ECLI:NL:PHR:2019:827
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bezitstermijn bij toepassing bedrijfsopvolgingsregeling op indirect aanmerkelijk belang
Belanghebbenden ontvingen in 2014 via schenking aandelen in een holding die indirect een aanmerkelijk belang hield in een onderneming die in 2013 was aangekocht. De inspecteur weigerde toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voor het deel van de onderneming dat korter dan vijf jaar in bezit was. De Rechtbank oordeelde dat de bezitstermijn van vijf jaar ook afzonderlijk geldt voor het aangekochte zelfstandige deel van de onderneming binnen het indirect aanmerkelijk belang, en wees de vorderingen af.
Belanghebbenden stelden in cassatie dat de Rechtbank het verkeerde toetsingskader hanteerde en dat de bezitstermijn materieel, vanuit de identiteit van de onderneming, moet worden ingevuld. Ook voerden zij aan dat de bezitseis niet zonder misbruik kan worden toegepast. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de Rechtbank het juiste toetsingskader niet exact hanteerde, maar dat dit belanghebbenden niet kon baten omdat de bezitstermijn niet was voldaan. De A-G bevestigde dat voor het aangekochte zelfstandige deel een nieuwe bezitstermijn geldt.
De Hoge Raad volgde de conclusie van de A-G en verklaarde het beroep ongegrond. De BOR is slechts van toepassing indien de schenker gedurende vijf jaar ondernemer was met betrekking tot het betreffende ondernemingsdeel. Dit geldt ook voor een indirect aanmerkelijk belang waarbij de bezittingen en schulden van de werkmaatschappij aan de holding worden toegerekend. De bezitstermijn heeft een anti-misbruikkarakter en geldt ook zonder dat sprake is van misbruik. De uitspraak bevestigt dat uitbreiding van een onderneming door aankoop van een zelfstandig deel leidt tot een nieuwe bezitstermijn, ook binnen een indirect aanmerkelijk belang.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de bezitstermijn van vijf jaar geldt afzonderlijk voor het aangekochte zelfstandige deel binnen het indirect aanmerkelijk belang.