Conclusie
Nummer19/00515
Het cassatieberoep
De zaak
De middelen van de verdachte
eerste middel, dat alleen betrekking heeft op het onder 1 bewezen verklaarde, klaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] , terwijl de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuigen te ondervragen, de betrokkenheid van de verdachte bij het haar ten laste gelegde feit niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en de verdachte niet voldoende is gecompenseerd voor de beperkingen van het ondervragingsrecht.
Steunbewijs?
Schatschaschwili tegen Duitsland,het kader uiteengezet op grond waarvan de strafrechter dient te beoordelen of het gebruik voor het bewijs van getuigenverklaringen in dit opzicht verenigbaar is met art. 6 EVRM Pro. [5] Uitgangspunt is dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid niet eraan in de weg staat dat een door de niet-ondervraagde getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk strafproces. Aan die eisen kan in het bijzonder zijn voldaan doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd, dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – doordat het ontbreken van een mogelijkheid tot ondervraging van die getuige in voldoende mate wordt gecompenseerd. [6]
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden doordat het hof de stukken van het geding niet tijdig aan de Hoge Raad heeft toegezonden.
De middelen van de benadeelde partijen
eerste namens de benadeelde partijen voorgestelde middelen het
tweede namens de benadeelde partijen voorgestelde middelkomen op tegen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in het deel van hun vorderingen tot schadevergoeding dat betrekking heeft op gederfde inkomsten. [13] Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof dat de behandeling van de vorderingen in zoverre een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert en de beslissing van het hof om geen gebruik te maken van zijn schattingsbevoegdheid, mede in het licht van het ontbreken van een (gemotiveerde) betwisting van de vorderingen door de verdediging, onbegrijpelijk zijn, althans ontoereikend zijn gemotiveerd. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]