Conclusie
eerste middelklaagt over de bewezenverklaring en kwalificatie van het onder 3 ten laste van de verdachte door het hof bewezenverklaarde feit. Voordat ik inga op de drie deelklachten, geef ik weer wat het hof ten laste van de verdachte onder 3 bewezen heeft verklaard, en daarna de overweging die het hof heeft gewijd aan de strafbaarheid daarvan.
tweede middelklaagt over schending van artikel 7 Sr Pro omdat het hof heeft nagelaten het Openbaar Ministerie, wegens het ontbreken van rechtsmacht over de in Iran gepleegde valsheid in geschrift, niet-ontvankelijk te verklaren. Bovendien heeft het hof het bestaan van rechtsmacht ten onrechte niet onderzocht, althans had het hof moeten laten blijken een zodanig onderzoek te hebben verricht.
en/
NJ2008/482 r.o. 4.5 m.nt. A.H. Klip. [2] In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat ter terechtzitting van het hof door of namens de verdachte niet het verweer is gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van rechtsmacht terwijl uit de stukken van het geding niet het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens het ontbreken van rechtsmacht. Het hof was daarom niet gehouden in zijn uitspraak te laten zien dat hij het onderzoek heeft verricht dat in het middel wordt bedoeld.
derde middelklaagt over de bewezenverklaring en kwalificatie van feit 2. Met betrekking tot de bewezenverklaring wordt aangevoerd dat deze niet wordt gedragen door de gebruikte bewijsmiddelen en dat die bewijsmiddelen bovendien innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk zouden zijn. Met betrekking tot de kwalificatie wordt aangevoerd dat deze onjuist of onbegrijpelijk is “in het bijzonder doordat de feitelijke concretisering van het verwijt niet als zodanig kan worden gekwalificeerd”. In de toelichting is niet duidelijk gemaakt wat wordt bedoeld met die “feitelijke concretisering van het verwijt” zodat ik verder niet zal ingaan op de klacht die betrekking heeft op de kwalificatie.
2260 4909 wordt vermeld. De rechtbank heeft geconstateerd dat in deze laatste fax het cijfer twee een keer meer is vermeld. Datzelfde geldt voor het in deze stukken vermelde telefoonnummer. Ook daarin staat een extra twee vermeld.”
vierde middelklaagt over (i) de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in Britse ponden en (ii) de oplegging van de daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel die bestaat uit de verplichting om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer hetzelfde bedrag in Britse ponden te betalen.