ECLI:NL:PHR:2020:1047

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 2020
Publicatiedatum
9 november 2020
Zaaknummer
19/02879
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
15 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering van voordeel uit witwassen

In deze zaak is betrokkene veroordeeld wegens witwassen van een bedrag van €212.790,-, verkregen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010. De rechtbank had geoordeeld dat betrokkene wederrechtelijk voordeel had genoten omdat hij vrijelijk over het geld kon beschikken. Dit oordeel werd door het hof bevestigd.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het voordeel daadwerkelijk is genoten. De enkele omstandigheid dat betrokkene vrijelijk over het geld kon beschikken, is volgens de Hoge Raad niet toereikend. Zonder nadere motivering is het oordeel van het hof onbegrijpelijk.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De overige middelen van cassatie behoeven geen bespreking. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging gevonden.

De zaak betreft een toepassing van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, waarbij moet worden vastgesteld of en in hoeverre voordeel is genoten uit het bewezen verklaarde witwassen. De Hoge Raad benadrukt het belang van een voldoende gemotiveerde schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen wegens onvoldoende motivering van het genoten voordeel uit witwassen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02879 P
Zitting10 november 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 juni 2019 het jegens de betrokkene gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bevestigd. Bij dat vonnis is het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 212.790,- en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de strafzaak van de betrokkene (19/02897). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.B.E. van Kan en mr. A. Cinar, beiden advocaat te Heerlen, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.
4. Ik zie aanleiding allereerst het
vijfde middelte bespreken. Het middel behelst de klacht dat de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd.
5. De betrokkene is in de strafzaak veroordeeld wegens witwassen. Ten laste van de betrokkene is bewezen verklaard dat hij:
“in de periode van 1 januari 2007 tot en 31 december 2010 in Nederland in totaal € 212.790,- heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
6. De door het hof bevestigde uitspraak van de rechtbank houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant en met weglating van voetnoten, het volgende in:
3.3 Het oordeel van de rechtbank
3.3.1 Inleiding
Bij voormeld vonnis d.d. 22 maart 2017 is [betrokkene ] veroordeeld wegens witwassen, gepleegd in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [betrokkene ] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [betrokkene ] zijn begaan.
3.3.2 Het bewijs
In de onderliggende strafzaak is bewezen verklaard dat [betrokkene ] in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010 een geldbedrag van in totaal € 212.790,- heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat dit geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Daarmee staat vast dat [betrokkene ] dit geldbedrag wederrechtelijk heeft verkregen. Omdat [betrokkene ] vrijelijk de beschikking heeft gehad over dit geld, acht de rechtbank aannemelijk dat hij daaruit ook voordeel heeft genoten.
Uit het vonnis in de onderliggende strafzaak blijkt dat [betrokkene ] in de bewezenverklaarde periode een Money Transfer van € 2.000,- heeft verricht en diverse keren contante geldbedragen op zijn rekeningen heeft gestort. Op zijn ING bedrijfsrekening is in totaal € 206.440,- gestort en op diverse privérekeningen van [betrokkene ] in totaal € 20.350,-.
In het onderliggende vonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat het geld van de Money Transfer middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat [betrokkene ] dat wist. Datzelfde geldt voor de contant gestorte gelden, met uitzondering van een bedrag van € 16.000,-, dat afkomstig is van (legale) huurinkomsten
Het door [betrokkene ] wederrechtelijk verkregen voordeel kan, gelet op het vorenstaande, worden geschat op:
Money Transfer
€ 2.000,-
Stortingen privérekeningen
€ 20.350,-
Contante stortingen ING
€ 206.440,-
€ 228.790,-
Legale stortingen huur
€ 16.000,- -/-
Totaal
€ 212.790,-
De rechtbank acht geen termen aanwezig het door [betrokkene ] te betalen bedrag lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.
Ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal aan [betrokkene ] dan ook de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 212.790,-.”
7. De bestreden uitspraak van het hof houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:
“Door veroordeelde is betoogd dat hij geen gelden heeft witgewassen en derhalve geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Ook is betoogd dat getuige [betrokkene 1] gedurende de volledige huurperiode dat hij het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] van veroordeelde heeft gehuurd huurpenningen heeft voldaan, zodat dit hele bedrag in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel en niet slechts € 16.000, zoals de rechtbank heeft gedaan. Ten slotte is door de veroordeelde gesteld dat het lang duurde voor hij wist dat sprake was van een ontneming jegens hem.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust. De door de verdediging in hoger beroep aangevoerde verweren worden door de in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen weerlegd en behoeven geen nadere bespreking.”
8. Uit de door het hof bevestigde overwegingen van de rechtbank kan worden afgeleid dat de rechtbank het in de hoofdzaak bewezen verklaarde feit als grondslag heeft aangemerkt voor de ontnemingsmaatregel. Daarmee heeft de rechtbank toepassing gegeven aan artikel 36e lid 2 Sr, in de redactie van vóór 1 juli 2011, en wel in die zin dat het gaat om voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde witwassen. Over het eventuele bestaan van voldoende aanwijzingen voor het begaan van soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd heeft de rechtbank zich niet uitgelaten, en het hof net zomin.
9. Bij de bespreking van het middel kan worden vooropgesteld dat de opvatting dat bepaalde geldbedragen, als voorwerp van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen, naar het oordeel van de Hoge Raad onjuist is. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde witwassen. [1]
10. In de door het hof bevestigde uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat in de strafzaak bewezen is verklaard dat de betrokkene in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010 een geldbedrag van in totaal € 212.790 heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat dit geldbedrag – middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Daarmee staat volgens de rechtbank vast dat de betrokkene dit geldbedrag wederrechtelijk heeft verkregen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de betrokkene daaruit ook voordeel heeft genoten, aangezien hij vrijelijk over dat bedrag kon beschikken. In het licht van hetgeen hiervoor onder 9 is vooropgesteld, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk geoordeeld dat de betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit het bewezen verklaarde witwassen. De enkele overweging dat de betrokkene vrijelijk over het geldbedrag kon beschikken, vormt geen toereikende motivering.
11. Het vijfde middel is terecht voorgesteld.
12. Aangezien het vijfde middel mijns inziens moet slagen, meen ik dat de overige middelen geen bespreking behoeven. In het geval Uw Raad evenwel hieromtrent nader geïnformeerd wenst te worden, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217,