Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Inleidende beschouwingen
het uitblijven vancorrecte nakoming. [12] Vanuit een nog wat ander perspectief: ontbinding verhindert dat de schuldenaar zijn tot op dat moment nog onvolkomen prestatie, op een
nadien gelegen tijdstipalsnog vervolmaakt. Ook beneemt ontbinding de schuldenaar zijn aanspraak op de door hem bedongen tegenprestatie. [13] De functie van de ingebrekestelling in een geval als het onderhavige is dus wel degelijk om te bepalen tot welk moment de schuldenaar uiterlijk nog kan presteren, zonder dat kan worden gezegd dat hij daarmee te laat is. [14] Zonder duidelijkheid over dat moment, valt niet te rechtvaardigen dat de schuldeiser door ontbinding de schuldenaar de mogelijkheid van nakoming respectievelijk zijn aanspraak op de tegenprestatie ontneemt.
schuldenaarin verzuim geraakt (art. 6:61 BW Pro). Gedurende het verzuim van de schuldeiser is ontbinding in beginsel niet mogelijk (art. 6:266 lid 1 BW Pro).
mededelingvan de schuldenaar (art. 6:83 onder Pro c BW)
. [36] Mijns inziens is dit niet overtuigend. De maatstaf dat uit de houding van de schuldenaar moet blijken dat aanmaning (op een redelijke termijn) nutteloos zou zijn, biedt voldoende ruimte om rekening te houden met de invloed die het ongeduld van de schuldeiser op de houding van de schuldenaar mogelijk heeft gehad. In het algemeen mag van de schuldenaar echter worden verwacht dat hij de schuldeiser, niettegenstaande dat ongeduld, serieus neemt. Een ingebrekestelling op te korte termijn zal hij daarom doorgaans niet stilzwijgend naast zich neer mogen leggen. Hij zal in plaats daarvan moeten aangeven op welke termijn de schuldeiser (volledige) nakoming tegemoet kan zien. Afhankelijk van de omstandigheden zal van hem zelfs meer mogen worden gevergd en behoort hij zich meer in detail te verklaren. Zulke omstandigheden zullen bijvoorbeeld kunnen zijn geconstateerde gebreken in eerdere nakomingspogingen, door de schuldeiser uitgesproken en niet onredelijke twijfel omtrent de vraag of de schuldenaar tot (spoedige) nakoming in staat zal zijn, enzovoort. [37]
If the additional period allowed is not of reasonable length it shall be extended to a reasonable length.The aggrieved party may in its notice provide that if the other party fails to perform within the period allowed by the notice the contract shall automatically terminate.’
kwaliteitvan de prestatie. Die vrees zal ook kunnen zien op de
tijdigheidvan de prestatie. Dit volgt mijns inziens eenvoudig uit de betekenis van de begrippen ‘nakoming’ en ‘tekortkoming’. Ook een niet-tijdige prestatie die kwalitatief aan de verbintenis beantwoordt, is een tekortkoming, en is geen ‘nakoming zonder tekortkoming’ zoals art. 6:80 lid 1 BW Pro het met betrekking tot het geval onder a zegt. [47]
strict adherence to the precise time of delivery, or the provision of documents in a precise form may be expected. In some cases the nature of the contract may be decisive. For example, where a contract is for the delivery of flowers for a wedding at a stated time the purchaser will be
entitled to expect delivery in timefor the wedding and not the next day. (…)’
notice fixing additional time for performance, verwant aan de ingebrekestelling naar Nederlands recht), wordt in de toelichting op het DCFR niet beschreven, maar in de formulering van beide bepalingen vond ik geen aanwijzing dat die combinatie niet mogelijk zou zijn. Mutatis mutandis geldt het voorgaande ook voor art. 8:105 PECL Pro, in combinatie met art. 8:106 PECL Pro, en art. 7.3.4 PICC, in combinatie met art. 7.1.5 PICC.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1heeft het hof in de rechtsoverwegingen 3.9.3 en 3.9.4 miskend dat een ingebrekestelling op te korte termijn slechts dan niet tot verzuim leidt, indien de schuldenaar op de aanmaning alles heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te voldoen, dan wel zou het hof hebben miskend dat een te korte termijn van rechtswege in een redelijke termijn wordt geconverteerd. Het onderdeel voegt daaraan toe dat het hof een en ander zo nodig ambtshalve, onder aanvulling van de rechtsgronden, diende te constateren.
extralang diende te zijn omdat daaraan voorafgaand tussen partijen termijnen met een niet-fataal karakter waren overeengekomen, respectievelijk daaraan voorafgaand door Fraanje was gesommeerd zonder ‘ingebrekestellende kracht’.
extralang diende te zijn omdat daaraan voorafgaand tussen partijen termijnen met een niet-fataal karakter waren overeengekomen, respectievelijk daaraan voorafgaand door Fraanje was gesommeerd zonder ‘ingebrekestellende kracht’, is door het hof niet begrijpelijk gemotiveerd. Ik vermeld nog dat wat betreft de voorafgaande sommaties een afdoende motivering mijns inziens niet besloten ligt in de vermelding door het hof dat de ingebrekestelling van 17 september 2013 op die sommaties ‘voortbouwde’. Die omstandigheid maakt nog niet begrijpelijk waarom de termijn van de ingebrekestelling van 17 september 2013 extra lang diende te zijn. Het tegendeel ligt mijns inziens meer voor de hand (hiervoor onder 3.7).
subonderdeel 1.6is onbegrijpelijk de beslissing van het hof in rechtsoverweging 3.9.4 dat zich ‘op dat moment’ (17 september 2013 tot en met 2 oktober 2013) geen situatie voordeed waarin de wederpartij reeds in gebreke was, omdat voor wat betreft de Schüco-kwestie al sprake was van een gebrek.
toenniet voor’, heeft het hof klaarblijkelijk het oog op het tijdstip van 17 september 2013 en niet op de periode daarna. De Schüco-kwestie kwam daarna op. Zie hiervoor onder 2.1(x).
onderdelen 2 en 3richten zich tegen beslissingen van het hof opgenomen in rechtsoverwegingen 3.11.4 tot en met 3.11.10. Ik citeer deze overwegingen, en de daaraan voorafgaande overwegingen 3.11.1 tot en met 3.11.3:
het uitblijven vancorrecte nakoming en ook voor ontbinding naar aanleiding van een kwaliteitsgebrek is daarom verzuim vereist. Ook in de theorie van Streefkerk is dit zo. [54] Dat (ook) in geval van een kwaliteitsgebrek niet rauwelijks ontbinding mogelijk is, volgt mede uit het stelsel van art. 7:759 BW Pro.
subonderdeel 2.3wordt geklaagd over de beslissing aan het slot van rechtsoverweging 3.11.5. Onvoldoende gemotiveerd zou zijn de beslissing dat de vijfdagentermijn ‘binnen de aanvankelijk door Fraanje zelf gestelde termijn’ was, aangezien niet duidelijk zou zijn welke ‘aanvankelijk door Fraanje gestelde termijn’ het hof daarmee op het oog heeft gehad.
ontbindingsverklaringbinnen de aanvankelijk door Fraanje zelf gestelde termijn valt en daarom prematuur was. Die door Fraanje zelf gestelde termijn is dan kennelijk de termijn van drie weken, zoals opgenomen in de brief van 24 september 2013. Intussen is het uiteraard de vraag hoeveel verbeterde lezing van het arrest van het hof nog te verenigen is met het grondbeginsel dat een rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor onder meer partijen controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [55] Opnieuw acht ik het niet nodig om te kiezen.
subonderdeel 2.5.
tijdstipvan nakoming, mede op de Schüco-kwestie zou kunnen zien, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
subonderdeel 3.3onbesproken blijven.
subonderdeel 3.4worden nog klachten gericht tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.11.8 dat ontwikkelingen van na de ontbinding niet relevant zijn voor de vraag of uit de houding van Alukon op 2 oktober 2013 afgeleid kon worden of zij zou nakomen.
onderdeel 4, richt zich, onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.13.1 tot en met 3.13.4, tegen rechtsoverweging 3.20.2. Rechtsoverwegingen 3.13.1 tot en met 3.13.4 en de daarop volgende rechtsoverweging 3.13.5 luiden als volgt:
onderdeel 6behoeft geen bespreking.