Conclusie
gedeeltelijkkan doen eindigen (dan wel ontbinden). De tweede vraag is of de appelrechter in het kader van de beoordeling op de voet van art. 7:683 lid 5 BW Pro
ex tunc of ex nuncmoet beoordelen of er een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is.
1.Feiten
2.Procesverloop
primairverzocht de beschikking van de kantonrechter te bekrachtigen en Victoria te veroordelen om Werkneemster, eventueel na het volgen van de benodigde scholing, te werk te stellen voor het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden, onder verbeurte van een dwangsom.
Subsidiair, voor het geval het gerechtshof zou overgaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, heeft Werkneemster verzocht dat zij in ieder geval haar 12,5 arbeidsuren per week op de locatie Waiboerhoeve (locatie Pluimvee) dient te behouden (verweerschrift onder punt 60). Voor dat geval heeft zij verzocht Victoria te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen op basis van 12,5 uur per week per de door het gerechtshof te bepalen ontbindingsdatum. Ten slotte heeft Werkneemster verzocht Victoria te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van een billijke vergoeding.
3.Het cassatiemiddel
Onderdeel 1gaat over de vraag of de kantonrechter een arbeidsovereenkomst ook
gedeeltelijkkan ontbinden, dan wel of de appelrechter (op de voet van art. 7:683 lid 5 BW Pro) de arbeidsovereenkomst ook
gedeeltelijkkan doen eindigen.
Onderdeel 2houdt in dat het hof bij zijn beoordeling ten onrechte feiten en omstandigheden heeft betrokken, die zich hebben voorgedaan ná de beschikking van de kantonrechter op het ontbindingsverzoek (ex nunc toetsing). Ten slotte bevat
onderdeel 3een voortbouwklacht.
4.Onderdeel 1: partiële ontbinding of beëindiging arbeidsovereenkomst?
5.6 Werkneemster heeft nog bepleit om de arbeidsovereenkomst slechts gedeeltelijk te doen eindigen. Naar het oordeel van het hof is de arbeidsovereenkomst ondeelbaar, zodat dit verzoek wordt afgewezen.”
primairaan dat de beslissing van het hof in rov. 5.6 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft namelijk miskend dat bij een ontbindingsverzoek ex art. 7:671b BW (i) de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ook gedeeltelijk kan ontbinden, dat wil zeggen: voor een deel van de overeengekomen arbeidsduur, en (ii) ook het hof, wanneer de kantonrechter het ontbindingsverzoek heeft afgewezen, de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk kan beëindigen en (iii) de arbeidsovereenkomst dus in zoverre niet ondeelbaar is.
Subsidiairwordt aangevoerd dat zo de hiervoor geformuleerde rechtsregels niet in zijn algemeenheid als juist kunnen worden aanvaard, de rechter in ieder geval tot partiële ontbinding dan wel beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan overgaan, wanneer sprake is van een situatie waarin (i) een arbeidsovereenkomst bestaat uit twee (duidelijk) van elkaar te onderscheiden delen, terwijl (ii) slechts ten aanzien van één van die delen vaststaat dat is voldaan aan de in de wet gestelde eisen voor ontbinding. Het hof heeft ten onrechte het bestaan van deze mogelijkheid miskend.
voor de gehele arbeidsovereenkomstverwijtbaar handelen oplevert, zodanig dat van Victoria in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Kolom-beschikking van 14 september 2018. [9] In deze uitspraak oordeelde de Hoge Raad dat de mogelijkheid van gedeeltelijk ontslag, met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke ontslagvergoeding, moet worden aanvaard “
voor het bijzondere geval dat, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer”. Volgens verschillende commentaren op deze uitspraak is hiermee de deur voor gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst open gezet. Of dit inderdaad het geval is, zal ik hierna bespreken (onder 4.21-4.34).
Kolom-beschikking (rov. 3.5.1 en 3.5.2): [10]
3.5.4 (…) Een substantiële en structurele vermindering van de arbeidsduur is derhalve in de hiervoor in 3.5.3 bedoelde gevallen een situatie waarvoor de transitievergoeding op haar plaats is.
Kolom-beschikking aanvaardt de Hoge Raad in de eerste zin van rov. 3.5.3 dus de mogelijkheid van
gedeeltelijk ontslag(met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding), ‘voor het bijzondere geval dat, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer’. Te denken valt daarbij aan het noodzakelijkerwijs gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden en aan blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer, zo wordt overwogen.
Kolom-beschikking dat niet vereist is dat de arbeidsovereenkomst eerst in zijn geheel wordt beëindigd, en daarna een nieuwe, aangepaste arbeidsovereenkomst wordt aangeboden. Algehele beëindiging onder gelijktijdige aanbieding van een nieuwe arbeidsovereenkomst voor minder uren, is de manier waarop in art. 4 Ontslagregeling Pro vorm wordt gegeven aan deeltijdontslag wegens bedrijfseconomische redenen. Zie de tekst van art. 4 Ontslagregeling Pro: [11]
(…) In de praktijk wordt deze weg ook vaak gevolgd maar voor die gevallen waar dat niet tot het gewenste resultaat leidt, wordt op de hoofdregel een uitzondering gemaakt als aannemelijk is dat deeltijdontslag onvermijdelijk is en de werkgever de werknemers van wie de arbeidsplaats gedeeltelijk vervalt, schriftelijk heeft toegezegd een nieuwe arbeidsovereenkomst te zullen aangaan onder dezelfde voorwaarden, doch voor een minder aantal uren, is deeltijdontslag mogelijk.
In het verleden hebben de Nationale Ombudsman en de Hoge Raad deeltijdontslag onder deze restricties toelaatbaar geoordeeld.(…)” [12]
in zijn geheelbeëindigd, waarna – na toezegging van de werkgever – een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, met dezelfde voorwaarden maar voor een minder aantal uren. Ook vóór de Ontslagregeling werd deze route al gevolgd door (destijds) het CWI, onder het toen geldende Ontslagbesluit. [13] Uit het arrest
Stichting Woonzorg Nederlandkan worden afgeleid dat deze constructie niet ontoelaatbaar is. [14] De uitspraak van de Nationale Ombudsman waarnaar in het bovenstaande citaat wordt verwezen, had als strekking dat het verlenen van een ontslagvergunning door de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening (RDA), na toezegging van de werkgever dat een nieuwe arbeidsovereenkomst voor minder uren zal worden aangegaan, niet onzorgvuldig was. [15]
Kolom-beschikking worden echter verschillende mogelijkheden geschetst waarop gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan plaatsvinden: gedeeltelijke beëindiging, gehele beëindiging gevolgd door een nieuwe, aangepaste arbeidsovereenkomst of aanpassing van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad heeft hiermee duidelijk gekozen voor een materiële benadering, waarin gekeken wordt naar de
feitelijkegevolgen voor de werknemer, en het niet uitmaakt hoe het deeltijdontslag juridisch is ingekleed.
Kolom-beschikking de mogelijkheid van gedeeltelijk ontslag (met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding) wordt aanvaard, betekent dat de gedachte dat gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst en/of gedeeltelijk ontslag niet mogelijk is vanwege de ondeelbaarheid van de arbeidsovereenkomst, niet
in zijn algemeenheidwordt onderschreven door de Hoge Raad.
Kolom-beschikking kan worden afgeleid dat gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst in zijn algemeenheid is aanvaard door de Hoge Raad. Een aantal auteurs meent dat dat het geval is. Bij de Vaate en Pinedo schrijven het volgende: [16]
betoogd dat de eerste stap gezet was naar een ‘echte’ partiële beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [17] In de Kolom-beschikking is die stap onzes inziens daadwerkelijk gemaakt. De Hoge Raad overweegt immers expliciet dat de mogelijkheid van een gedeeltelijk ontslag met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding, door omstandigheden gedwongen, moet worden aanvaard ongeacht of de vermindering van de arbeidsduur heeft plaatsgevonden in de vorm van (i) een gedeeltelijke beëindiging, (ii) een algeheel ontslag gevolgd door een nieuwe aangepaste arbeidsovereenkomst, dan wel (iii) een aanpassing van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad lijkt met het genoemde onder (i) een partiële opzegging of ontbinding op het oog te hebben in geval van een door omstandigheden gedwongen vermindering van de arbeidsduur. (…)”
Gehele opzegging van de arbeidsovereenkomst onder gelijktijdige aanbieding van een nieuwe arbeidsovereenkomst met minder uren;
Gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst; of
Urenvermindering met wederzijds goedvinden.”
Kolom-beschikking opgemerkt dat de daarin genoemde gevallen van ‘
een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer’,namelijk het gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden (de a-grond) en blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer (de b-grond), niet limitatief zijn opgesomd. Dat zou betekenen dat de overwegingen van de Hoge Raad over gedeeltelijke beëindiging (met daaraan gekoppeld een aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding) kunnen worden doorgetrokken naar gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst op een van de andere gronden van art. 7:699 lid Pro 3, aanhef en onder c tot en met h, BW.
Kolom-beschikking schrijft hij: [23]
Kolom-beschikking wordt benadrukt dat het in de rede ligt dat ook bij deeltijdontslag op een andere grond dan de a- of b-grond, aanspraak bestaat op een partiële transitievergoeding. Als dat anders zou zijn, ontstaat er een verschil in de aanspraken op een (partiële) transitievergoeding bij de verschillende ontslaggronden; dat kan niet de bedoeling zijn.
voorafde principiële vraag, of uit de
Kolom-beschikking kan worden afgeleid dat ook bij ontslag op een andere grond dan de a- of b-grond, deeltijdontslag – met name: partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst – tot de mogelijkheden behoort.
Kolom-beschikking (“
het bijzondere geval dat, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer”), niet past bij ontslag op een van de andere gronden. Als een werknemer ontslagen wordt wegens bijvoorbeeld ongeschiktheid (de d-grond), is dat moeilijk te zien als een geval waarin ‘door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer’. Er is én geen sprake van ‘door omstandigheden gedwongen’ én geen sprake van ‘substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd’.
Kolom-beschikking sluit aan bij de toelichting op de Ontslagregeling, die, zoals gezegd (onder 4.17), in art. 4 in Pro bijzondere gevallen deeltijdontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden (a-grond) mogelijk maakt. In de toelichting op art. 4 Ontslagregeling Pro is het volgende vermeld (mijn onderstreping): [24]
De arbeidsovereenkomst is ondeelbaar. De toestemming voor opzegging van een arbeidsovereenkomst (of de ontbinding daarvan) kan dan ook uitsluitend de gehele arbeidsovereenkomst betreffen waardoor deeltijdontslag niet mogelijk is. Dit was zo geregeld in het Ontslagbesluit en is ook thans de strekking van onderhavig artikel (…) Echter onder omstandigheden kan eenstructurele aanpassingvan de personele bezetting, anders dan door middel van volledig ontslag van één of meer bepaalde medewerkers,noodzakelijkzijn. In dergelijke situaties zullen partijen uit het oogpunt van goed werkgeverschap en werknemerschap eerst in onderling overleg het eens moeten zien te worden over het aanpassen van de omvang van de arbeidsovereenkomst. In de praktijk wordt deze weg ook vaak gevolgd maar voor die gevallen waar dat niet tot het gewenste resultaat leidt, wordt op de hoofdregel eenuitzonderinggemaakt als aannemelijk is datdeeltijdontslag onvermijdelijkis en de werkgever de werknemers van wie de arbeidsplaats gedeeltelijk vervalt, schriftelijk heeft toegezegd een nieuwe arbeidsovereenkomst te zullen aangaan onder dezelfde voorwaarden, doch voor een minder aantal uren, is deeltijdontslag mogelijk. (…)”
Kolom-beschikking heeft willen aansluiten bij de in de Ontslagregeling gecreëerde mogelijkheid om in
uitzonderlijkegevallen deeltijdontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden mogelijk te maken. Voor dát geval is aanvaard dat deeltijdontslag aanspraak geeft op een partiële transitievergoeding. Datzelfde is aangenomen voor gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer, dat in de
Kolom-zaak een
feitelijk gegevenwas. Op grond van de in de
Kolom-zaak toepasselijke CAO werd de arbeidsovereenkomst van werkneemster in zijn geheel beëindigd, met direct aansluitend de aanstelling in een nieuwe arbeidsovereenkomst, voor een kleiner aantal uren. [25] Vanuit de gedachte dat het niet uit zou moeten maken op welke wijze een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst is vormgegeven (zie rov. 3.5.5), is dit op één lijn te stellen met een deeltijdontslag, zo volgt uit de
Kolom-beschikking. Tegen deze achtergrond is uit de
Kolom-beschikking naar mijn mening dan ook
nietaf te leiden dat bij een ontbindingsverzoek,
steedspartiële ontbinding mogelijk is, ook niet als het gaat om ontbinding op de a- of b-grond. Uit de beschikking volgt slechts dat áls deeltijdontslag aan de orde is – onafhankelijk van de juridische vormgeving daarvan –, daaraan een aanspraak op een partiële transitievergoeding gekoppeld is.
Kolom-beschikking vervolgens is vermeld: ‘
Hierbij valt te denken aan ..’ (in plaats van een gesloten formulering), begrijp ik zo, dat de Hoge Raad niet bij voorbaat heeft willen uitsluiten dat er situaties zijn die zich op één lijn laten stellen met ‘
het bijzondere geval dat, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer’, en dat ook dán aanspraak bestaat op een gedeeltelijke transitievergoeding. Een algemene regel dat deeltijdontslag mogelijk is – met name: partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de rechter –, ongeacht de ontbindingsgrond, lees ik echter niet in de
Kolom-beschikking.
conclusie, namelijk dat partiële ontbinding niet mogelijk is.
kandoorwerken in het arbeidsrecht, staat niet ter discussie. [30] Dit volgt uit de gelaagde structuur van het BW en de schakelbepalingen. Volgens Konijn, die een proefschrift heeft geschreven over de doorwerking van privaatrechtelijke leerstukken in het arbeidsrecht, heeft de wetgever van 1907 uitdrukkelijk gekozen voor een privaatrechtelijke regeling van de arbeidsovereenkomst in het BW, waardoor in beginsel de algemene bepalingen inzake overeenkomsten van toepassing zijn. [31] Dit betekent dat er in beginsel geen strikte scheiding is tussen het vermogensrecht (met name de Boeken 3 en 6 BW) en Boek 7 BW. [32]
Groen/Schoevers(partijbedoeling), [34] het arrest
[.../...](begroting schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag volgens regels Boek 6) [35] en
Philips/ […](gebondenheid aan concurrentiebeding na terhandstelling arbeidsvoorwaarden). [36] Houweling & Loonstra menen zelfs dat sprake is van ‘verprivatisering’ van het arbeidsrecht. [37] Het risico hiervan is, zo stellen de auteurs, dat belangrijke beginselen van het arbeidsrecht, zoals ongelijkheidscompensatie en het organisatiebeginsel (dat is: de werkgever heeft niet met één werknemer te maken maar moet een arbeidsorganisatie in stand houden), onder druk komen te staan. [38] Evengoed kan echter worden betoogd dat de doorwerking van algemene privaatrechtelijke leerstukken in het arbeidsrecht juist eraan kan bijdragen dat de aan het arbeidsrecht ten grondslag liggende beginselen volledig tot hun recht komen. [39]
Baijings-arrest overwogen dat de regeling over kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst ‘
uitputtend is in die zin dat naast deze regeling voor toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid geen plaats is’. [40] De Hoge Raad verwees daarbij naar het arrest
HAL/Van Werkhovenuit 1979. [41] Ook in dat arrest was overwogen dat de regeling over kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst ‘
als uitputtend moet worden beschouwd’. Verder is te noemen het arrest
Van Zijl/Van Koppen, waarin het ging om de vraag of een arbeidsovereenkomst van rechtswege kan eindigen wegens de vervulling van een daaraan verbonden ontbindende voorwaarde. [42] Overwogen werd dat bij de beantwoording van deze vraag ‘
grote betekenis toekomt aan het gesloten stelsel van het ontslagrecht.’ Een voorwaarde die met dit stelsel redelijkerwijs niet te verenigen is, zal niet tot een beëindiging van rechtswege van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden. [43]
in beginselweinig ruimte voor doorwerking van het algemene vermogensrecht in het ontslagrecht. [45] Doorwerking zal niet aan de orde zijn als daardoor strijd ontstaat met het gesloten stelsel van ontslagrecht. Maar ook als afbreuk wordt gedaan aan de aan het ontslagrecht ten grondslag liggende beginselen, ligt doorwerking niet in de rede. [46]
naar analogie. Naar mijn mening laat het ontslagrecht daarvoor echter geen ruimte. Ik zal dat hierna verder uitwerken.
wanprestatie, die geregeld is in art. 7:686 BW Pro. Deze bepaling houdt in dat de bepalingen van afdeling 9 (die gaat over het einde van de arbeidsovereenkomst), voor geen van beide partijen de mogelijkheid uitsluit van ontbinding wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en van schadevergoeding. Bij ontbinding op deze grondslag is partiële ontbinding wellicht mogelijk. [48] Hieraan kunnen naar mijn mening echter geen consequenties worden verbonden voor de vraag of dit bij ontbinding of beëindiging van de arbeidsovereenkomst op een van de gronden van art. 7:669 lid 3 BW Pro mogelijk is.
[…] /Mammoet: [51] (i) heeft de werkgever in een wijziging van omstandigheden als goed werkgever aanleiding kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, (ii) is het voorstel van de werkgever redelijk en (iii) kan van de werknemer in redelijkheid aanvaarding van het voorstel worden gevergd.
[…] /Mammoetspelen redelijkheid en billijkheid dus een grote rol, ter bescherming van de werknemer.
beëindigingvan de arbeidsovereenkomst. Voor wijziging van de arbeidsovereenkomst is een specifiek toetsingskader ontwikkeld, waarbij de bescherming van de werknemer centraal staat. Dit toetsingskader wordt met een partiële ontbinding omzeild.
Ten tweedemoet de gedeeltelijke beëindiging voor ál die aspecten gelden, en dienen derhalve rechten en plichten (gedeeltelijk) een einde te nemen en (gedeeltelijk) in stand te blijven. Daarmee is partiële ontbinding volgens hen feitelijk alleen aan de orde bij, wat nu heet, ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden. “
Voorlopig blijft onze verbeelding van toegelaten partiële ontbinding steken bij gevallen van arbeidstijdverkorting”, schrijven Beversluis en Van der Schee dan ook. Hiermee heeft hun pleidooi voor de mogelijkheid van partiële ontbinding in feite alleen betrekking op gevallen waarin de ontbinding zich beperkt tot de
omvangvan de arbeidsovereenkomst (minder uren).
[…] /Mammoet. [53] Met andere woorden, ook als een verzoek tot partiële ontbinding uitsluitend ziet op de omvang van de arbeidsovereenkomst, zou toewijzing daarvan een doorkruising van het leerstuk van wijziging van de arbeidsovereenkomst (met bijbehorende waarborgen voor de werknemer) opleveren.
voorhet aanvaarden van partiële ontbinding is dat daarmee wordt voorzien in een praktische behoefte (zie ook s.t. mr. Sagel, onder 7 en 15). En inderdaad, op het eerste gezicht lijkt het wellicht aantrekkelijk dat een werknemer ook voor een gedeelte van zijn dienstverband kan worden ontslagen. Dat kan leiden tot meer ‘maatwerk’ en daarmee kan, zo neem ik aan, een rechtvaardige uitkomst van de procedure worden bereikt. Mr. Sagel geeft in zijn repliek het voorbeeld van een werknemer die zijn rijbewijs kwijtraakt en daardoor het deel van zijn functie dat ziet op chauffeurswerkzaamheden niet meer kan uitoefenen. Andere werkzaamheden kan hij echter nog wel uitvoeren. Volgens hem zou deze werknemer alleen voor zijn chauffeurswerkzaamheden moeten kunnen worden ontslagen.
aanspraakvan de werknemer om niet uit het gehele dienstverband, maar slechts uit een gedeelte daarvan te worden ontslagen, ook het
rechtvan de werkgever staat om in voorkomende gevallen te verzoeken om ontbinding van een gedeelte van de arbeidsovereenkomst. Dat zou de drempel voor ontslag kunnen verlagen. Denk bijvoorbeeld aan een projectmanager, die alleen ongeschikt is voor zijn acquisitiewerkzaamheden, waaraan 8 uur per week moet worden besteed. Dit zal in het algemeen niet kunnen leiden tot ontbinding van de
gehelearbeidsovereenkomst wegens ongeschiktheid. Als partiële ontbinding mogelijk is, zou de werkgever de rechter echter kunnen verzoeken om de arbeidsovereenkomst alleen te ontbinden voor zover het gaat om de acquisitiewerkzaamheden voor 8 uur per week. Aangenomen dat voor die werkzaamheden aan alle voorwaarden voor ontslag is voldaan, zou de rechter zo’n verzoek moeten honoreren. De manager wordt geconfronteerd met een ‘afgeslankt’ dienstverband, zonder acquisitiewerkzaamheden.
gedeeltelijkte zijn voldaan, namelijk uitsluitend voor het gedeelte van de arbeidsovereenkomst waarvoor ontbinding wordt gevraagd. In het voorbeeld van de manager: niet langer is vereist dat sprake is van disfunctioneren; voldoende is dat sprake is van disfunctioneren
voor zoverhet gaat om de acquisitiewerkzaamheden van betrokkene. In feite worden de ontslaggronden daarmee ‘opgerekt’.
afbreuk doenaan de rechtsbescherming van de werknemer. Ook in de oudere literatuur is dit aangevoerd tegen de mogelijkheid van deeltijdontslag. [54] Vergelijk bijvoorbeeld wat Groen dertig jaar geleden schreef, naar aanleiding van de gedeeltelijke ontbinding van een arbeidsovereenkomst door een kantonrechter: [55]
Zou de opvatting van deze kantonrechter juist zijn, dan kunnen zo alle verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst naar behoefte via ontbinding door de kantonrechter van het leven worden beroofd of de inhoud ervan kan worden gewijzigd. Die consequentie zal waarschijnlijk niet zijn voorzien.”
dietaken of werkzaamheden partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.
omvangvan de arbeidsovereenkomst en de arbeidsovereenkomst inhoudelijk niet wijzigt. Om dit te bereiken is het echter niet nodig dat de mogelijkheid van partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt aanvaard. Het terugbrengen van de omvang van de arbeidsovereenkomst kan immers ook worden bereikt door wijziging van de arbeidsovereenkomst (zie onder 4.54). Eerder is uiteengezet dat partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst de regels voor wijziging van de arbeidsovereenkomst kan doorkruisen. Dat geldt ook als het alleen gaat om wijziging van de omvang van de arbeidsovereenkomst.
voor alle ontslaggronden, partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst mogelijk zou moeten zijn. Ook heb ik nergens gelezen dat de arbeidsovereenkomst voor wat betreft bepaalde taken van de werknemer zou moeten kunnen worden ontbonden.
Kolom-uitspraak zijn gewezen, en waarin de arbeidsovereenkomst partieel is ontbonden. [57] De discussie zit echter niet in deeltijdontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Art. 4 van Pro de Ontslagregeling maakt dit - voor bijzondere gevallen - immers al mogelijk (zij het, zoals gezegd, niet door middel van partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar door algehele beëindiging met gelijktijdige aanbieding van een nieuwe arbeidsovereenkomst met een geringere omvang). Daarbij heeft de Hoge Raad de ‘finishing touch’ gegeven, door te oordelen dat in dat geval aanspraak bestaat op een partiële transitievergoeding.
meermogelijkheden worden gecreëerd voor ontslag van de werknemer.
Kolom-beschikking kan niet worden afgeleid dat partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst in zijn algemeenheid mogelijk is. De Ontslagregeling geeft evenmin een grondslag voor partiële ontbinding, ook niet als het gaat om ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Voor bijzondere gevallen is in de Ontslagregeling (slechts) aanvaard dat de gehele arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden, onder gelijktijdige aanbieding van het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst voor minder uren.
wijzigingvan de arbeidsovereenkomst. Voor wijziging gelden specifieke regels, die in belangrijke mate in de sleutel staan van bescherming van de werknemer. Deze regels zouden worden omzeild, als door middel van partiële ontbinding hetzelfde resultaat kan worden bereikt.
5.Ex tunc of ex nunc toetsing in hoger beroep?
onderdeel 2wordt geklaagd dat het hof bij zijn beslissing om op grond van art. 7:683 lid 5 BW Pro de arbeidsovereenkomst van Werkneemster te beëindigen, zich in belangrijke mate, zo niet uitsluitend, heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich hebben voltrokken nadat de kantonrechter het ontbindingsverzoek had afgewezen. Daarmee heeft het hof miskend dat het bij zijn beoordeling of het ontbindingsverzoek op goede gronden is afgewezen, en, daarmee samenhangend, of de arbeidsovereenkomst door het hof alsnog beëindigd dient te worden op de voet van art. 7:683 lid 5 BW Pro, gehouden was aan een toetsing ex tunc, namelijk op grondslag van feiten en omstandigheden ten tijde van de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter.
reeds beëindigde arbeidsovereenkomst.
eerste argumentis de formulering van de wettekst. Daaruit zou blijken dat de appelrechter de juistheid van de beslissing tot ontbinding door de kantonrechter moet beoordelen, en dus retroperspectief die beslissing moet onderzoeken. [72]
tweede argumentis dat een ex nunc toetsing tot gevolg zou hebben dat ook ná een door de kantonrechter uitgesproken ontbinding, nieuwe ontwikkelingen alsnog zouden kunnen leiden tot
herstelvan de arbeidsovereenkomst in hoger beroep. Zo zou bijvoorbeeld in de situatie dat een arbeidsovereenkomst door de kantonrechter is ontbonden wegens een verstoorde arbeidsrelatie van de werknemer met zijn leidinggevende, de werknemer zich in hoger beroep kunnen beroepen op het vertrek van de leidinggevende na de ontbindingsbeschikking. Laagland & Lintsen geven het voorbeeld van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen, waarbij na de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter in hoger beroep het bedrijf een nieuwe order binnenhaalt. [73] Bij een ex nunc toetsing zou de appelrechter in gevallen als deze moeten overgaan tot herstel van de arbeidsovereenkomst. In de literatuur bestaat er echter overeenstemming dat dit niet wenselijk is. De reden daarvoor is, als ik het goed begrijp, dat dan elk ontslag op losse schroeven blijft staan totdat een definitieve rechterlijke beslissing is genomen. Rechtsonzekerheid dus.
Naast de Afdeling heeft ook de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) gewezen op de mogelijke keerzijde van de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep en cassatie. In reactie op het advies van de NVvR gaat het kabinet in de memorie van toelichting in op de afweging tussen enerzijds het belang van de werknemer en de werkgever om snel duidelijkheid te hebben over het al dan niet beëindigen van de arbeidsovereenkomst en anderzijds het belang van de werknemer en de werkgever om in hoger beroep en cassatie te kunnen gaan als deze zich onrechtvaardig behandeld voelen.
Het kabinet wijst hierbij op het feit dat in het wetsvoorstel wordt geregeld dat het instellen van rechtsmiddelen geen schorsende werking heeft. Dit betekent dat een uitgesproken ontbinding of vernietigde opzegging in eerste aanleg in stand blijft tijdens hoger beroep. In afwachting van de uitkomst van hoger beroep (en cassatie) zal een werknemer op zoek moeten naar een andere baan (ook in het kader van de sollicitatieplicht van de WW). Ook kan een rechter in hoger beroep besluiten de werkgever niet te bevelen de arbeidsovereenkomst te herstellen maar in plaats daarvan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Gezien het tijdsverloop zal een rechter hier vermoedelijk vaak toe overgaan en zal de rechtsstrijd in de praktijk met name gaan over de hoogte van de vergoeding. De wettekst is naar aanleiding van het advies van de Afdeling aangepast en de toelichting is aangevuld waardoor er geen twijfel meer kan bestaan over de vraag in welke situatie de rechter de bevoegdheid heeft om ambtshalve, in plaats van bijvoorbeeld het herstel van de arbeidsovereenkomst, aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen. Daarbij ligt het in de rede dat hij partijen dan wel in de gelegenheid stelt zich over die vergoeding uit te laten. Het kabinet erkent en kan niet voorkomen dat de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie door sommige werkgevers als verzwaring van de ontslagprocedure kan worden opgevat. Hieraan ligt echter wel de aanname ten grondslag dat hoger beroep en cassatie enkel in het belang van werknemers zouden zijn. Dit miskent dat ook werkgevers hoger beroep en cassatie kunnen instellen als zij daartoe aanleiding zien. Voorts geldt dat niet alleen werknemers, maar tevens werkgevers gebaat zijn bij uniformiteit van rechtspraak en daarmee gepaard gaande rechtszekerheid. Hierbij moet ook het feit worden betrokken dat verreweg de meeste ontslagzaken onderling worden geregeld. De uniformiteit en rechtszekerheid in het arbeidsrecht als gevolg van de rechtspraak in meer instanties zullen, naar de overtuiging van het kabinet, ook daar hun weerslag krijgen (reflexwerking). Overigens is – zoals vermeld in de toelichting – de inschatting van de Raad voor de Rechtspraak dat in een relatief gering aantal zaken hoger beroep zal worden ingesteld.”
De auteur vraagt verder wat het karakter is van de billijke vergoeding op grond van 7:683, derde lid, BW. (…) Hier wordt de rechter de mogelijkheid geboden om in plaats van het de werkgever opdragen om de arbeidsrelatie te herstellen, een billijke vergoeding toe te kennen. De rechter kan in hoger beroep op verzoek maar ook ambtshalve hiertoe overgaan. Deze mogelijkheid is geïntroduceerd vanwege het feit dat voordat een uitspraak in hoger beroep wordt gedaan zo veel tijd kan zijn verstreken dat het daadwerkelijk herstellen van de arbeidsovereenkomst niet meer in de rede ligt. Dat kan aan de orde zijn als de werknemer inmiddels een nieuwe baan heeft gevonden maar ook bijvoorbeeld omdat herstel een onevenredig grote belasting zou zijn voor de werkgever omdat deze laatste bijvoorbeeld inmiddels een nieuwe kracht heeft aangenomen. In de hoogte van deze billijke vergoeding moet dan ook tot uitdrukking komen dat, de omstandigheden van het geval in ogenschouw nemend, de vergoeding een alternatief is voor het herstel van de arbeidsrelatie.”
derde argumentdat in de literatuur wordt gebruikt voor een ex tunc toetsing, is dat de Hoge Raad in zijn rechtspraak over het kennelijk onredelijk ontslag (pre-Wwz), ook een ex tunc toetsing heeft voorgeschreven. [76] In het arrest
Schoonderwoert/Schoonderwoerdoverwoog de Hoge Raad namelijk het volgende (mijn onderstreping): [77]
Onder het huidige recht dient de rechter in eerste en tweede aanleg te beoordelen of sprake is van een rechtmatig ontslag. Waarom zou een rechter in hoger beroep niet met nieuwe feiten en omstandigheden rekening mogen houden? Veelal luidt het antwoord dat hierdoor een periode van rechtsonzekerheid aanbreekt voor met name de werkgever. Is hij nu wel of niet van de werknemer verlost als later (in hoger beroep) blijkt dat er opeens herplaatsingsmogelijkheden zijn die er in eerste aanleg nog niet waren? De vraag is of dit nu echt zo problematisch is. Is het in veel gevallen niet juist goed dat de werknemer een volwaardige kans op herstel heeft? Wat te denken van een situatie dat de ontbindingsrechter (waarover in hoofdstuk 14 meer) de arbeidsovereenkomst ontbindt wegens een verstoorde arbeidsrelatie tussen de werknemer en diens leidinggevende. In hoger beroep blijkt de leidinggevende vertrokken. Zou de werknemer dan niet mogen stellen dat de redelijke grond is ontvallen? Zeker indien de werknemer verder altijd naar behoren functioneerde, valt hier wel wat voor te zeggen. Als de werkgever het ontslagverzoek ophangt aan het feit dat hij door de gedragingen van de werknemer geen vertrouwen meer in hem heeft, zijn de kaarten anders geschud. Die verstoring is ook ex nunc aanwezig.”
Een weer andere – en wat pragmatische – benadering is die van het wel of niet bestaan van de arbeidsovereenkomst. Is de arbeidsovereenkomst reeds geëindigd (door opzegging of ontbinding) dan vindt een toetsing ex tunc plaats. Is de arbeidsovereenkomst nog niet geëindigd (omdat toestemming niet werd verleend of het verzoek tot vernietiging/ontbinding werd afgewezen) dan geldt een ex tunc [A-G: bedoeld zal zijn ‘ex nunc’) toetsing. Hoe praktisch ook, deze opvatting komt weinig dogmatisch voor”.
binnen een redelijke termijnherplaatsing in een ander passende functie niet mogelijk is. Art. 10 lid 4 van Pro de Ontslagregeling bepaalt het volgende over deze redelijke termijn: [82]
De redelijke termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, vangt aan op de dag waarop wordt beslist op het verzoek om toestemming voor de opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst.”
De termijn wordt, op grond van het vierde lid, berekend vanaf de datum waarop wordt beslist omtrent het verzoek tot opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat een werkgever bij een verzoek aan UWV of de rechter aannemelijk moet maken dat herplaatsing binnen de genoemde redelijke termijn niet mogelijk is, rekening houdend met de proceduretijd van UWV en de rechter.”
terugkijktnaar dat moment, en beoordeelt of de kantonrechter
toenterecht heeft geoordeeld dat herplaatsing niet in de rede ligt. Dat geldt temeer nu herplaatsing veronderstelt dat er nog een arbeidsovereenkomst is. [83] Een toetsing ex tunc dus.
Achmea-beschikking – waarin het eveneens ging om een beslissing op de voet van art. 7:683 lid 3 BW Pro – is in cassatie niet ter discussie gesteld of het door het hof gehanteerde uitgangspunt, dat de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter ex tunc moest worden beoordeeld, juist was. [86] In deze zaak ging het er in cassatie slechts om (voor wat betreft de omvang van toetsing door de appelrechter) of een ex tunc toetsing betekent dat stukken die voor het eerst in hoger beroep worden ingebracht (maar wel betrekking hebben op de situatie ten tijde van de beschikking van de kantonrechter), door het hof buiten beschouwing mochten worden gelaten. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend: een ex tunc toetsing doet niet af aan de herkansingsfunctie van het hoger beroep (rov. 3.1.1).
Zinzia-beschikking. [87] Hetzelfde zal gelden voor de billijke vergoeding van art. 7:671c BW, lid 3, aanhef en onder b, BW.
nog in stand is. Dit is een wezenlijk verschil met art. 7:683 lid 3 BW Pro, waar het juist gaat om gevallen waarin de arbeidsovereenkomst in hoger beroep reeds is beëindigd.
eersteargument is dat er anders een verschil zou ontstaan tussen de beoordeling in hoger beroep in het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden (dan wel de opzegging in stand heeft gelaten), en het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst níet heeft ontbonden (dan wel de opzegging heeft vernietigd). Dit is wetssystematisch onwenselijk, zo stellen de auteurs.
tweedeargument van Laagland & Lintsen, leidt een verschil in toetsingsmoment tot een proceseconomisch voordeel voor de werkgever. De werkgever zou namelijk bij een afwijzend ontbindingsverzoek in hoger beroep zijn verzoek nader kunnen onderbouwen met nieuwe feiten en omstandigheden. De werknemer kan daarentegen, bij een toewijzend ontbindingsverzoek, zijn verweer in hoger beroep níet nader onderbouwen met nieuwe feiten en omstandigheden. Hierdoor wordt de werknemer benadeeld. Zie Laagland & Lintsen: [90]
derdeargument van Laagland & Lintsen is dat een ex nunc toetsing in de hand zou werken dat de werkgever te snel een ontbindingsverzoek zou indienen, omdat hij dit in hoger beroep toch nog wel kan aanvullen: [92]
belemmert zijn werk in goed vertrouwen te verrichten en de verhoudingen tussen partijen niet ten goede zal komen.’ [95] Uiteindelijk is het in het voordeel van zowel werkgever als werknemer als er zo spoedig als mogelijk is, gegeven de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden, duidelijkheid komt over het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst.
vierde argumentdat Laagland & Lintsen aanvoeren ter ondersteuning van hun pleidooi voor een toetsing ex tunc is het volgende. Uit het Ontslagbesluit volgt dat de redelijke termijn voor herplaatsing aanvangt op de dag waarop wordt beslist op het verzoek om toestemming van de opzegging of ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat het Ontslagbesluit geen toetsing ex nunc door de appelrechter toelaat. Omdat het niet aanvaardbaar is dat het bestaan van een redelijke grond ex nunc wordt beoordeeld en het herplaatsingsvereiste ex tunc (dat zou er immers op neerkomen dat van de werknemer wordt gevraagd mee te werken aan een herplaatsing op een moment dat de arbeidsovereenkomst nog niet beëindigd werd), moet ook de redelijke grond ex tunc worden beoordeeld. [96]