onder feit 3 bewezen verklaarde onvoldoende met redenen is omkleed.
- het plegen van belastingfraude en
- het plegen van valsheid in geschrift.”