Conclusie
2.Opmerkingen vooraf
3.Juridisch kader
Stb.249 (hierna: LVW 1926), zoals gewijzigd bij de Wet van 12 december 1935 tot wijziging van de Luchtvaartwet 1926,
Stb.700 (hierna: LVW 1935) [41] . Uit de parlementaire behandeling van LVW 1926 [42] valt af te leiden dat aanvankelijk was gekozen voor een schadeloosstellingsregeling die was geënt op het ontwerp van wet houdende regeling in zake vaststelling van een bouwverbod op gronden langs Rijkswegen [43] . Naar aanleiding van het voorlopig verslag [44] is in de memorie van antwoord betreffende het nader gewijzigd ontwerp opgemerkt dat het bij nadere overweging gewenst voorkomt niet de gewone procedure te volgen, maar een eenvoudigere en snellere, namelijk de onteigeningsprocedure. Derhalve zijn enkele artikelen van de Onteigeningswet in de onderwerpelijke regeling opgenomen, zij het met enige wijzigingen [45] .
lites finiri oportetklaarblijkelijk te wijken voor de notie dat niet behoort te worden beslist op basis van een feitencomplex dat illusoir is (geworden).
Amsterdam/Koster [106] was de vraag aan de orde of de onteigende partij (Koster), tegenover de aan de gemeente bevolen eigendomsoverdracht van het bewuste onroerend goed, kon volstaan met betaling van ƒ 32.500,- (de werkelijke waarde van het onteigende perceel t.t.v. de onteigening). Volgens de gemeente Amsterdam moest er in cassatie van worden uitgegaan dat de door Koster terug te ontvangen waarde van het bewuste onroerend goed sinds de onteigening aanmerkelijk groter was geworden, in het bijzonder ten gevolge van de voortschrijdende waardedaling (vermindering in koopkracht) van de Nederlandse gulden. De Hoge Raad overwoog dat het standpunt van de gemeente niet alleen niet strookte met de tekst van art. 61, maar:
Bakkeren/Rotterdam II [108] is voor een deel een herhaling van het arrest Amsterdam/Koster, maar bevat daarnaast ook een interessante overweging over bijkomende schade. In cassatie was de vraag aan de orde in hoeverre een onteigende, die de onteigende zaak op de voet van art. 61 Ow Pro terugvordert, gehouden is de voor de onteigening ontvangen schadeloosstelling terug te geven. Het hof had als uitgangspunt genomen dat in het destijds door Bakkeren ontvangen bedrag van de schadeloosstelling van ƒ 750.000,-, naast een vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende tevens een vergoeding voor bijkomende schade was begrepen en oordeelde vervolgens dat het gehele ontvangen bedrag in aanmerking moest worden genomen voor de berekening van de (“in evenredigheid tot de terugontvangen waarde”) terug te betalen schadeloosstelling. De Hoge Raad overwoog evenwel als volgt:
4.Bespreking van het principale cassatieberoep
subonderdeel 1.3geldt het voorgaande in ieder geval of temeer in een geval als het onderhavige waarin, samengevat, (a) wordt gedebatteerd enerzijds over de schadeloosstelling op grond van art. 50 LVW Pro en anderzijds (eerst na verwijzing) ook over de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, Chipshol gehouden is op de voet van art. 55 LVW Pro de eventuele waardevermeerdering als gevolg van de opheffing van het bouwverbod te betalen, en (b) volgens het hof bij het onderzoek naar de art. 55-vordering dezelfde kerngegevens en begrotingssystematiek moeten worden gebruikt als de door de rechtbank benoemde deskundigen hebben gebruikt in het art. 50-debat om de resultaten van beide onderzoeken vergelijkbaar te maken en de consistentie van de onderzoeken te bevorderen [112] . Het subonderdeel betoogt, samengevat, dat als het art. 50-debat in de door het hof bedoelde zin zou plaatsvinden, terwijl het hof in het art. 55-debat nog alle relevante (nieuwe) gegevens in zijn beoordeling kan betrekken, een met de systematiek van de art. 50 en Pro 55 LVW en art. 37 lid 2 Ow Pro en/of de door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde ‘fair trial’ en/of de door art. 1 EP Pro vereiste ‘fair balance’ en/of de nagestreefde vergelijkbaarheid en consistentie in beide debatten, strijdige situatie ontstaat. Daarbij wijst het subonderdeel erop dat in de art. 55-procedure eerst een voor Chipshol positief tussenvonnis was gewezen.
Kamerstukken II1957/58, 4168, nr. 6, p. 2). De keuze van de wetgever voor een aparte procedure is klaarblijkelijk slechts ingegeven door de mogelijkheid dat een bouwverbod pas wordt opgeheven als de naar aanleiding van de oplegging van dat bouwverbod in gang gezette procedure van art. 50 LVW Pro reeds is afgerond.
‘equality of arms’ [118] strijdige situatie. De Luchthaven kan dan namelijk aan haar art. 55-verweer tegen de vordering van Chipshol feiten en argumenten ten grondslag leggen die Chipshol niet meer kan gebruiken bij de onderbouwing van haar vordering, terwijl vordering en verweer voortspruiten uit twee spiegelbeeldige bepalingen die tezamen een adequate schadeloosstelling voor Chipshol moeten opleveren. Dat het debat ten aanzien van de art. 50-component van de schadeloosstelling en het art. 55-verweer in verschillende stadia verkeert, rechtvaardigt dit verschil m.i. niet.
subonderdeel 2.1dat het hof met deze oordelen zijn eigen regel heeft miskend dat het niet kan terugkomen van in het art. 50-debat door de rechtbank gegeven en niet of tevergeefs in cassatie bestreden oordelen. Het subonderdeel klaagt voorts dat deze oordelen vanwege deze tegenstrijdigheid in ieder geval onbegrijpelijk zijn.
subonderdeel 2.3dat het hof heeft miskend dat art. 55 LVW Pro (enkel) recht geeft op de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de opheffing van het bouwverbod en, voor zover het hof dat niet heeft miskend, dat het oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd “omdat zelfs als de toegekende beleggingsschade als gevolg van het bouwverbod lager zou zijn, niet valt in te zien waarom dat invloed zou hebben op de waardevermeerdering (…) als gevolg van het opheffen van het bouwverbod.”
Bakkeren/Rotterdam II, waarin de Hoge Raad, in vervolg op de reeds geciteerde rov. 4.3-4.4, ten overvloede het volgende heeft overwogen:
onderdeel 4zich tegen rov. 3.3.1 en 3.3.8-3.3.9 van het tweede tussenarrest, rov. 2.2, 2.4 en 2.9 van het vierde tussenarrest en rov. 2.4 en 2.6 van het vijfde tussenarrest, waarin het hof achtereenvolgens en voor zover thans van belang als volgt heeft overwogen:
Waardevermindering op 19 februari 2003