Conclusie
1.Overzicht
Spezial-
Sondervermögenzonder rechtspersoonlijkheid met één gerechtigde recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting op grond van art. 10 Wet Pro op de dividendbelasting 1965 (Wet Divb) in combinatie met het EU-rechtelijke verbod op belemmering van het vrije kapitaalverkeer (art. 63 VwEU Pro). Het Hof heeft u daartoe de volgende vragen gesteld:
Spezial-Sondervermögen, een naar Duits recht ingesteld
open-endedbeleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid. Naar Duits recht is hij een doelvermogen. In hem kan alleen geparticipeerd worden door niet-natuurlijke personen. Hij is vrijgesteld van
Körperschaftsteueren
Gewerbesteuer. Hij is ingesteld door een [Bank] die vanaf zijn instelling steeds als enige gerechtigd is geweest tot zijn vermogen. Zijn vermogen wordt beheerd door een
Kapitalverwaltungsgesellschaft, [A] , die hem vertegenwoordigt. [A] belegt in eigen naam, maar voor rekening en risico van [Bank] . Als bewaarder (Depotbank) van belanghebbendes vermogenstitels treedt op [B] . Volgens het Hof Den Bosch is de belanghebbende naar Nederlands recht fiscaal transparant omdat er structureel slechts één gerechtigde tot zijn vermogen is; volgens het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) is de belanghebbende ook naar Duits recht fiscaal transparant.
Anstalt des öffentlichen Rechtsmet rechtspersoonlijkheid en is onderworpen aan
Körperschaftsteueren
Gewerbesteuer. ZIj is een (spaar)bank opgericht door Duitse gemeenten. Haar vermogen is niet in aandelen verdeeld. Zij streeft naar winst, maar heeft ook tot taak het dienen van het
Gemeinwohl.
Spezial-Sondervermögenmet Nederlandse rechtsfiguren, met name met een al dan niet open fonds voor gemene rekening of een doelvermogen, zijn mijns inziens alleen relevant als dat
Vermögenopbrengstgerechtigd is in de zin van art. 1(1) Wet Divb. Niet-opbrengstgerechtigden komen hoe dan ook niet in aanmerking voor teruggaaf (art. 10 Divb Pro eist immers ‘te
zijnenlaste ingehouden’ dividendbelasting). Of de belanghebbende opbrengstgerechtigd is, moet vastgesteld worden naar Nederlandse fiscaalrechtelijke maatstaven, toegepast op de Duitse civielrechtelijke kenmerken en de feitelijke omstandigheden van het
Vermögen. Als hij een voldoende zelfstandig rechtssubject is om onder art. 1(1) Wet Divb te vallen, dan moet bezien worden met welke Nederlandse rechtsfiguur zijn situatie het meest overeenkomt. Het EU-recht verplicht Nederland om hem fiscaal niet ongunstiger te behandelen dan die vergelijkbare ingezetene. Als de belanghebbende onvoldoende zelfstandig/afgescheiden is van zijn insteller om als opbrengstgerechtigde in de zin van art. 1(1) Wet Divb te gelden, dan is zijn insteller (een
[Bank]) de opbrengstgerechtigde en daarmee degene die het verzoek om teruggaaf moet doen.
niet-transparante belanghebbende, of met een transparante belanghebbende waarachter
nieteen overheidslichaam zit dat staatssteuncomplicaties oplevert die beoordeling belemmeren.
junctoart. 6:11 Awb Pro anders uit te leggen dan inhoudende dat ofwel belanghebbendes verzoek geacht wordt (mede) namens [Bank] gedaan te zijn, ofwel [Bank] ondanks termijnoverschrijding een nieuwe redelijke termijn krijgt om ofwel te bevestigen dat zij vertegenwoordigd wordt/werd, ofwel alsnog zelf een verzoek in te dienen.
Köln-Aktienfonds [A] [1] ).
2.Feiten, geschil en procesverloop
Spezial-Sondervermögen, i.e. een naar Duits recht ingesteld
open-endedbeleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid. Het Hof heeft in zijn eerste tussenuitspraak vastgesteld dat die term
open-endedweinig betekent nu er nooit meer dan één gerechtigde is geweest. [2] Naar Duits recht is de belanghebbende een doelvermogen. Hij is vrijgesteld van de Duitse
Körperschaftsteueren
Gewerbesteuer. In zijn vermogen kan alleen geparticipeerd worden door niet-natuurlijke personen. Het HvJ EU heeft in belanghebbendes zaak vastgesteld [3] dat deelnemers in zo’n fonds worden geacht de door het fonds ontvangen dividenden zelf te ontvangen naar rato van hun participatie en dat zij daarover belasting betalen in overeenstemming met hun persoonlijke fiscale status naar Duits belastingrecht. Ik maak daaruit op dat de belanghebbende naar Duits recht fiscaal transparant is.
[Bank]( [Bank] ). Zijn vermogen is een afgescheiden beleggingsvermogen, waartoe vanaf zijn instelling uitsluitend één persoon gerechtigd is geweest: [Bank] , die alle bewijzen van gerechtigdheid houdt. Belanghebbendes vermogen wordt beheerd door een
Kapitalverwaltungsgesellschaft, [A] Investment GmbH ( [A] ), die hem vertegenwoordigt in het rechtsverkeer met derden. [A] belegt in eigen naam, maar voor rekening en risico van [Bank] . Als bewaarder (
Depotbank) van belanghebbendes vermogenstitels treedt op de
[B]( [B] ). De belanghebbende kan nieuwe bewijzen van gerechtigdheid uitgeven, maar alleen met toestemming van [Bank] . [Bank] kan haar bewijzen slechts met toestemming van [A] vervreemden aan derden, maar [A] kan toestemming alleen weigeren in de gevallen genoemd in de tussen [Bank] , [B] en [A] gesloten overeenkomst. Deze drie partijen zijn verder overeengekomen dat [A]
Anstalt des öffentlichenRechtsmet rechtspersoonlijkheid en is onderworpen aan aan zowel de
Körperschaftsteuerals de
Gewerbesteuer. Zij is opgericht door samenwerkende Duitse gemeenten. Haar vermogen is niet in aandelen verdeeld: zij heeft geen aandeelhouders, deelgerechtigden of leden. [Bank] is een (spaar)bank en streeft naar winst, maar zij heeft ook een publieke taak ex art. 2 van Pro de
[Bankwet voor Deelstaat], waaronder zekerstelling van concurrerende kredietverlening, bevordering van de spaarzin/vermogensvorming onder brede lagen van de bevolking en de financiële opvoeding van jongeren en startende ondernemers, en meer algemeen het dienen van het
Gemeinwohl. [Bank] gebruikt haar inkomsten mede tot ondersteuning van sociale, culturele, sportieve, wetenschappelijke en educatieve activiteiten in haar regio. Zij is onderworpen
Vorstand(dagelijks bestuur) dat onder toezicht staat van een
Verwaltungsrat, die ook de leden van de
Vorstandbenoemt. De
Verwaltungsratbestaat uit vertegenwoordigers van de gemeenten die [Bank] hebben opgericht en werknemers van [Bank] . De gemeenten beslissen of de uit de [Bank] -werknemers voorgedragen kandidaat-
Verwaltungsräteworden benoemd. Bij liquidatie van [Bank] komt een liquidatiesaldo ten goede aan (het samenwerkingsverband van) de gemeenten die haar hebben opgericht.
Anlagebuchrekent, zijn de dividenden bij [Bank] effectief voor 95% vrijgesteld van Duitse winstbelasting, zonder verrekening van de Nederlandse dividendbelasting. Als [Bank] haar belang in de belanghebbende tot haar
Handelsbuchrekent, zijn de dividenden belast, maar mét aanspraak op verrekening van Nederlandse dividendbelasting. Als de litigieuze dividendbelasting bij [Bank] geheel kan/kon worden verrekend met dier winstbelasting, hebben wij volgens mij geen zaak (zie HvJ EU
De Groot [5] en
Amurta [6] ). Het dossier bevat echter een verklaring dat het belang in de belanghebbende in de geschiljaren tot het
Anlagebuchvan [Bank] behoorde, waaruit ik opmaak dat de dividenden voor 95% waren vrijgesteld, uiteraard alsdan zonder verrekening.
alsde teruggaafregeling leidt tot ongeoorloofde staatssteun (hetgeen ter uitsluitende beoordeling van de Commissie staat), de nationale rechter niet bevoegd is om te beoordelen of het woonplaatsvereiste verenigbaar is met het vrije verkeer van kapitaal. De rechter kan volgens het HvJ EU
a fortiorigeen teruggaaf verbinden aan een eventuele schending, door dat woonplaatsvereiste, van het vrije verkeer van kapitaal. Ik maak daaruit op dat de nationale rechter niet bevoegd is om teruggaaf te verlenen op basis van een vergelijking van [Bank] met ingezeten overheidsbedrijven in de litigieuze jaren.
3.De procedure in feitelijke instanties en de prejudiciële vragen
open-endfonds zonder toestemming van [Bank] aandelen kan uitgegeven, en (v) hij naar Duits fiscaal recht als zelfstandig, zij het subjectief vrijgesteld rechtssubject wordt aangemerkt. De rechtbank achtte de belanghebbende daarom vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening en heeft hem aangemerkt als doelvermogen in de zin van art. 3(1)(c) Wet Vpb. Dat de belanghebbende geen rechtspersoon is en mogelijk niet vergelijkbaar is met een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, doet daar volgens de Rechtbank niet aan af. Vervolgens heeft de Rechtbank echter geoordeeld dat de belanghebbende objectief onvoldoende vergelijkbaar is met een vrijgesteld lichaam ex art. 10(1) Wet Divb om bij vestiging in Nederland niet-onderworpen te zijn, zodat hij evenmin onder art. 10(4) (thans (2)) Wet Divb valt, en dat hij evenmin vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi) ex art. 28 Wet Pro Vpb omdat hij geen instelling voor collectieve belegging is en dus geenszins aan de aandeelhouderseisen van die bepaling voldoet, terwijl zijn enige gerechtigde ( [Bank] ) een bank is die bij vestiging in Nederland vennootschapsbelastingplichtig zou zijn.
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis en beleidsbesluiten
sinds 1 augustus 2007: als bedoeld in artikel 28 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969] wordt op haar verzoek (…) teruggaaf verleend van in een jaar te haren laste ingehouden dividendbelasting. De eerste volzin is niet van toepassing op dividendbelasting naar opbrengsten met betrekking waartoe de rechtspersoon (
sinds 26 juli 2002: vennootschap) niet de uiteindelijk gerechtigde is. (…).”
speciesis van het
genus‘doelvermogens’: [33]
nietwordt toegepast op “rechtsfiguren die vergelijkbaar zijn met de vereniging, de stichting, het fonds voor gemene rekening, de trust en overige doelvermogens”. Dit besluit is vervangen door een besluit van 22 december 2009, [37] dat opmerkelijkerwijs rechtsvormen met één gerechtigde als ‘samenwerkingsverband’ aanmerkt, maar dat opnieuw
nietgaat over “de rechtsvormen die vergelijkbaar zijn met de vereniging, de stichting, het fonds voor gemene rekening (zie hiervoor het Besluit van 11 januari 2007, nr. CPP2006/1870M) [zie 4.21 hieronder; PJW], de trust en overige doelvermogens.”
1. Inleiding
2.Definitie
3.Toestemmingsvereiste bij verhandelen van participaties
toegevoegd per 11 januari 2007: Indien voor een toetreding of een vervanging aan alle participanten schriftelijk toestemming is gevraagd en die toestemming niet binnen vier weken wordt geweigerd, mag er van worden uitgegaan dat de toestemming is verleend. De genoemde termijn gaat lopen op de dag na die waarop aan alle participanten schriftelijk toestemming is gevraagd. Het begrip toestemmingsvereiste in dit besluit wordt op deze wijze uitgelegd.] Verder geldt een fonds als besloten als de vervreemding van de bewijzen van deelgerechtigheid uitsluitend kan geschieden aan het fonds zelf of aan bloed- en aanverwanten in de rechte lijn van de participant, ook zonder dat daarvoor de toestemming van alle participanten vereist is. Ook indien de participaties uitsluitend te vervreemden zijn aan het fonds zelf en het fonds deze participaties na koop in portefeuille houdt om vervolgens deze participaties eventueel opnieuw uit te geven, blijft er sprake van een besloten fonds voor gemene rekening.
5.Rechtspraak
Het Hof van Justitie van de EU
Walter Stauffer [41] betrof een in Italië gevestigde stichting van algemeen nut, die eigenaar was van een bedrijfspand in Duitsland. Duitsland kende een belastingvrijstelling voor rechtspersonen die uitsluitend en rechtstreeks doelen van algemeen nut nastreven, maar alleen voor onbeperkt belastingplichtigen (ingezetenen). Het HvJ EG achtte de lidstaten niet verplicht om buitenlandse stichtingen die in hun vestigingsstaat als algemeen nuttig zijn aangemerkt ook binnen hun eigen jurisdictie automatisch als zodanig te erkennen. Wanneer een zodanige stichting echter óók beantwoordt aan de nationale voorwaarden voor erkenning en de bevordering van identieke algemene belangen nastreeft, is zij vergelijkbaar met ingezeten erkend algemeen-nuttige stichtingen en kan haar de vrijstelling niet onthouden worden, tenzij daarvoor een dwingende reden van algemeen belang bestaat:
Aberdeen Property [42] betrof de vraag of een Luxemburgse, aldaar niet-onderworpen SICAV (
Société d'investissement à capital variable) die Finse dividenden ontving, voor de Finse bronheffing op dividend vergelijkbaar was met een ingezeten kapitaalvennootschap. Het HvJ EG oordeelde dat, nu een ingezeten kapitaalvennootschap objectief niet was onderworpen voor Fins dividend, ook een niet-ingezeten ontvangende kapitaalvennootschap gevrijwaard moest worden van Finse winstbelastingheffing in de vorm van dividendbelasting, zelfs als zij in haar thuisland niet onderworpen zou zijn:
Amurta [43] betrof een Portugese vennootschap die 14% van de aandelen in een Nederlandse BV hield. Als Amurta in Nederland was gevestigd, zou zij recht hebben gehad op de deelnemingsvrijstelling en zou inhouding van dividendbelasting op uitkeringen door de BV achterwege zijn gebleven. Het HvJ EG achtte het onthouden van de inhoudings-vrijstelling discriminatoir, maar die discriminatie zou kunnen worden geneutraliseerd door verrekening in Portugal op basis van het Nederlands-Portugese belastingverdrag:
De Groot. [44] Het is evident (i) dat het voor de dividendontvanger om het even is op welke basis zijn woonstaat een belemmering door een bronstaatheffing wegneemt en (ii) dat een verplichting tot terugaaf in de bronstaat ondanks verrekening in de woonstaat slechts tot zinloze bureaucratie leidt: de betrokkene moet teruggaaf in de bronstaat vragen, hetgeen denkelijk niet soepeler loopt dan de verrekening waarop hij recht heeft in zijn woonstaat, terwijl de bronstaat een resititutie uiteraard zal renseigneren aan de woonstaat, die vervolgens uiteraard een verleende verrekening ongedaan zal maken door naheffing, wellicht met boete, omdat na teruggaaf geen recht op verrekening in de woonstaat bestaat. Daar heeft de adressaat van de verkeersvrijheden dus niets aan. Waar de soevereine jurisdictie-uitoefening van de twee betrokken lidstaten
niettot enige verkeersbelemmering leidt (doordat zij op welke wijze dan ook is opgeheven), is het HvJ EU bovendien mijns inziens niet bevoegd iets te vinden; er is dan immers geen verkeersbelemmering.
Denkavit Internationaal en Denkavit France [45] en het latere arrest in de inbreukprocedure
Commissie v. Italië [46] volgt dat een discriminatie die veroorzaakt zou worden door een bronstaatheffing verdwijnt als zij in de woonstaat wordt geneutraliseerd door verrekening
Truck Center [47] ging over de Belgische roerende voorheffing op rente ten laste van niet-ingezeten vennootschap waarvan een ingezeten vennootschap was vrijgesteld, maar die laatste was onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Het HvJ achtte dat verschil in heffings- en inningstechniek niet in strijd met de vrijheden van vestiging en kapitaalverkeer als de voorheffingsdruk niet hoger is dan de eindheffingsdruk:
Miljoen,
X.en
Société Générale [48] leren dat dividendbelasting als eindheffing op uitgaand dividend onverenigbaar is met het vrije kapitaalverkeer voor zover die belasting hoger is dan het bedrag dat bij ingezetenen na verrekening met de eindheffing waaraan ingezetenen zijn onderworpen uiteindelijk wordt geheven:
Santander [49] vroeg de Franse belastingrechter of bij de beoordeling van de vraag of niet-ingezeten icbe's [50] voor de Franse dividendbelastingheffing al dan niet gelijk worden behandeld als ingezeten icbe's ook de fiscale positie van de beleggers in de icbe’s in aanmerking moest worden genomen. Het HvJ EU beantwoordde die vraag in dat geval ontkennend omdat Frankrijk ook bij ingezeten icbe’s geen gevolgen voor de bronheffing ten hunnen laste verbond aan de fiscale positie van hun participanten, zodat de ongunstiger heffing ten laste van niet-ingezeten icbe’s uitsluitend berustte op hun niet-ingezetenschap:
Fidelity Funds [51] achtte het Hof onverenigbaar met vrij kapitaalverkeer dat Denemarken ingezeten icbe’s vrijstelde van belasting over ontvangen dividenden op voorwaarde dat zij dooruitdeelden en dan zelf zouden inhouden ten laste van hun beleggers, terwijl niet-ingezeten icbe’s niet vrijgesteld werden omdat zij niet aan Deense inhoudingsplicht onderworpen konden worden, zulks omdat er een minder belemmerende maatregel denkbaar zou zijn, nl. dezelfde vrijstelling verlenen onder dezelfde voorwaarde, i.e. vrijwillige betaling van dezelfde inhoudingsbelasting als ingezeten icbe’s:
BNB2013/37 [52] betrof een in Spanje gevestigde en daar winstbelastingplichtige vennootschap die meer dan 5% van de aandelen hield in een Nederlandse kapitaal-vennootschap. Zij had recht op teruggaaf van de te haren laste ingehouden dividend-belasting, net zoals een in Nederland gevestigde vennootschapsbelastingplichtige vennootschap met een deelneming groter dan 5%:
BNB2014/20 [53] betrof een in Finland gevestigd
open endbeleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid dat in Finland was vrijgesteld van winstbelasting. Met een beroep op het EU-vrije-kapitaalverkeer vroeg hij de te zijnen laste ingehouden Nederlandse dividendbelasting terug ex art. 10 Wet Pro Divb. Niet in geschil was dat hij, ware hij in Nederland gevestigd, vennootschapsbelastingplichtig zou zijn geweest, en dat voor zijn vrijstelling in Finland niet vereist was dat hij zijn beleggingswinsten dooruitdeelde aan zijn deelnemers. In geschil was of het Finse fonds desondanks voor de toepassing van art. 10(1) Wet Divb voldoende vergelijkbaar was met een in Nederland gevestigd niet-onderworpen lichaam of een fbi, gegeven dat hij in zijn vestigingsstaat niet was onderworpen aan winstbelasting. U meende van niet:
BNB2006/288 [54] was een houdster- en financierings-maatschappij die met twee in de VS gevestigde limited partnerships deelnam in een
limited liability company(LLC). De belanghebbende was voor 20% gerechtigd in de LLC. In geschil was of de LLC fiscaal transparant was en zo neen, of het LLC-kapitaal geheel of ten dele in aandelen was verdeeld. De conclusie in die zaak vermeldde over fiscale transparantie:
BNB2007/276 [66] betrof de eigenaar van een aantal plantagekavels. Alle kaveleigenaren waren lid van een coöperatieve vereniging waarin zij alle uit hun eigendomsrechten voortvloeiende rechten en plichten hadden ingebracht met uitzondering van de juridische eigendom. In geschil was of hun gerechtigdheid in de coöp gelijk gesteld kon worden met participaties in een fonds voor gemene rekening. U oordeelde:
BNB1990/5 [67] over de heffing van (de in 2006 afgeschafte [68] ) kapitaalsbelasting ten laste van een beleggingsfonds is A-G Moltmaker ingegaan op de verschillen en overeenkomsten tussen de termen ‘maatschap’ en ‘doelvermogen’ in art. 32 (oud) Wet BvR. Die bepaling luidde als volgt:
Amro Aandelen Fonds [69] ).U oordeelde dat de participaties in dat aandelenfonds moesten worden beschouwd als aandelen waarin het kapitaal van het fonds was verdeeld, en dat het fonds zelf een ‘doelvermogen’ was in de zin van art. 32(2) (oud) Wet BvR:
BNB1999/35 [70] , HR
BNB1999/36 [71] en HR
BNB1999/37 [72] betroffen de heffing van schenkingsrecht over vermogen geschonken aan een
irrevocable discretionary trust.U merkte de
trustaan als een ‘doelvermogen’ en als de ‘verkrijger’ voor de heffing van schenkingsrecht. U overwoog (zaak HR
BNB1999/35 [73] ):
open end authorised unit trusts. Die conclusie vermeldt het volgende over de verhouding tussen vennootschapsbelastingplicht, subjectieve belastingplicht voor de dividendbelasting (opbrengstgerechtigdheid ex art. 1(1) Wet Divb) en fiscale transparantie: [74]
Eigennützige Privatstiftungrecht heeft op teruggaaf van dividendbelasting. De conclusie vermeldt het volgende over de civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke kwalificaties van een buitenlandse entiteit:
6.Literatuur
5.3 Gemene rekening
7.Beantwoording van de prejudiciële vragen
open end authorised unit trusts) en van 26 juni 2019 in de bij u aanhangige zaak 19/01293 (over een teruggaafverzoek van een Oostenrijkse éénpersoons-
Privatstiftung) betogen dat voor toegang tot (teruggaaf ex) art. 10 Wet Pro Divb is vereist dat de verzoeker opbrengstgerechtigd is in de zin van art. 1(1) Wet Divb. Als er geen dividendbelasting ‘te
zijnenlaste’ is ingehouden, valt een verzoeker immers niet onder art. 10 Wet Pro Divb: het gaat om de belastingplichtige
voor de dividendbelasting. Is die persoon niet tevens belastingplichtig voor de eindheffing – in dit geval de vennootschapsbelasting – dan is de dividendbelasting als voorheffing op die eindheffing misplaatst en moet zij dus worden teruggegeven. Daarin voorziet art. 10 Wet Pro Divb dan ook.
trusts. Deze bepaling impliceert dat dergelijke doelvermogens naar Nederlands recht fiscaal niet transparant zijn. Zij worden immers expliciet aangewezen als belastingplichtig. Dat betekent mijns inziens dat zij ook dividendbelastingplichtig zijn, want de bedoeling van de dividendbelasting als bronheffing is om in elk geval alle eindheffingsplichtigen te treffen, zoals – expliciet - niet-ingezeten doelvermogens.
Alsde belanghebbende een ‘doelvermogen’ is in de zin van art. 3 Wet Pro Vpb, is hij dus naar Nederlands recht fiscaal niet transparant en daarmee opbrengstgerechtigde voor de dividendbelasting. Hij heeft dan in beginsel toegang tot art. 10(4) (thans (2)) Wet Vpb, en kan zich ook rechtstreeks beroepen op art. 63 VwEU Pro (vrij kapitaalverkeer) om dezelfde fiscale behandeling te verkrijgen als de ingezetenen bedoeld in art. 10(1) Wet Divb omdat een ingezeten doelvermogen zonder rechtspersoonlijkheid (dat niet onder één van de in art. 2 Wet Pro Vpb genoemde rechtsvormen valt), niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen.
Alsde belanghebbende een doelvermogen is in de zin van art. 3 Wet Pro Vpb en bij vestiging in Nederland niet onder art. 2 Wet Pro Vpb zou vallen (dus als ‘doelvermogens’ ziet op niet-ingezeten lichamen die niet onder art. 2 Wet Pro Vpb vallen), heeft hij dus in beginsel recht op teruggaaf van dividendbelasting ex art. 10(4) (thans (2)) Wet Divb.
trusts [128] schreef - dat het EU-recht ertoe noopt om ‘doelvermogens’ in art. 3 Wet Pro Vpb. zó uit te leggen dat er alleen onder kunnen vallen lichamen die bij binnenlandse vestiging onder de binnenlandse belastingplicht van art. 2 Wet Pro Vpb zouden vallen. Een ruimere reikwijdte van ‘doelvermogens’ in art. 3 Wet Pro Vpb zou immers bepaalde niet-ingezeten lichamen vennootschapsbelastingplichtig maken voor inkomsten waarvoor geen enkel ingezeten lichaam belast wordt. De kring van buitenlands vennootschapsbelastingplichtigen zou ruimer zijn dan de kring van binnenlands belastingplichtigen voor hetzelfde inkomen. Dat lijkt mij EU-rechtelijk een discriminatie van niet-ingezetenen waarvoor ik geen rechtvaardiging kan bedenken.
dividendbelastingen daardoor evenmin teruggaafgerechtigd. Het Hof vraagt u desondanks, dus in abstracto, naar eventuele kwalificeerbaarheid van individuele beleggingsfondsen voor de
vennootschapsbelasting:
deelgerechtigd
enzijn. Aldus ook de literatuur (zie met name Vermeulen en De Vries/Sillevis in onderdeel 6.4 resp. 6.2 hierboven). Dat wordt niet anders doordat de wetgever heeft verklaard dat het zo kan zijn dat tot het vermogen van een open fonds voor gemene rekening tijdelijk slechts één persoon is gerechtigd, zoals met name vóór opening van de inschrijving op de uit te geven participaties of ná een inkoop van de participaties van anderen zonder dat blijkt dat niet herplaatst zal worden, en dat het fonds in die omstandigheden niettemin zelfstandig belastingplichtig blijft (zie 4.17 hierboven).
structureelslechts voor individuele rekening en risico van één persoon belegd, zoals in casu, dan kan van ‘collectieve belegging’ of van belegging ‘voor gemene rekening’ niet worden gesproken, laat staan van ‘open’heid van het fonds. Dan heeft die ene persoon een deel van zijn individuele vermogen afgezonderd zonder daaraan rechtspersoonlijkheid te geven om op een bepaalde manier voor alleen hem belegd te worden. Ik zie niet in waarom dat anders zou zijn als die enige gerechtigde tot het gehele – niet door rechtspersoonlijkheid afgezonderde - fondsvermogen een financiële instelling is die mogelijk op haar beurt (wél) voor een collectief van derden (rekeninghouders) belegt, zoals [Bank] .
geachtworden hun toestemming te hebben verleend.
Überseering [131] -rechtspraak van het HvJ EU, brengt mijns inziens mee dat – ongeacht de reikwijdte van het belanghebbende-begrip in art. 8:1 Awb Pro en in art. 26a(1) AWR - belanghebbendes fiscale procesbevoegdheid in Nederland moet worden erkend. U zie nader onderdeel 8.10 van de conclusie van 23 november 2018 in de bij u aanhangige zaken met nrs. 18/01052, 18/01053, 18/01056, 18/01058, 18/01061, 18/01062 en 18/01065 (Schotse
trusts). Ook het beginsel van de effectiviteit van het EU-recht wijst die kant op: als de belanghebbende te goeder trouw kon menen dat hij de opbrengstgerechtigde ex art. 1(1) Wet Divb was en op grond van EU-recht gerechtigd tot teruggaaf van de dividendbelasting, en pas door een rechterlijke uitspraak ná verloop van de teruggaafverzoektermijn van art. 21c Uitv. Reg. AWR 1994 (tekst 2002- 2008: drie jaar) [132] , [133] blijkt dat niet hij, maar [Bank] als opbrengstgerechtigde moet worden beschouwd, dan wordt de toegang tot het EU-recht mijns inziens onevenredig bemoeilijkt [134] door art. 60 AWR Pro juncto art. 6:11 Awb Pro anders uit te leggen dan inhoudende dat ofwel belanghebbendes verzoek geacht wordt (mede) namens [Bank] gedaan te zijn, ofwel (als de Ontvanger schriftelijke zekerheid veiliger vindt) [Bank] ondanks termijnoverschrijding een nieuwe redelijke termijn krijgt om ofwel te bevestigen dat zij vertegenwoordigd wordt/werd door de belanghebbende, ofwel alsnog zelf een verzoek in te dienen.
geachtworden in te stemmen. Daaruit blijkt dat de statuten op zichzelf niet beslissend zijn voor de beoordeling van de verhandelbaarheid van participaties. Kenmerkend voor besloten fondsen is volgens de wetgever (zie 4.17 hierboven) dat de rechtstreekse band tussen deelnemers en belegde waarden blijft bestaan, zonder een jegens derden als zelfstandig orgaan optredende instelling zoals bij open beleggingsfondsen. Voor besloten fondsen voor gemene rekening geldt ‘transparence fiscale,’ aldus verslag van het mondeling overleg over het wetsvoorstel Vpb 1969 (zie 4.18), zodat de participant in een besloten fonds dividenden geniet op het moment waarop het fonds hen ontvangt.
gemenerekening kan worden beschouwd. Ook het HvJ EU heeft de belanghebbende als fiscaal transparant aangemerkt (zie 2.1). Voor [Bank] lijkt mij een en ander evenmin van belang, nu [Bank] een vennootschapsbelastingplichtige bank is en ofwel ook bij vestiging in Nederland vennootschapsbelastingplichtig zou zijn (en dus niet teruggaafgerechtigd), ofwel (aldus het Hof Den Bosch) bij vestiging in Nederland in de geschiljaren vergelijkbaar was met de toen nog vrijgestelde publiekrechtelijk lichamen ex art. 2(7) (oud) wet Vpb; omdat die vrijstelling volgens de Commissie verboden staatssteun was, is de Nederlandse rechter volgens het HvJ EU niet bevoegd teruggaaf te verlenen op basis van de verkeersvrijheden omdat die beoordeling onlosmakelijk samenhangt met de staatssteunbeoordeling waartoe alleen de Commissie bevoegd is.
Alsde belanghebbende een zelfstandig niet-ingezeten ‘doelvermogen’ ex art. 3 Wet Pro Vpb, is hij daarmee ook opbrengstgerechtigde voor de dividendbelasting. Nu fiscaal zelfstandige doelvermogens zonder rechtspersoonlijkheid in art. 2 Wet Pro Vpb niet als binnenlands belastingplichtig worden aangewezen, lijkt de belanghebbende dus,
alshij een doelvermogen ex art. 3 Wet Pro Vpb is, in beginsel recht op teruggaaf van dividendbelasting ex art. 10(4) (thans (2)) Wet Divb te hebben, en vóór invoering van die bepaling recht op gelijke behandeling te hebben als de adressaten van art. 10(1) Wet Divb op grond van het vrije kapitaalverkeer (thans art. 63 VwEU Pro).
BNB2014/20 [135] en onderdeel 8.6 van de conclusies van 23 november 2018 in de aanhangige Schotse
trust-zaken [136] ), tenzij hij tot hetzelfde resultaat leidt als de rechtspraak van het HvJ EU inzake het de EU-verkeersvrijheden.
BNB2014/20 (zie 5.9 hierboven) overwoog u dan ook dat het doel van de regeling is om de subjectieve niet-onderworpenheid aan vennootschapsbelasting uit te breiden naar de dividendbelasting voor bepaalde rechtspersonen die vanwege (i) de aard van hun activiteiten of (ii) de bestemming van de daarmee behaalde winst niet zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting. Tot andere rechtspersonen strekt die bedoeling zich niet uit en buitenlandse rechtsvormen die niet gekenmerkt worden door ontbreken van winststreven of door winstbestemming aan een algemeen belang moeten daarom met die
andererechtspersonen worden vergeleken, aldus HR
BNB2014/20.
Gemeinwohlbeoogt. Het staat aan de feitenrechter om de activiteiten van de belanghebbende en de (uiteindelijke, traceerbare) bestemming van zijn beleggingswinsten te onderzoeken, maar de
aard van zijn activiteiten(beleggen) lijkt mij niet tot teruggaaf te kunnen leiden; wel zou de eventuele maatschappelijke of sociale (uiteindelijke)
bestemming van zijn beleggingswinsten(door [Bank] ) kunnen stroken met de ratio van de vrijstellingen in art. 5 en Pro 6 Wet Vpb, maar op het eerste oog lijkt mij het winststreven van [Bank] aan vergelijkbaarheid met ingezeten teruggaafgerechtigden in de weg te staan. Dat winststreven lijkt geenszins bijzaak, gegeven onder meer haar (wettelijke) doel om een goede kredietverleningsconcurrentie te bevorderen. [Bank] zal ook niet voor niets aan zowel
Körperschaftsteuerals
Gewerbesteueronderworpen zijn.
i.e.voor de periode tot 1 januari 2007, toen art. 10(4) (thans (2)) Wet Divb nog niet bestond, ziet het er dus naar uit dat de belanghebbende geen recht op teruggaaf kan doen gelden. Het EU-recht verplicht Nederland niet om de buitenlandse civielrechtelijke kwalificatie of fiscaalrechtelijke vrijstelling van een buitenlands lichaam over te nemen (HvJ EG
Walter Staufferen
Aberdeen Propertyen HR
BNB2014/20; Zie 5.1, 5.2 en 5.9 hierboven), maar slechts om een niet-ingezeten lichaam niet ongunstiger te behandelen dan een – op basis van de ratio van nationaal recht - materieel vergelijkbaar ingezeten lichaam. Ervan uitgaande, zoals vraag 5 doet, dat de belanghebbende opbrengstgerechtigd is, moet hij dus voor de periode vóór 2007 vergeleken worden met een ingezeten niet-transparant beleggingsfonds. Een dergelijk beleggingsfonds was vennootschapsbelastingplichtig. Het kon weliswaar de dividendbelasting verrekenen, maar omdat het tarief van de vennootschapsbelasting aanzienlijk hoger was dan dat van de dividendbelasting en beleggingsfondsen typisch hun beleggingen niet vreemd financieren en dus geen rentekosten hebben, werd de belanghebbende niet ongunstiger belast dan een ingezeten niet-transparant beleggingsfonds werd. Geen van beiden had recht op teruggaaf. Anders gezegd: vóór 2007 slaagde Nederland voor de
Truck Center- en
Miljoen-test (zie 5.4 en 5.5 hierboven; zie ook de zaken
Gerritse, [137] Turpeinen [138] en
Bouanich [139] ): een lidstaat mag niet-ingezetenen volgens een afwijkend stelsel belasten (bronheffing in plaats van eindheffing, bruto met laag tarief in plaats van netto met hoog tarief, etc.), mits de resulterende belastingdruk voor de niet-ingezetene niet hoger is dan de belastingdruk op hetzelfde inkomen bij de vergelijkbare ingezetene.
Truck Center- en
Miljoen-test, maar kent een recht op teruggaaf toe aan een buitenlands ‘lichaam’ als aan drie voorwaarden is voldaan: (i) vestiging in een EU/EER-Staat; (ii) niet aan winstbelasting onderworpen in die vestigingsstaat en (iii) evenmin aan Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen bij vestiging in Nederland. De wetgever wilde daarmee voldoen aan de EU-rechtelijke vrij-verkeernorm dat grensoverschrijdende gevallen niet ongunstiger worden behandeld dan vergelijkbare binnenlandse gevallen. Uit de parlementaire geschiedenis (zie 4.8, 4.9 en 4.10 hierboven) volgt dat de wetgever niet-ingezeten vrijgestelden die vergelijkbaar zijn met ingezeten niet-nijvere stichtingen en verenigingen en ingezeten pensioenfondsen, zorginstellingen, openbare leeszalen, etc., gelijk wilde behandelen. Het ging hem met name om pensioenfondsen (zie 4.9 en 4.10 hierboven). De wet
teksteist echter niet dergelijke vergelijkbaarheid, maar stelt alleen de drie genoemde voorwaarden. Daaraan voldoet een ‘doelvermogen’ als bedoeld in art. 3 Wet Pro Vpb als ‘doelvermogen’ wordt uitgelegd als iets dat bij binnenlandse vestiging niet onder art. 2 Wet Pro Vpb zou vallen. Zoals betoogd, meen ik echter dat het EU-recht ertoe noopt ‘doelvermogen’ in art. 3 Wet Pro Vpb uit te leggen als omvattende alleen verschijnselen die bij binnenlandse vestiging onder art. 2 Wet Pro Vpb zouden vallen, zodat een ‘doelvermogen’ ex art. 3 Wet Pro Vpb in geval van binnenlandse vestiging per definitie vennootschapsbelastingplichtig is en daardoor niet teruggaafgerechtigd.
BNB2014/20 en de conclusies in de aanhangige Schotse
trust-zaken – dat ‘doelvermogen’ aan art. 3 Wet Pro Vpb een ruimer bereik geeft dan art. 2 Wet Pro Vpb binnenslands heeft, dan rijst de vraag of de wet
tekst(drie criteria) de doorslag geeft of de
bedoelingvan de wetgever, dan wel of die tekst en die bedoeling met elkaar stroken. Een
Spezial-Sondervermögenzoals de belanghebbende lijkt mij, zoals bleek, op basis van de aard van zijn werkzaamheden (beleggen) niet vergelijkbaar met een niet-nijvere vereniging of stichting of een pensioenfonds, zorginstelling, openbare leeszaal, etc., maar eventuele algemeen-nuttige besteding van zijn winst (via zijn insteller [Bank] ) maakt hem mogelijk vergelijkbaar met de in artt. 5 en 6 Wet Vpb vrijgestelden, al lijkt mij dat niet waarschijnlijk (zie 7.29 hierboven). Die vergelijkbaarheid moet worden bepaald op basis van de feiten en het Duitse (contracten)recht dat zijn positie beheerst.
Truck Center- en
Miljoen-test wilde invoeren. Ik meen daarom dat de thuis-niet-onderworpen-test uitgelegd moet worden als een
Truck Center- en
Miljoen-test. Dat strookt met de algemene plicht van de nationale rechter om zijn nationale recht zoveel mogelijk EU-rechtconform uit te leggen, i.e. volgens de
Truck Center- en
Miljoen-rechtspraak van het HvJ EU. Dat betekent dat als een niet-ingezeten lichaam in zijn thuisstaat wél onderworpen is, maar desondanks vergelijkbaar is met de adressaten van art. 10(1) Wet Divb omdat hij feitelijk geen belasting betaalt in verband met de aard van zijn activiteit of zijn winstbestemming, toch recht op teruggaaf bestaat. Andersom: is een niet-ingezeten lichaam thuis
nietonderworpen, dan is dat geen grond voor teruggaaf als die niet-onderworpenheid niet is gebaseerd op dezelfde gronden als de niet-onderworpenheid van de adressaten van art. 10(1) Wet Divb.
Anteilscheineuitgegeven, maar slechts aan één gerechtigde: [Bank] . Hij heeft nooit meer dan één gerechtigde gehad en uit niets blijkt het concrete voornemen om daar op korte termijn verandering in te brengen. Het lijkt mij dat belanghebbendes vermogen, dat niet afgezonderd is in een rechtspersoon, daarmee “toebehoort” aan [Bank] in de zin van de geciteerde wetsgeschiedenis en dus onvoldoende is afgescheiden van het vermogen van [Bank] om de belanghebbende naar Nederlands recht als zelfstandig belastingplichtig aan te merken. In wezen komt ook de vraag of de belanghebbende een ‘doelvermogen’ is in de zin van art. 3 Wet Pro Vpb is daarmee internrechtelijk neer op de vraag of hij naar Nederlandse maatstaven fiscaal transparant is of niet. Het antwoord daarop hangt af van de feiten, die in cassatie niet kunnen worden onderzocht, en van Duits recht, de schending waarvan geen cassatiegrond is.
Amurta, [141] van belang of een eventueel discriminatoir bevonden Nederlandse heffing in de thuisstaat van de gerechtigde kan worden verrekend met een lokale eindheffing (neutralisering); in het tweede geval lijkt eventuele neutralisering niet relevant omdat art. 10(4) (thans (2)) Wet Divb voor teruggaaf niet de voorwaarde stelt dat de dividendbelasting onverrekbaar is in de thuisstaat van de opbrengstgerechtigde.
De Groot-arrest van het HvJ mijns inziens
good lawis en het in 5.4 geciteerde
Amurta-arrest
bad lawdie de interne markt niet dient maar slechts bureaucratie veroorzaakt waarmee de adressaat van de verkeersvrijheden niets opschiet. Omdat hij er niets mee opschiet – met teruggaaf in de bronstaat wordt immers geen belemmering weggenomen, want die is al weggenomen door verrekening in de woonstaat – valt de verdragseis die het HvJ EU in
Amurtastelt, mijns inziens buiten de bevoegdheid van dat Hof: het HvJ EU is mijns inziens niet bevoegd om primair EU-recht zodanig uit te leggen dat de adressaat van dat EU-recht er niets aan heeft terwijl die uitleg tegelijk wél de - ook volgens het Hof - tot de nationale soevereiniteit behorende heffingsbevoegdheid van de lidstaten aantast. Als er geen belemmering van het vrije verkeer (meer) is, is het HvJ bij afwezigheid van toepasselijk secundair EU-recht mijns inziens niet bevoegd. Een bilateraal belastingverdrag geldt overigens slechts bij de gratie van twee nationale goedkeurings- of implementatiewetten. Het door het HvJ EU gecreëerde zinloze onderscheid tussen verrekening op basis van een nationale voorkomingswet en verrekening op basis van een nationale goedkeurings- of implementatiewet lijkt mij daarom behalve materieel betekenisloos ook gekunsteld. Het HvJ EU heeft nooit aangegeven dat hij zijn expliciet andersluidende arrest
De Grootals onjuist beschouwt en intrekt, laat staan waaróm dat arrest onjuist zou zijn. Om deze redenen meen ik dat in voorkomende gevallen
De Grootals recht geldt; niet de verdragseis ex
Amurta.
collectievebelegging door met name particulieren door middel van inleg in bepaalde instellingen voor
collectievebelegging in effecten zwaarder belast wordt dan individuele belegging. In het geval van de belanghebbende is structureel geen sprake van enige collectieve belegging of enige gemene rekening: hij is een individueel beleggingsvehikel van [Bank] .
Fidelity Fundsen de (tweede) aanvullende conclusie in de bij u aanhangige zaak met nrs. 16/03954 en 17/02428 (
Köln-Aktienfonds [A]), door u verwezen naar het HvJ EU en aldaar bekend onder nummer C-156/17. [142] De belanghebbende komt echter zelfs niet in aanmerking voor toelating tot de mogelijkheid van voldoening van de van fbi’s geheven uitgangsbelasting, nu hij niet aan de aandeelhouderseisen voldoet. U heeft de zaak
Köln-Aktienfonds [A]onder meer verwezen voor de vraag of de Nederlandse aandeelhouderseisen in art. 28 Wet Pro Vpb het EU-recht schenden. De A-G Pitruzzella heeft in die zaak geconcludeerd dat dat niet het geval is. Hij stelt het HvJ EU voor om uw vraag over de EU-rechtelijke aanvaardbaarheid van de aandeelhouderseisen als volgt te beantwoorden: [143]
8.Conclusie
niet-transparante belanghebbende of met een transparante belanghebbende waarachter
nieteen overheidslichaam zit dat staatssteuncomplicaties oplevert die beoordeling belemmeren.
junctoart. 6:11 Awb Pro anders uit te leggen dan inhoudende dat ofwel belanghebbendes verzoek geacht wordt (mede) namens [Bank] gedaan te zijn, ofwel [Bank] ondanks termijnoverschrijding een nieuwe redelijke termijn krijgt om ofwel te bevestigen dat zij vertegenwoordigd wordt/werd, ofwel alsnog zelf een verzoek in te dienen.