Conclusie
De Ronde Venen/Stedin c.s.,op goede gronden heeft geoordeeld dat in dit geval voor opzegging een voldoende zwaarwegende grond vereist was, dat de door de gemeente aangevoerde opzeggingsgronden echter niet als zodanig kunnen worden gekwalificeerd en dat de opzegging derhalve zonder rechtsgevolg is gebleven.
1.Feiten en procesverloop
primair, dat de overeenkomst zonder meer kan worden opgezegd, en
subsidiairdat daarvoor een voldoende zwaarwegende grond aan haar zijde bestaat. [9]
Opzegbaarheid overeenkomst (zonder zwaarwegende grond)?
ECLI:NL:HR:1999:AA3821 (
Maison Louis Latour/P. de Bruijn Wijnkopers). Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (HR 28 oktober 2011,
ECLI:NL:HR:2011;BQ9854, r.o. 3.5.1 (
SNU-Stedin/gemeente de Ronde Venen).
ECLI:NL:HR:2016:660 (
Gooisch Natuurreservaat c.s./gemeente Amsterdam)).
geen verandering heeft gebracht in het feit dat SNU geen vergoeding behoeft te betalen voor het mogen hebben van leidingen en kabels in gemeentegrond.’ (r.o. 3.1 onder vi). ‘
De situatie dat SNU geen tegenprestatie verschuldigd is voor het hebben van de kabels en de leidingen in gemeentegrond, wordt onder de Verordening gecontinueerd.’(r.o. 3.5.3).
ECLI:NL:HR:2016:660, waarin de statuten, waarvan de betrokken overeenkomst het onlosmakelijk complement vormde, uitgingen van bijdragen van de participanten en niet voorzagen in de mogelijkheid dat één van hen afhaakte.
ECLI:NL:HR:2009:BJ1999 met verwijzing naar HR 14 september 2007, nr. 41467,
BNB2007/290). Dit leidt het hof tevens af uit de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2016,
ECLI:NL:HR:2016:1267 dienaangaande (in r.o. 2.5.4 in fino), waarin hij oordeelde als volgt:
publiekrechtelijke bevoegdhedenvoor de gemeente voortvloeiende gedoogplicht ten aanzien van gas- en elektriciteitsleidingen in gemeentegrond niet aan de heffing van precariobelasting in de weg staat. Van een dergelijke publiekrechtelijke gedoogplicht is in het onderhavige geval geen sprake.
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
De Ronde Venen/Stedin c.s.tot het oordeel is gekomen dat:
De Ronde Venen/Stedin c.s.Daarna is het leerstuk in een reeks van uitspraken nader uitgewerkt. In het arrest van 2 februari 2018 geeft uw Raad het volgende overzicht van de actuele stand van zaken [12] :
NJ2012/685, rov. 3.6, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163,
NJ2013/341, rov. 3.5.1 en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134,
NJ2016/450, rov. 4.4.2)
NJ2016/450, rov. 4.4.2)
NJ2016/236, rov. 4.4)” [13]
De Ronde Venen/Stedin c.s.was de opzegging, in 2006, door de gemeente De Ronde Venen van een tweetal in 1989 en 1994 met de rechtsvoorgangers van N.V. Stedin Netten Utrecht (SNU) en Stedin B.V. (eigenaar resp. netbeheerder van gas- en elektriciteitsnetten, hierna tezamen: Stedin c.s.) gesloten overeenkomsten voor onbepaalde tijd op grond waarvan (de rechtsvoorgangers van) Stedin c.s. leidingen en kabels in de grond van de gemeente mochten leggen en houden.
Latour/De Bruijnvan uw Raad van 3 december 1999 [17] oordeelde het hof dat, nu de overeenkomsten inhielden dat de kosten van verlegging voor rekening van de gemeente waren, deze een relevante waarde vertegenwoordigden voor Stedin c.s. en dat daarom de eisen van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval meebrachten dat de gemeente voor de opzegging van de overeenkomsten een voldoende zwaarwegende grond diende te hebben (rov. 4.8 en 4.9). De gronden van de gemeente voor de opzegging, waarvoor het hof vooral verwees naar de wens om te komen tot een uniform regime voor alle nutsbedrijven, waren volgens het hof niet voldoende zwaarwegend om tot beëindiging van de overeenkomsten te leiden (rov. 4.10).
De Ronde Venen/Stedin c.s.achtereenvolgens:
in een geval als dit” de eisen van redelijkheid en billijkheid
nietmeebrengen dat de Gemeente, in verband met het feit dat de verlegregeling onder de verordening minder gunstig wordt voor SNU, een zwaarwegende grond voor de opzegging dient te hebben. Uw Raad heeft daarbij aangetekend dat het hof geen omstandigheden heeft vastgesteld (waaronder (bijzondere) afhankelijkheid van Stedin c.s. van voortzetting van de overeenkomsten) die zijn oordeel kunnen dragen dat de gemeente een zwaarwegende grond voor opzegging dient te hebben. [18]
opgezegdepartij maar ook omstandigheden – c.q. redenen voor opzegging – aan de zijde van de
opzeggendepartij een rol kunnen spelen. De woorden “
in een geval als dit” in rov. 3.5.4 duiden er immers op dat uw Raad tot zijn oordeel is gekomen op basis van een afweging van zowel de in rov. 3.5.2 weergegeven reden voor opzegging van de gemeente (de gewijzigde verhouding tussen gemeente en netbeheerders) als de in rov. 3.5.3 genoemde omstandigheden aan de zijde van Stedin c.s. (aard en omvang van het verlies aan de zijde van Stedin c.s.). [19]
Auping/Beverslaap) [20] , dat naar het oordeel van uw Raad een dergelijke bijzondere) afhankelijkheid zonder meer betekent dat er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging is vereist. In dit arrest oordeelde uw Raad immers (in rov. 3.7) dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden (o.a. dat Beverslaap en de aan haar gelieerde e-Bedding B.V. voor een groot deel afhankelijk waren van de omzet in Auping-producten) naar de maatstaven uit het arrest
De Ronde Venen/Stedin c.s.niet zonder meer meebrachten dat een zwaarwegende grond voor opzegging van de bestaande commerciële relatie aanwezig moest zijn. Het oordeel van het hof dat in dit geval sprake moest zijn van een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging gaf dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [21]
geenzwaarwegende grond voor opzegging vereist is.
De Ronde Venen/Stedin c.s.– dat met zich brengt dat de gemeente niet langer bevoegd is om als eigenaar op te treden tegen de aanwezigheid van het netwerk – aan de heffing van precariobelasting in de weg. [25] Opzegging van de duurovereenkomst in kwestie maakt derhalve de weg vrij voor het heffen van precariobelasting.
De Ronde Venen/Stedin c.s.beslechte geschil in zoverre anders is dan de onderhavige zaak dat het in
De Ronde Venen/Stedin c.s. ingestelde publiekrechtelijke regime geen verandering bracht in het kosteloos liggen van kabels en leidingen, heeft overwogen dat de vraag rijst wat
dit verschilbetekent voor de onderhavige opzegging.
De Ronde Venen/Stedin c.s.aldus heeft uitgelegd dat, indien het gewijzigde beleid van de gemeente De Ronde Venen wél zou hebben geleid tot het door Stedin c.s. verschuldigd worden van een tegenprestatie ter zake het hebben van kabels en leidingen in gemeentegrond, dat (zonder meer) zou hebben geleid tot een ander oordeel van uw Raad, te weten: dat in dat geval wél een zwaarwegende grond voor opzegging zou zijn vereist. Het subonderdeel klaagt dat in dat geval het hof is uitgegaan van een onjuiste lezing van het arrest
De Ronde Venen/Stedin c.s.
De Ronde Venen/Stedin c.s.door uw Raad gegeven oordeel – dat de gemeente De Ronde Venen kon opzeggen zonder zwaarwegende grond – uitdrukkelijk in de sleutel staat van
alle(relevante) omstandigheden van het geval (verwezen wordt naar rov. 3.5.1), waaronder (naast het kosteloos zijn van het contractuele ligrecht van de netbeheerder) de omstandigheden (i) dat de netbeheerder sinds de liberalisering van de energiemarkt geen overheidsbedrijf zonder winstoogmerk meer is (rov. 3.5.2) en (ii) dat de netbeheerder in zijn bedrijfsvoering niet (in bijzondere mate) van voortzetting van de overeenkomst afhankelijk is (rov. 3.5.4).
De Ronde Venen/Stedin c.s.in de sleutel staat van alle relevante omstandigheden van het geval (zie hiervoor, onder 2.9).
De Ronde Venen/Stedin c.s. noopt tot een weging van
allebij de opzegging van een overeenkomst met een netbeheerder (drinkwaterbedrijf) relevante omstandigheden van het geval, noch gemeend dat uw Raad
a priorieen gekwalificeerd gewicht heeft toegekend aan het kosteloos zijn van het contractuele ligrecht van de netbeheerder ten opzichte van andere door uw Raad in die zaak in aanmerking genomen omstandigheden, waaronder (i) het feit dat de netbeheerder al enige decennia geen overheidsbedrijf zonder winstoogmerk meer is en (ii) het feit dat de netbeheerder in zijn bedrijfsvoering niet (in bijzondere mate) afhankelijk is van voortzetting van de overeenkomst. Dat kan als volgt worden toegelicht.
De Ronde Venen/Stedin c.s.: het enige rechtens relevante verschil is volgens de gemeente dat zij een langere opzegtermijn heeft gehanteerd (CvA, par. 3.1.2). Vitens heeft deze gelijkenis bestreden en erop gewezen dat één van de cruciale verschillen tussen beide zaken is dat in
De Ronde Venen/Stedin c.s.een precarioheffing helemaal geen rol speelde en het kosteloos liggen na de opzegging zou worden gecontinueerd (comparitieaantekeningen nr. 3.5; p-v van comparitie, p. 2). [29]
nieteisen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat (rov. 5.18), zodat de vordering werd afgewezen.
De Ronde Venen/Stedin c.s.,waaronder het verschil dat waar in laatstgenoemd geval het kosteloos liggen werd gecontinueerd, de gemeente Voorst (wel) precario wilde gaan heffen (zijnde de enige reden voor opzegging; inmiddels heeft zij daadwerkelijk een precarioaanslag opgelegd) (MvG, par. 2.3.8).
De Ronde Venen/Stedin c.s. (MvG, par. 120-132). De gemeente heeft in dat verband onder meer het volgende aangevoerd:
De Ronde Venen/Stedin c.s.:
De Ronde Venen/Stedin c.s.– in rov. 5.5 een
vergelijkingheeft gemaakt tussen de situatie in dat arrest – waarin naar het oordeel van uw Raad de gemeente niet een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging behoefde te hebben – en het hier aan de orde zijnde geval. In dat verband heeft het hof overwogen:
De Ronde Venen/Stedin c.s.vergelijkbaar is met de onderhavige zaak voor wat betreft het instellen van een publiekrechtelijk regime voor aanleg en verleggen van kabels en leidingen in de plaats van de desbetreffende overeenkomst;
De Ronde Venen/Stedin c.s.in aanmerking genomen situatie en de situatie in de onderhavige procedure op slechts
éénessentieel punt verschillen – de opzegging in deze zaak brengt mee wél mee dat een vergoeding (i.e. precariobelasting) verschuldigd wordt voor de aanwezigheid van kabels en leidingen – welk verschil er eventueel toe zou
kunnenleiden dat in deze procedure, anders dan in de procedure
De Ronde Venen/Stedin c.s., de conclusie moet zijn dat er wel een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging is vereist.
explicietaandacht te besteden aan (de stellingen van de gemeente betreffende)
(i) de gewijzigde verhouding tussen de gemeente en netbeheerders, zijnde één van de redenen van de gemeente Voorst voor opzegging van de overeenkomst. [33] Op dat punt verschilt het onderhavige geval immers niet van “
de door de Hoge Raad in aanmerking genomen situatie” in de zaak
De Ronde Venen/Stedin c.s.. Zoals hiervoor uiteengezet, kwam uw Raad in rov. 3.5.4 van dat arrest immers op basis van een afweging van de in rov. 3.5.2 weergegeven reden voor opzegging voor de gemeente (de gewijzigde verhouding tussen de gemeente en netbeheerders) en de in rov. 3.5.3 genoemde omstandigheden aan de zijde van Stedin c.s. (de aard en omvang van het verlies van Stedin c.s.) tot het oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid niet meebrachten dat de gemeente, in verband met het feit dat de verlegregeling onder de verordening minder gunstig werd voor Stedin c.s., een zwaarwegende grond voor de opzegging diende te hebben.
De Ronde Venen/Stedin c.s.– de aard en omvang van het als gevolg van de opzegging aan de zijde van de opgezegde partij intredende nadeel (naast de ongunstiger verlegregeling: het verschuldigd worden van precariobelasting door Vitens en de daarmee verband houdende gevolgen voor de afnemers),
afgewogentegen de –
evenalsin het geval
De Ronde Venen/Stedin c.s.– inmiddels gewijzigde verhouding tussen gemeente en netbeheerders, er in deze zaak toe leiden dat de balans doorslaat in het ‘voordeel’ van Vitens in die zin dat een voldoende zwaarwegende reden voor opzegging vereist is.
(ii) de (on)afhankelijkheid van de opgezegde partijgeldt dat het hof dat wel degelijk in zijn beoordeling heeft betrokken. Het betoog waar de gemeente op doelt is met name terug te vinden in CvA, par. 3.3.7-3.3.12. De gemeente heeft daar gesteld dat indien en voor zover Vitens heeft willen betogen dat zij voor haar bedrijfsvoering afhankelijk is van voortzetting van de overeenkomst en het daarin opgenomen artikel 6, de gemeente Vitens daarin niet volgt (par. 3.3.7). De gemeente heeft in dat verband een beroep gedaan op het arrest
Auping/Beverslaap(zie hiervoor, onder 2.10), waaruit volgens de gemeente volgt dat zelfs in het geval de opgezegde partij in haar voortbestaan wordt bedreigd dit niet zonder meer betekent dat een zwaarwegende grond voor opzegging is vereist (par. 3.3.8-3.3.9). Verder heeft de gemeente aangevoerd dat Vitens in dat kader geen feiten en omstandigheden heeft gesteld, dat het de gemeente ook niet goed denkbaar lijkt dat Vitens voor haar bedrijfsvoering afhankelijk is van voortzetting van de overeenkomst (par. 3.3.11) en dat uit het jaarverslag 2013 kan worden afgeleid dat Vitens beschikt over voldoende financiële draagkracht om eventuele negatieve financiële consequenties van de opzegging van de overeenkomst op te vangen (par. 3.3.12).
geenzwaarwegende grond voor opzegging vereist is.
De Ronde Venen/Stedin c.s.noopt tot een weging van alle relevante omstandigheden van het geval. Het hof heeft de in het subonderdeel genoemde aspecten (i) en (ii) immers impliciet respectievelijk expliciet in zijn beoordeling betrokken.
ten eersteop dat de gemeente ter toelichting op de door haar gedane opzeggingen er onder meer op heeft gewezen (i) dat het doel van de overeenkomsten destijds was gelegen in het (snel en voor veel inwoners) beschikbaar stellen van watervoorzieningen, welk doel inmiddels (ruimschoots) is bereikt, en (ii) dat de rechtsvoorganger van Vitens bij het aangaan van de overeenkomst (kort gezegd) als overheidsbedrijf zonder winstoogmerk konden worden aangemerkt, een situatie die zich ten tijde van de opzegging al enige decennia niet meer voordeed, gezien de liberalisering van de drinkwatervoorziening. [34]
strekkingvan deze stellingname dat het kosteloos zijn van het destijds overeengekomen ligrecht moet worden geacht door het (ruimschoots) bereiken van het doel van de overeenkomst respectievelijk de marktveranderingen in de drinkwatervoorziening te zijn
achterhaald,althans moet worden gerelativeerd. Dat is (zonder meer) van belang voor het antwoord op de vraag, welke
verwachtingenVitens mocht hebben ten aanzien van de aard en inhoud van de onderhavige (duur)overeenkomst, waaronder het kosteloos zijn van het ligrecht en het onverminderd voortduren daarvan, aldus het subonderdeel.
dit betoogbij zijn oordeel heeft betrokken, zodat het er voor moet worden gehouden dat het hof aan de desbetreffende essentiële stellingname van de gemeente ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze is voorbijgegaan.
Feiten’ (CvA, par. 1.1.1-1.1.9 en 1.2.1-1.2.8; MvA, par. 7-21), een weergave van de ingeroepen opzeggingsgrond ‘
Gewijzigde verhoudingen’ (CvA, par. 4.1.1-4.1.11) en het betoog van de gemeente dat de duur van de relatie tussen partijen niet zonder meer in het voordeel van Vitens werkt (MvA, par. 141-142).
zelfstandigargument voor opzegbaarheid (zonder zwaarwegende grond) aan te voeren het betoog dat a) het kosteloos zijn van het ligrecht
achterhaaldis en b) zulks afdoet aan de
verwachtingendie Vitens mocht hebben ten aanzien van het kosteloos zijn van het recht en het onverminderd voortduren daarvan.
Subonderdeel 2.1betoogt
ten tweede(p. 5) dat de gemeente er bovendien op heeft gewezen dat de door (de rechtsvoorganger van) Vitens in het kader van de overeenkomst gedane investeringen, mede gelet op de looptijd van de overeenkomst, moeten worden geacht inmiddels ruimschoots te zijn terugverdiend. [36] Op dit (essentiële) betoog, dat de strekking had dat (ook) gelet op deze omstandigheid er geen reden was om aan de opzegging de eis van een zwaarwegende grond te verbinden, heeft het hof ten onrechte niet, althans op onvoldoende (begrijpelijke) wijze gerespondeerd.
plotsklaps” met hoge precariokosten ziet geconfronteerd. Het klaagt dat dat onbegrijpelijk en/of innerlijk tegenstrijdig is in het licht van de overwegingen van het hof in rov. 5.8 (tweede alinea) dat sinds het begin van deze eeuw een debat gaande is over (het al dan niet wenselijk zijn van een bevoegdheid tot) precarioheffing. Een en ander klemt volgens het subonderdeel temeer nu de Wet beperking heffingsbevoegdheid precariobelasting uitdrukkelijk voorziet in een overgangsregeling, op grond waarvan de gemeente ter zake van precariobelasting thans nog steeds heffingsbevoegd is.
al sinds het begin van deze eeuw gaande” “debat over precariorechten” in het algemeen niet maakt dat Vitens zich niet “
plotsklaps” geconfronteerd zou kunnen zien met de heffing van precariobelasting door de gemeente Voorst. De langdurige politieke discussie over de precarioheffing zegt immers niets over de specifieke situatie van Vitens.
overgangsregeling,op grond waarvan de gemeente Voorst nog tot 1 januari 2022 bevoegd zou zijn precario te heffen. Geklaagd wordt dat het hof daarmee (i) heeft miskend dat de wetgever met het treffen van een overgangsregeling het belang van lagere overheden bij handhaving van een tot heffing van precariobelasting strekkende bevoegdheid gedurende een afgebakende periode heeft onderkend, althans (ii) tegen de achtergrond van de (meeromvattende) bedoeling van de wetgever (en de daaruit af te leiden maatschappelijke opvattingen) zonder nadere motivering niet inzichtelijk heeft gemaakt dat opzegging van de onderhavige overeenkomst slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat (rov. 5.9, slot). Een en ander klemt temeer in het licht van de (essentiële) stellingname van de gemeente dienaangaande [37] , waaraan het hof ten onrechte, althans op onvoldoende (begrijpelijke) wijze is voorbijgegaan, aldus het subonderdeel.
1. Inleiding
Doel is een einde te maken aan de situatie dat burgers via de heffing van precariobelasting door een naburige gemeente indirect worden betrokken in een heffing van een bestuurslichaam ten aanzien waarvan zij geen democratisch stemrecht hebben. De nutsbedrijven ontvangen van sommige gemeenten op wier grondgebied zij een netwerk exploiteren een aanslag precariobelasting ten aanzien van dat netwerk. Deze precariobelasting berekenen zij door aan alle klanten in hun verzorgingsgebied, dus ook aan burgers die niet in de heffende gemeenten wonen. [39]
De meeste nutsbedrijven moeten de precariobelasting doorberekenen in hun tarieven, waardoor alle klanten in het verzorgingsgebied waarvan de heffende gemeente deel uitmaakt, meebetalen. Dat betekent dat het externe effect zelfs bijzonder groot kan zijn, afhankelijk van de verhouding tussen het aantal inwoners van de heffende gemeente en het totale aantal inwoners van alle gemeenten in het verzorgingsgebied. Zowel het indirecte karakter van de heffing die de heffing minder zichtbaar maakt als het externe effect ervan dat de heffing minder voelbaar maakt, vertroebelen de democratische afweging die de heffing van belastingen dient te legitimeren. Daar komt bij dat bij die afweging geen acht behoeft te worden geslagen op eventuele economische effecten, die bij het bepalen van de hoogte van andere heffingen wel aan de orde zijn. De heffing wordt immers grotendeels extern afgewenteld. [40]
De overgangsregeling is immers bedoeld voor gemeenten die als gevolg van het afschaffen [van] de heffingsbevoegdheid op netwerken op nutsbedrijven, inkomsten derven. Gemeenten die eerst na 2015 deze belasting hebben ingevoerd vallen daardoor niet onder de regeling. Om te voorkomen dat het tarief gedurende de overgangstermijn stijgt, is bepaald dat het tarief ten hoogste het tarief mag bedragen dat gold op 10 februari 2016, de datum waarop de indiening van onderhavig wetsvoorstel en deze overgangsregeling is aangekondigd.” [43]
niet, zo blijkt uit het laatste citaat, gemeenten in staat te stellen gedurende de overgangsperiode alsnog een niet eerder aangeboorde inkomstenbron aan te spreken, maar uitsluitend om gemeenten die op inkomsten uit precariobelasting van nutsbedrijven rekenden, de gelegenheid te bieden het inkomstenverlies geleidelijk op te vangen. [44]
Ik heb daarin aanleiding gezien om mij opnieuw te beraden op het juiste evenwicht tussen enerzijds het voorkomen van aankondigingseffecten en het stoppen van de stijging van de totale opbrengst van de precariobelasting en anderzijds een redelijke overgangsregeling voor gemeenten die op de precario-inkomsten rekenden.
Ik heb daarbij overwogen dat het onwenselijk is dat de overgangsregeling een bron van conflict wordt. Dat de overgangsregeling als redelijk wordt ervaren weegt naar mijn mening zwaarder dan het verhinderen van een zekere stijging van de opbrengst van de precariobelasting ten opzichte van het jaar 2015. De maximering van het tarief tot de hoogte welke op 10 februari 2016 in de lokale verordeningen was opgenomen, draagt voldoende bij aan de begrenzing van de totale opbrengst. In de overgangsperiode zullen de gemeenten deze opbrengst tot nul moeten reduceren in het tempo dat gemeenten daarbij zelf kiezen.” [48]
doorberekenenvan door Vitens gemaakte precariokosten en het volgens het hof daaruit voorvloeiende risico dat haar
afnemersin hun belang bij een zo laag mogelijk drinkwatertarief worden geschaad, almede tegen het door het hof (mede) aan die overwegingen in rov. 5.9 (slot) verbonden oordeel dat in dit geval een voldoende zwaarwegende opzeggingsgrond vereist is.
subonderdeel 3.1heeft het hof in rov. 5.8 miskend dat het belang van de afnemers van Vitens bij een zo laag mogelijk drinkwatertarief geen
eigenbelang is van Vitens, maar hooguit een van het belang van haar afnemers
afgeleidbelang. Daartoe wordt aangevoerd dat het eigen belang van Vitens moet worden geacht (primair) gerelateerd te zijn aan de haar op grond van art. 7 Drinkwaterwet Pro toebedeelde taken, waartoe de minimalisatie van kosten ten behoeve van de afnemers niet (primair) behoort. Het belang van afnemers van Vitens bij een zo laag mogelijk drinkwatertarief dient bij de beantwoording van de vraag naar de noodzaak van een voldoende zwaarwegende opzeggingsgrond derhalve
buiten beschouwingte blijven, althans
geen doorslaggevend gewichtte krijgen. Aldus, volgens het subonderdeel, ook de (essentiële) stellingname van de gemeente ter zake waarop het hof ten onrechte niet, althans onvoldoende (begrijpelijk) heeft gerespondeerd. [50]
De Ronde Venen/Stedin c.s.aan de orde was (par. 2.3.8), en dat het zo laag mogelijk houden van de kostprijs een rechtens te respecteren belang van Vitens is (par. 2.3.9).
maatschappelijk belangbetrokken. Weliswaar is de voortzetting daarvan zonder die overeenkomst niet bij voorbaat in gevaar, maar Vitens heeft gesteld dat zij volgens de wettelijk gereguleerde tariefstructuur door haar gemaakte kosten doorberekent aan haar afnemers (zie hiervoor onder 5.6). Daardoor is het risico aanwezig dat deze afnemers van de opzegging mede de gevolgen zullen dragen en derhalve in hun belang bij een zo laag mogelijk drinkwatertarief worden geschaad. Dit klemt eens temeer nu daardoor ook inwoners van andere gemeenten dan de gemeente Voorst (binnen het verzorgingsgebied van Vitens) worden getroffen.” (cursivering, A-G)
maatschappelijk belang” aan te merken dat wordt voorkomen dat afnemers – via precarioheffing en de doorbelasting daarvan – mede de gevolgen zullen dragen van de opzegging en daardoor in hun belang bij een zo laag mogelijk drinkwatertarief worden geschaad. Dit maatschappelijk belang is volgens het hof temeer relevant, zo volgt uit de laatste zin van rov. 5.8, omdat de doorberekening van de precarioheffing ook inwoners van andere gemeenten dan de gemeente Voorst treft. [51]
aardvan de overeenkomt;
taakvan Vitens een duurzame en doelmatige drinkwatervoorziening tot stand te brengen en in stand te houden, daaronder begrepen de daarvoor benodigde infrastructuur;
inhoudvan de overeenkomst, waaruit Vitens heeft afgeleid en ook heeft mogen afleiden dat zij voor de uitvoering van haar taak kabels en leidingen in de gemeentegrond mocht hebben, waarvoor zij tijdens de daarvoor benodigde ligduur geen vergoeding aan de gemeente verschuldigd was of zou worden;
maatschappelijke opvattingenzoals die blijken uit de Wet beperking heffingsbevoegdheid precarioheffing; de wetgever heeft zich daarmee expliciet uitgesproken over de onwenselijkheid van precarioheffing, en
anderegemeenten dan de heffende gemeente Voorst.
subonderdeel 3.2heeft het hof
ten eerstemiskend dat het belang van afnemers van Vitens bij een zo laag mogelijk drinkwatertarief geacht moet worden door de wetgever te zijn
verdisconteerdin/door middel van de
overgangsregelingdie deel uitmaakt van de Wet beperking heffingsbevoegdheid precariobelasting. De overgangsregeling impliceert immers, aldus het subonderdeel, dat de wetgever heeft aanvaard dat bij drinkwaterbedrijven tot 1 januari 2022 precariobelasting zal worden geheven en – in het verlengde daarvan – die drinkwaterbedrijven deze kosten mogelijk zullen doorbelasten aan hun afnemers.
ten tweededat het hof in rov. 5.8 (laatste alinea) ten onrechte, althans op onvoldoende (begrijpelijke) wijze is voorbijgegaan aan het (essentiële) betoog van de gemeente dat Vitens
niet wettelijk verplichtis de bij haar geheven precariobelasting door te belasten aan (alle) afnemers binnen haar verzorgingsgebied, terwijl daartoe ook geen bedrijfseconomische noodzaak bestaat. [52]
irrelevantis of Vitens al dan niet wettelijk verplicht is om de precariobelasting door te belasten aan (alle) afnemers binnen haar verzorgingsgebied; het hof acht kennelijk doorslaggevend dat Vitens de kosten op grond van art. 11 lid 1 van Pro de Drinkwaterwet daadwerkelijk zal doorberekenen aan haar afnemers, wat het risico met zich brengt dat deze afnemers van de opzegging mede de gevolgen zullen dragen.
geenafdoende reden vormt om de opzegbaarheid van de overeenkomst aan een zwaarwegende grond te verbinden, valt evenmin in te zien dat de aan die heffing respectievelijk doorbelasting verbonden belangen (wél) een afdoende reden opleveren voor het oordeel dat de door de gemeente gegeven redenen voor de opzegging, voor zover gelegen in het financiële belang van de gemeente, onvoldoende zwaarwegend zijn om de opzegging te dragen, althans niet zonder nadere motivering, die ontbreekt.
naast(b) gewijzigde verhoudingen tussen overheden en netbeheerders, (c) de wens alle netbeheerders uniform publiekrechtelijk te normeren en (d) de wens de bestaande verlegregeling te wijzigen – voor een
belangrijk deelgelegen is in (a) het scheppen van de mogelijkheid precariobelasting te heffen.
onvoldoendezwaarwegend te achten. Het gerede belang inkomsten uit (algemene) belastingen te genereren, zo heeft het hof overwogen, kan de onderhavige opzegging niet rechtvaardigen, te minder nu deze in zoverre mede voor rekening van andere afnemers dan de burgers van de gemeente zullen kunnen komen.
afgewogen, is het tevergeefs voorgesteld.
voldoende”zwaarwegende grond – een relatief begrip – naar haar aard noodzaakt tot een afweging van de relevante belangen. Dienovereenkomstig heeft het hof in rov. 5.11 alle in het subonderdeel genoemde redenen voor opzegging én de daarmee voor de gemeente gemoeide belangen (voor zover relevant) afgewogen tegen de belangen van Vitens, met medeneming van de (overige) omstandigheden van het geval.
beleidsvrijheidtoekomt en wel in die zin dat beleidswijzigingen in beginsel een afdoende reden (kunnen) opleveren voor beëindiging door een overheidsorgaan van een met haar gesloten (privaatrechtelijke) overeenkomst. [58]
terughoudendhad dienen te toetsen, aldus het onderdeel. [59]
in redelijkheid” tot de beleidswijziging en de daarmee samenhangende opzeggingsgronden had kunnen komen.
De Ronde Venen/Stedin c.s. Op grond van die maatstaf lag het hof immers niet ter beoordeling voor of de gemeente “
in redelijkheid” tot de beleidswijzing heeft kunnen komen, maar of de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrachten dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Deze beoordeling vergt een “volle” toets aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval.
GCN/Nieuwegein [60] ging het om een vordering tot nakoming van een op een overheidslichaam rustende verbintenis uit een (publiekrechtelijke) overeenkomst. In dit arrest oordeelde uw Raad:
X/Staat [65] en
DNB/Vie d’Or [66] kunnen de gemeente niet baten. In die arresten ging het om de vraag of de betrokken overheidslichamen (Arbeidsinspectie resp. Verzekeringskamer) aansprakelijk waren wegens het onvoldoende uitoefenen van toezicht. Uw Raad overwoog in beide zaken dat de aan die overheidslichamen toekomende beleids- en beoordelingsvrijheid een terughoudende toetsing van de rechter meebrengt, waarbij het erom gaat of het overheidslichaam in redelijkheid tot de desbetreffende beslissing heeft kunnen komen. Deze overwegingen hebben m.i. geen relevantie voor het onderhavige geval, nu de betreffende aansprakelijkheidsvraag een geheel andere is dan de vraag of en onder welke voorwaarden een overheidslichaam bevoegd is een overeenkomst op te zeggen.