Conclusie
HHR) jegens zijn zittende opstalhouders gerechtigd is om bij verlenging of heruitgifte van opstalrechten de in 2007/2011 vastgestelde nieuwe systematiek voor de berekening van retributie toe te passen. In deze zaak wees uw Raad reeds eerder arrest op 31 oktober 2014. [1]
SBOH) en een aantal individuele opstalhouders (alle eisers hierna gezamenlijk aangeduid als:
SBOH c.s.) dat de door HHR gekozen retributiesystematiek onredelijk is, omdat HHR bij de vaststelling van deze (op de WOZ-waarde en de zogeheten grondquote gebaseerde) systematiek geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat gemeenten bij uitgifte in erfpacht bouwrijpe grond plegen uit te geven, terwijl het bij HHR gaat om ruwe bouwgrond. Het verwijzingshof heeft deze stelling verworpen. SBOH c.s. klagen in deze tweede cassatieprocedure dat het verwijzingshof met dit oordeel de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing heeft miskend en dat het oordeel daarnaast onjuist en onvoldoende gemotiveerd is.
1.Feiten en procesverloop
het verwijzingsarrest) [2] :
de dijk) in handen gegeven van het waterschap De Haarlemmermeerpolder (hierna:
DHP). In 1979 is DHP met een aantal polderwaterschappen samengevoegd tot het waterschap Groot-Haarlemmermeer (hierna:
WGH). De eigendom en het beheer van de dijk zijn toen op WGH overgegaan. WGH is op 1 januari 2005 met andere waterschappen opgegaan in HHR, dat daardoor op zijn beurt de eigendom en het beheer van de dijk heeft verkregen.
de AV70). Deze bevatten onder meer bepalingen betreffende de uitgiftetermijn, de verlenging en heruitgifte van opstalrechten en de vaststelling en herziening van de opstalcanon.
de AV2000).
het besluit van 2006).
het besluit van 2007). Dat besluit houdt onder meer in dat voor de bepaling van de opstalvergoeding zal worden uitgegaan van de waarde van de grond en van een rentepercentage, en dat bij de bepaling van de waarde van de grond zal worden uitgegaan van de WOZ-waarde en van de zogeheten grondquote (het percentage van de WOZ-waarde dat de waarde van de grond vertegenwoordigt), verminderd met 40% omdat de kavel niet vrij in te richten is. Het rentepercentage wordt iedere vijf jaar aangepast naar het gemiddelde 5 jaars Interest Rate Swap.
: de AV2007) die met ingang van 1 juni 2007 bij uitgiften van opstalrechten worden gehanteerd.
het besluit van 2011). Deze wijziging houdt in dat, in plaats van de (door de rechtbank als onredelijk bezwarend beoordeelde) vijfjaarlijkse aanpassing van de retributie aan de WOZ-waarde en aan een gemiddeld rentepercentage, de op grondslag van het besluit van 2007 eenmalig vast te stellen (op de WOZ-waarde te baseren) retributie elke vijf jaar met 5% wordt verhoogd.
toev. A-G] de AV2007 op de verlenging en heruitgiften van opstalrechten die zijn verleend onder de AV70 en AV2000 en die zijn geëindigd vanaf 1 juni 2007, de datum waarop de AV2007 in werking traden. [4]
het arrest voor verwijzing) heeft het hof ’s-Gravenhage het vonnis van de rechtbank in conventie op een in cassatie niet meer van belang zijnd onderdeel vernietigd en voor het overige bekrachtigd, en voorts, rechtdoende op de in hoger beroep vermeerderde vordering, de door HHR gevorderde verklaring voor recht uitgesproken.
Het nieuwe retributiebeleid; in strijd met redelijkheid, billijkheid en algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
het arrest na verwijzingof
het bestreden arrest). [10] Kort samengevat heeft het hof als volgt geoordeeld.
bouwrijphebben gemaakt
anders dan door ophogingvan de grond in verband met het feit dat tegen een dijk moest worden gebouwd,
feitelijke grondslagontbeert,
behoudens, mogelijk, voor zover het gaat om ophoging van de grond door de opstalhouders in verband met het feit dat tegen een dijk moest worden gebouwd (rov. 3.6).
ophogingvan de grond in verband met het feit dat tegen een dijk moest worden gebouwd kosten hebben gemaakt die er thans (nog) toe moeten leiden dat de door HHR gekozen retributiesystematiek als onredelijk moet worden aangemerkt,
verworpen(rov. 3.8).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
(a)-(c)):
A-G] van uitgegaan dat tussen partijen vaststaat dat de door het Hoogheemraadschap in eerste erfpacht uitgegeven grond door de opstalhouders zelf bouwrijp is gemaakt. In dit verband merkt het hof op dat - in verband met het door SBOH c.s. gedane beroep op de onredelijkheid van de door het Hoogheemraadschap gekozen (nieuwe) retributiesystematiek - in het kader van de onderhavige stelling van SBOH c.s. niet alleen van belang is of destijds ruwe bouwgrond is uitgegeven maar ook (en vooral) of de opstalhouders kosten hebben gemaakt om de grond bouwrijp te maken, zodanig dat het niet verdisconteren hiervan in de retributiesystematiek met zich brengt dat die systematiek onredelijk is.
(a)dat SBOH c.s. zich inhoudelijk nog ampel over de onderhavige betwisting hebben uitgelaten en zich derhalve tegen een en ander naar behoren hebben kunnen verweren.
(b)Voorts is in dit verband nog relevant dat de stelling over de ruwe bouwgrond in eerste aanleg uitsluitend in de pleitnota is geponeerd, naar welke passage in hoger beroep door SBOH c.s. in de memorie van grieven slechts in algemene termen is verwezen, waarna de expliciete stelling eerst weer in de pleitnota is geponeerd, welk een en ander vermoedelijk in de hand heeft gewerkt dat het Hoogheemraadschap (het belang van) deze stelling over het hoofd heeft gezien.
(c)Een andere beslissing zou bovendien ertoe leiden dat het door het hof te geven oordeel over de redelijkheid van de door het Hoogheemraadschap gekozen retributiesystematiek mogelijk zou worden gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag, hetgeen voorkomen dient te worden. Om dezelfde reden zal het hof acht slaan op de door partijen na cassatie en verwijzing in het geding gebrachte producties (met uitzondering van de door het Hoogheemraadschap bij zijn laatste akte in het geding gebrachte productie 18), mede omdat partijen over een weer tegen die producties geen bezwaar hebben gemaakt en daarop inhoudelijk zijn ingegaan.
subonderdeel 1.4). [17]
subonderdeel 1.5bestempelen SBOH c.s. als onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat – kort gezegd – de wijze waarop de stelling over de uitgifte van ruwe bouwgrond door SBOH c.s. in feitelijke instanties is geponeerd, vermoedelijk in de hand heeft gewerkt dat HHR (het belang van) deze stelling over het hoofd heeft gezien (omstandigheid (b)). SBOH c.s. voeren hiertoe aan dat zij zich zowel in eerste aanleg als in appel onomwonden en onmiskenbaar op het standpunt hebben gesteld dat ruwe bouwgrond is geleverd en dat in het verlengde daarvan het feit dat geen rekening is gehouden met de eigen waardevermeerderende activiteiten van de opstalhouders ertoe leidt dat de retributiesystematiek in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dan wel dat HHR ongerechtvaardigd wordt verrijkt. [18] De levering van de ruwe bouwgrond en de activiteiten van de opstalhouders vormden volgens SBOH c.s. dus al voor verwijzing een van de kernpunten van hun betoog, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom HHR de relevantie van die stelling over het hoofd zou hebben gezien en heeft mogen zien.
subonderdeel 1.6de (voortbouw)klacht aan dat op grond van het voorgaande het oordeel van het hof dat het ook acht slaat op de door partijen na verwijzing in het geding gebrachte producties, waaronder het in rov. 3.7 aangehaalde memo van RIGO van 23 maart 2015 [19] , eveneens niet in stand kan blijven.
Gebondenheid aan voorgaande uitspraak
Behandeling zaak in de stand ten tijde van de voorgaande uitspraak
geenplaats is voor (i) het aanvoeren van nieuwe feiten of omstandigheden en voor het aanbieden van tevoren niet aangeboden bewijs, (ii) het veranderen van de eis of de gronden daarvan dan wel een vermeerdering van de eis of (iii) een wijziging van (de grondslag van) het verweer. In de loop der tijd is deze hoofdregel van nuanceringen voorzien.
hof voor verwijzingheeft onderzocht of het nieuwe retributiebeleid van HHR, zoals vastgesteld bij het besluit van 2007, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (rov. 21-27). In dat kader heeft het hof onder (zeer veel) meer aandacht besteed aan de stelling van SBOH c.s. dat de door HHR gekozen retributiesystematiek
onredelijkis omdat daarbij
geen rekening is gehoudenmet de omstandigheid dat, zo begrijpt het hof, gemeenten bij uitgifte in erfpacht
bouwrijpe grondplegen uit te geven, terwijl het bij HHR zou gaan om
ruwe bouwgrond. Het hof voor verwijzing heeft deze stelling verworpen, gelet op (i) het in het RIGO-rapport van januari 2007 gehanteerde uitgangspunt dat bij de bepaling van de waarde van de grond de aan activiteiten van de projectontwikkelaar en opstalhouder toe te rekenen waardestijging niet aan HHR ten goede moet komen, en (ii) het betoog van HHR dat het bij de bepaling van de grondquote rekening heeft gehouden met de grondprijsverhogende effecten van investeringen door opstalhouders, terwijl SBOH c.s. niet hebben onderbouwd waarom dit niet of onvoldoende het geval is geweest (rov. 25 van het arrest voor verwijzing).
Hoge Raadinterpreteert die overweging uit het arrest voor verwijzing aldus dat het hof de stelling van SBOH c.s. verwerpt omdat HHR, gelet op het door het hof genoemde uitgangspunt van het door HHR ingeroepen RIGO-rapport, voldoende gemotiveerd heeft bestreden dat geen rekening is gehouden met het feit dat de grond bouwrijp is gemaakt door de opstalhouders zelf (rov. 3.6.2). De klacht dat dit oordeel onbegrijpelijk is, is gegrond (omdat uit het RIGO-rapport niet duidelijk valt op te maken dat daarin rekening is gehouden met genoemd feit en HHR ook niet heeft aangevoerd dit laatste het geval is). Volgens de Hoge Raad behoefde in dat licht nadere motivering waarom SBOH c.s. nader dienden te onderbouwen waarom niet of onvoldoende met genoemd feit rekening is gehouden.
geen rekening is gehouden met het feit dat de grond bouwrijp is gemaakt door de opstalhouders zelf. Het hof na verwijzing diende (i) deze stelling opnieuw te beoordelen en vervolgens (ii) te beoordelen of deze stelling ertoe leidt dat het nieuwe retributiebeleid van HHR in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
dat tussen partijen vaststaat dat de door het Hoogheemraadschap in eerste erfpacht uitgegeven grond door de opstalhouders zelf bouwrijp is gemaakt”.
bouwrijp maken’ verstaan en welke (concrete) kosten in dit verband door de opstalhouders zijn gemaakt. Volgens SBOH c.s. heeft RIGO in zijn berekeningen slechts rekening gehouden met de investeringen van de opstalhouders met betrekking tot het onderhoud van huis en tuin en bestrating. “
Het bouwrijp maken van de grond, het aanbrengen van moeilijke bouwtechnische constructies tegen de dijk, waterwerende ingrepen en het ophogen van de dijk worden niet genoemd”. [28] In appel is in dit verband door SBOH c.s. opgemerkt dat de opstalhouder bij vestiging een stuk ruwe dijkgrond in gebruik heeft gekregen, dat hij op eigen kosten bouwrijp heeft gemaakt. [29] Dit betekent volgens SBOH c.s. dat de opstalhouders het dijklichaam moeten uitgraven en een damwand moeten slaan. [30]
bouwrijp maken’ omvat en of de door HHR gehanteerde grondquotes redelijk zijn. [31] Elk van partijen heeft hierover ook deskundigen geraadpleegd. RIGO heeft op verzoek van HHR een rapportage opgesteld d.d. 5 november 2014 (overgelegd door SBOH c.s. bij het aanbrengexploot als productie C). [32] In deze rapportage verwijst RIGO naar een definitie van ‘bouwrijp maken’. SBOH c.s. hebben op hun beurt bouwkostenexpert P. van der Pijl van Kontek aangezocht om een rapportage uit te brengen met betrekking tot de vraag of bouwrijp maken en bouwkosten op een dijk tot een lagere grondquote dienen te leiden. [33] Van der Pijl heeft dit rapport op 23 mei 2016 uitgebracht (productie H bij het aanbrengexploot). Op verzoek van HHR heeft RIGO op 26 juli 2016 op dit rapport gereageerd (overgelegd als productie K bij het aanbrengexploot). [34] Bij brief van 28 september 2016, overgelegd als productie L bij het aanbrengexploot, heeft Van der Pijl weer op deze reactie gereageerd. [35]
betwist zulks”. [37] Het verwijst naar het memo van RIGO van 5 november 2014, volgens hetwelk geen sprake is geweest van ‘kosten van bouwrijp maken’ door de opstalhouders zelf zodat hiermee (terecht) geen rekening is gehouden in haar advisering over het nieuwe retributiebeleid; voor zover sprake is geweest van bouwrijp maken, zijn de kosten hiervan gedragen door de rechtsvoorganger van HHR en/of de gemeente. [38]
bouwrijp maken’ moeten volgens HHR worden onderscheiden van de ‘
bouwkosten’; alleen als de opstalhouders zelf kosten hebben moeten maken voor het bouwrijp maken van de grond, zou dit, theoretisch gezien, gevolgen kunnen hebben voor de vastgestelde waarde van de grond. [41] Indien en voor zover de opstalhouders in het verleden ruwe bouwgrond geleverd hebben gekregen en destijds aan bouwrijp maken gerelateerde kosten hebben gemaakt, zoals kosten voor het
ophogenvan de grond van hun perceel (HHR verwijst naar het memo van RIGO van 23 maart 2015 [42] ), dan zijn deze kosten echter reeds
afgeschreven. [43]
feitenbetreffen, zodat die na cassatie niet meer ter discussie staan. SBOH c.s. hebben in feitelijke instanties gesteld dat ruwe dijkgrond werd uitgegeven en HHR heeft dit onbetwist gelaten. Volgens SBOH c.s. kan HHR dit na cassatie niet meer betwisten. [44]
opnieuw ter discussie [staat] of de door het Hoogheemraadschap gekozen retributiesystematiek onredelijk is, kort gezegd, omdat het Hoogheemraadschap bij de vaststelling van de nieuwe systematiek geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat gemeenten bij uitgifte in erfpacht bouwrijpe grond plegen uit te geven, terwijl het bij het Hoogheemraadschap zou gaan om ruwe bouwgrond (en de opstalhouders kosten hebben gemaakt om de grond bouwrijp te maken)” (rov. 3.4).
vaststaatdat de door HHR in eerste opstalrecht uitgegeven grond
door de opstalhouders zelf bouwrijp is gemaakt(rov. 3.3 arrest na verwijzing).
ofdestijds ruwe bouwgrond is uitgegeven maar ook (en vooral) of de opstalhouders
kosten hebben gemaaktom de grond bouwrijp te maken,
zodanigdat het niet verdisconteren hiervan in de retributiesystematiek met zich brengt dat die systematiek onredelijk is (rov. 3.3). Deze overweging laat zich verklaren in het licht van het volgende.
watonder ‘
bouwrijp maken’ moet worden verstaan en
welke kostende opstalhouders in dit verband hebben gemaakt. Zij is ingegeven door de tussen partijen uitgewisselde correspondentie en (nadere) deskundigenrapportages.
producties, mede omdat partijen over en weer tegen die producties geen bezwaar hebben gemaakt en daarop inhoudelijk zijn ingegaan.
ruwe bouwgrond(die in feitelijke instanties voor verwijzing door HHR onweersproken is gelaten) alsnog mocht betwisten. Na verwijzing mogen er door partijen immers geen nieuwe stellingen (dan wel verweren) worden opgeworpen die niet al eerder hadden kunnen worden aangevoerd. HHR had de betreffende stelling van SBOH c.s. reeds voor verwijzing kunnen betwisten (in twee instanties), maar heeft dit nagelaten.
kostenhebben gemaakt om de grond bouwrijp te maken, kan mijns inziens wel door de beugel. SBOH c.s. voeren immers voor het eerst na verwijzing aan wat zij onder ‘bouwrijp maken’ verstaan en welke kosten zij in dit verband hebben gemaakt. HHR mocht in de procedure na verwijzing reageren op deze (toelaatbare) nadere onderbouwing zijdens SBOH c.s. Dit oordeel is tevens begrijpelijk in het licht van de argumenten (a) tot en met (c) die het hof aanvoert om het partijdebat (en tevens de over en weer overgelegde producties) binnen de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing te achten.
subonderdeel 1.1faalt. Als gevolg van de in het verwijzingsarrest uitgesproken vernietiging kwam opnieuw de stelling van SBOH c.s. aan de orde dat de nieuwe retributiesystematiek onredelijk is omdat daarbij geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat gemeenten bij uitgifte in erfpacht bouwrijpe grond plegen uit te geven, terwijl het bij HHR zou gaan om ruwe bouwgrond. Daarmee viel het onderzoek van het hof naar hetgeen er onder ‘bouwrijp maken’ dient te worden verstaan en naar het antwoord op de vraag of de opstalhouders kosten hebben gemaakt om de grond bouwrijp te maken die er thans (nog) toe moeten leiden dat de door HHR gekozen retributiesystematiek als onredelijk moet worden aangemerkt, binnen de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing.
kostende opstalhouders in dit verband hebben gemaakt om de grond bouwrijp te maken (en daarmee het debat over wat er onder ‘bouwrijp maken’ moet worden verstaan) ligt de situatie echter anders. Dit debat was voor cassatie nog niet gevoerd en betreft een – door SBOH c.s. in het aanbrengexploot aangevoerde – nadere toelichting op de reeds voor verwijzing ingenomen stellingen van SBOH c.s. (zie hiervoor onder 2.29). Een dergelijke nadere toelichting van reeds ingenomen stellingen is toegestaan, mits de wederpartij genoegzaam de gelegenheid wordt geboden hierop te reageren en de eisen van een goede procesorde in het oog worden gehouden.
kostenvan de opstalhouders voor het bouwrijp maken (en op de definitie van ‘bouwrijp maken’) en daarmee los staat van het (vaststaande) feit dat HHR bij eerste uitgifte ruwe bouwgrond heeft uitgegeven die de opstalhouders zelf bouwrijp hebben moeten maken, kan dit subonderdeel niet tot cassatie leiden. Het feit dat de desbetreffende stelling na verwijzing niet meer door HHR kon worden betwist, heeft geen invloed op het inhoudelijke oordeel dat het hof in het verwijzingsarrest (ten aanzien van de onredelijkheid van de nieuwe retributiesystematiek van HHR) heeft gegeven.
staatvan de uitgegeven grond debat bestond voor verwijzing en HHR zijn stellingen daaromtrent mocht preciseren, nader mocht toelichten dan wel corrigeren. Het hof stelt in rov. 3.4 immers vast dat HHR de stelling van SBOH c.s. voor verwijzing niet heeft betwist.
subonderdeel 1.3faalt. Terecht wordt opgemerkt dat de drie door het hof in rov. 3.4 opgesomde omstandigheden niet passen binnen de door de Hoge Raad geformuleerde uitzonderingsgronden op de regel dat geen acht mag worden geslagen op verweren en/of stellingen die een partij niet al voor cassatie en verwijzing heeft aangevoerd. Echter, in het licht van hetgeen hiervoor is uiteengezet is onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof HHR heeft toegestaan te betwisten dat de opstalhouders
kostenhebben gemaakt om de grond bouwrijp te maken en toe te lichten wat volgens haar onder ‘bouwrijp maken’ dient te worden verstaan. Deze aspecten van de (on)redelijkheid van de retributiesystematiek zijn in de procedure na verwijzing pas aan bod gekomen, doordat SBOH c.s. dit in het aanbrengexploot hebben aangevoerd. Het drietal argumenten (a) t/m (c) dat het hof in rov. 3.4 aanvoert is in dit verband (wel) te verklaren. Deze argumenten leiden tot het oordeel dat het debat na verwijzing voldoet aan de eisen van een goede procesorde, nu – kort gezegd – (a) SBOH c.s. zich nog hebben kunnen uitlaten over de ‘betwisting’ van HHR, (b) de betreffende stelling in de procedure voor verwijzing (slechts) in pleitnota’s is geponeerd hetgeen vermoedelijk in de hand heeft gewerkt dat HHR (het belang van) de betreffende stelling over het hoofd heeft gezien en de stelling dus nog niet uitgebreid aan bod was gekomen in de procedure voor verwijzing en (c) een andere beslissing ertoe zou leiden dat het door het hof te geven oordeel over de redelijkheid van de door HHR gekozen retributiesystematiek mogelijk zou worden gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag, hetgeen voorkomen moet worden.
subonderdeel 1.4faalt daarom eveneens.
subonderdeel 1.5faalt. Kennisneming van de feitelijke gedingstukken leert dat niet onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de stelling over de ruwe bouwgrond door SBOH c.s. alleen in de pleitnota i.e.a. is geponeerd en dat daarnaar bij memorie van grieven slechts in algemene termen is verwezen, waarna zij eerst weer bij appelpleitnota is geponeerd, wat vermoedelijk in de hand heeft gewerkt dat HHR (het belang van) deze stelling over het hoofd heeft gezien. [45]
subonderdeel 1.6, die inhoudt dat het oordeel van het hof omtrent de producties op grond van het voorgaande eveneens niet in stand kan blijven, faalt eveneens. De producties zoals overgelegd door SBOH c.s. bij het aanbrengexploot kunnen worden gezien als adstructie van de nadere uitwerking van de door hen in de procedure voor verwijzing ingenomen hoofdstelling (zie hiervoor onder 2.29). In het licht van de goede procesorde is begrijpelijk dat het hof HHR dan toestaat op deze producties in te gaan en op zijn beurt ook producties over te leggen (op welke producties SBOH c.s. in de akte na memorie van antwoord na verwijzing weer hebben kunnen reageren).
bouwrijphebben gemaakt
anders dan door ophogingvan de grond in verband met het feit dat tegen een dijk moest worden gebouwd (rov. 3.6);
feitelijke grondslagontbeert,
behoudens, mogelijk, voor zover het gaat om ophoging van de grond door de opstalhouders in verband met het feit dat tegen een dijk moest worden gebouwd (rov. 3.6);
ophogingvan de grond in verband met het feit dat tegen een dijk moest worden gebouwd kosten hebben gemaakt
die er thans (nog) toe moeten leiden dat de door HHR gekozen retributiesystematiek als onredelijk moet worden aangemerkt. In zoverre wordt de nog aan de orde zijnde stelling van SBOH c.s.
verworpen(rov. 3.8).
eveneensrelevant is dat (naar SBOH c.s. hebben aangevoerd):
subonderdeel 2.2.
tegen aanzienlijke kosten bouwrijp gemaakte en opgehoogde(dan wel afgegraven) grond. Nu het hof oordeelt (i) dat door SBOH c.s. onvoldoende is gesteld dat de grond bouwrijp is gemaakt anders dan door het ophogen van de grond en (ii) dat met betrekking tot deze ophoging onvoldoende concreet is gesteld dat kosten zijn gemaakt die er thans nog toe moeten leiden dat de gekozen retributiesystematiek als onredelijk moet worden aangemerkt, behoefde het hof niet nader op deze stelling in te gaan. In dit oordeel ligt immers de verwerping van deze stelling besloten, nu de aanzienlijke kosten (en daarmee de waardevermeerdering van de grond) niet zijn aangetoond. Daar komt bij dat de door SBOH c.s. aangevoerde grondwaarden voor beide soorten grond door HHR zijn betwist. [57]
stelling (ii)waarbij ook als uitgangspunt geldt dat de grond waardevoller is geworden door het door de opstalhouder ophogen en bouwrijp maken van de grond.
stellingen (v) en (vi)niet heeft miskend. Ook deze stellingen gaan ervan uit dat er kosten zijn gemaakt voor het bouwrijp maken van de grond door de eerste opstalhouder, die betaald zijn door de huidige opstalhouder bij aankoop van het opstalrecht en die door hem niet meer via de marktwaarde bij verkoop gerealiseerd kunnen worden. Als al kosten zijn gemaakt door de opstalhouders in verband met het bouwrijp maken van de grond, dan ligt in het oordeel van het hof besloten dat deze niet zodanig zijn dat de nieuwe retributiesystematiek daardoor als onredelijk moet worden aangemerkt.
stelling (iii)), ligt besloten in het oordeel van het hof dat SBOH c.s. onvoldoende concreet hebben gesteld dat zij de grond bouwrijp hebben gemaakt anders dan door ophoging van de grond.
stelling (iv)niet miskend. Deze stelling ziet op de hogere
bouwkostendie volgens SBOH c.s. zijn verbonden aan het bouwen van een huis op een dijk. Het hof heeft echter in de procedure na verwijzing (slechts) de stelling beoordeeld of de opstalhouders kosten hebben gemaakt voor het
bouwrijp makenvan de grond en of deze kosten ertoe leiden dat de nieuwe retributiesystematiek onredelijk is. Dat het hof stelling (iv) daarbij niet relevant heeft gevonden is onjuist noch onbegrijpelijk, mede omdat HHR het onderscheid tussen deze kosten in feitelijke instanties na verwijzing ook heeft benadrukt. [58]
als almoet worden geoordeeld dat de opstalhouders kosten hebben moeten maken voor het bouwrijp maken van de grond, bij het beoordelen of deze kosten maken dat de nieuwe retributiesystematiek onredelijk is, ook rekening moet worden gehouden met de afschrijving op deze investeringen. In de daaropvolgende rechtsoverweging (3.8) oordeelt het hof dat SBOH c.s. onvoldoende concreet hebben gesteld en met bescheiden gestaafd dat de opstalhouders in verband met de ophoging van de grond zodanige kosten hebben gemaakt dat die er thans nog toe moeten leiden dat de door HHR gekozen retributiesystematiek als onredelijk moet worden aangemerkt. Aan dit (naar bij subonderdeel 2.4 zal worden betoogd: begrijpelijke) oordeel legt het hof niet de door RIGO aangevoerde afschrijvingstermijn van 50 jaar ten grondslag, zodat de klacht daarom al faalt.
zij in verband met de ophoging van de grond in verband met het feit dat tegen een dijk moest worden gebouwd kosten hebben gemaakt die er thans (nog) toe moeten leiden dat de door het Hoogheemraadschap gekozen retributiesystematiek als onredelijk moet worden aangemerkt”.
concretekosten van
de afzonderlijke opstalhoudersopgenomen die zij (destijds) hebben gemaakt voor het bouwrijp maken van de grond. Daarnaast wordt in het aanbrengexploot (onder 3.15) door SBOH c.s. gesteld dat alle opstalhouders die een perceel in recht van opstal hebben gekregen waarop nog geen opstal stond, kunnen getuigen dat zij een met gras begroeid stuk dijk ter beschikking hebben gekregen dat zij zelf bouwrijp dienden te maken en dienden op te hogen. Ook hieruit blijkt niet welke kosten de afzonderlijke opstalhouders hebben moeten maken om de grond bouwrijp te maken.
subonderdeel 2.5dat het oordeel van het hof in ieder geval onvoldoende gemotiveerd is, nu SBOH c.s. (versterkt met een bewijsaanbod) hebben gesteld dat [eiser 3] (die zijn opstalrecht in 1984 heeft verkregen) [63] (a) zijn perceel met 800 m3 grond heeft moeten aanvullen om het door hem gekochte (toen enkel nog met gras begroeide) [64] perceel op straatniveau te brengen en aan de achterzijde met een aanzienlijk bouwwerk, dat ook steeds in stand moest worden gehouden, heeft gestut en (b) zijn perceel bouwrijp heeft gemaakt en voorzieningen heeft aangelegd. [65] Zonder nadere motivering valt volgens SBOH c.s. niet in te zien waarom SBOH c.s. in dit licht niet voldoende zouden hebben gesteld dat [eiser 3] kosten heeft moeten maken voor het bouwrijp maken c.q. ophogen van de grond, althans heeft het hof in dat licht te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van SBOH c.s. ter zake.
Vervolgens heeft hij het perceel bouwrijp gemaakt en de voorzieningen aangelegd”, zo vervolgen SBOH c.s. [eiser 3] beschikt niet meer over de rekening van de aannemer die deze werkzaamheden heeft verricht, maar “
herinnert zich wel dat deze aanzienlijk waren”. Het hiervoor aangehaalde oordeel van het hof in rov. 3.8 is in het licht van deze stellingen – die door HHR zijn betwist [66] – niet onbegrijpelijk. Met deze stellingen wordt immers niet
concreetgesteld en met bescheiden gestaafd dat [eiser 3] zodanige kosten heeft gemaakt dat die er thans nog toe moeten leiden dat de door HHR gekozen retributiesystematiek als onredelijk moet worden aangemerkt. Slechts de herinnering van [eiser 3] dat de kosten ‘aanzienlijk’ waren, is daarvoor (begrijpelijkerwijs) niet voldoende.