Conclusie
Inforcontracting,
: SNCU,
POS Outsourcing/FNV. [1]
1.Feiten
CAO Uitzend) en de cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche (hierna:
CAO SFU). SNCU heeft een deel van haar bevoegdheden overgedragen aan de Commissie Naleving CAO voor Uitzendkrachten (CNCU). De CNCU heeft als specifiek doel het houden van toezicht op de naleving van de cao’s.
de CAO’s’.
2.Procesverloop
het hof). Zij heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en de vorderingen van SNCU alsnog zal afwijzen. Inforcontracting heeft daartoe vijftien grieven aangevoerd, waarvan een belangrijk deel ziet op de afzonderlijke door SNCU aangevoerde tekortkomingen in de naleving van de CAO’s. SNCU heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Bij arrest van 10 september 2019 heeft het hof de vonnissen bekrachtigd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1stelt aan de orde dat de CAO’s niet algemeen verbindend verklaard hadden mogen worden omdat niet is voldaan aan het representativiteitsvereiste uit art. 2 Wet Pro Avv. [3] Onderdeel 2voert aan dat de wijze waarop de gevorderde nabetaling is berekend onbetrouwbaar is omdat de door SNCU gehanteerde steekproef niet representatief is. Dit onderdeel gaat tevens in op de bevoegdheid van SNCU om in rechte te vorderen dat een werkgever wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie uit hoofde van een cao, zoals het doen van een nabetaling aan de betrokken werknemers.
Onderdeel 3ziet op de bevoegdheid van een partij als SNCU om een verklaring voor recht te vorderen die inhoudt dat een werkgever wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie ten behoeve van (al) zijn werknemers uit hoofde van een cao. Het cassatieberoep is daarmee beperkt tot de ‘formele verweren’ van Inforcontracting. [4] Het richt zich niet tegen de door het hof vastgestelde tekortkomingen in de naleving van de CAO’s.
die in het geheele land of in een gedeelte des lands voor eene – naar zijn oordeel belangrijke – meerderheid van de in een bedrijf werkzame personen gelden”. In de literatuur wordt in dat verband ook wel gesproken van het meerderheidsvereiste. [5] Daarnaast speelt representativiteit in het kader van onderdeel 2 . Daar gaat het om de bevoegdheid van cao-partijen en van paritaire handhavers, zoals SNCU, om individuele werknemers in rechte te vertegenwoordigen en de rol van hun lidmaatschap bij een vakbond.
werkzaam is bijaan de cao gebonden werkgevers en die naar de aard van hun functie respectievelijk werkzaamheden binnen de werkingssfeer van de cao zouden vallen. [12]
belangrijk’is. [16] In par. 4.1 van het Toetsingskader Avv is het laatste vereiste als volgt uitgewerkt:
Tido Vesta/SNCUheeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de rechtspositie van SNCU. [26] Op grond van de Uitzend-cao [27] dient SNCU erop toe te zien dat de cao-bepalingen worden nageleefd. Zij is daarom door de bij de cao betrokken partijen gemachtigd al datgene te verrichten dat daartoe nuttig en noodzakelijk kan zijn. Ik citeer het arrest van de Hoge Raad (rov. 3.3.1):
concreet bedrag, en niet slechts op de vermelding van een indicatieve som, zoals het hof kennelijk heeft beoogd.
nabetaling aan de betrokken werknemers van een bedrag van € 811.174,-”is onduidelijk welk bedrag aan welke werknemer verschuldigd is, zodat nakoming van de veroordeling (praktisch) onmogelijk is.
nade periode van 52 weken, niet overgaat tot naleving van de CAO’s. Het totaalbedrag dat Inforcontracting in dat geval verschuldigd wordt aan SNCU is gemaximeerd op € 811.174,-. Daarmee is echter niet gezegd dat Inforcontracting aan haar werknemers over de periode van 2010-2011 uit hoofde van de cao’s dit exacte bedrag moet betalen. Het totaalbedrag van de nabetaling moet als gezegd worden vastgesteld op basis van een vergelijking per betrokken werknemers tussen het bedrag dat Inforcontracting op basis van een juiste naleving van de CAO’s had moeten betalen en het bedrag dat zij feitelijk heeft betaald.
lagerbedrag dan € 811.174,- verschuldigd is (aan de hand van specificaties en betaalbewijzen en op basis van andere gegevens dan die zij in onderhavige procedure heeft en had kunnen aanvoeren) en indien zij dat lagere totaalbedrag na een jaar niet heeft betaald aan de betrokken werknemers, verbeurt Inforcontracting een bedrag van € 1000,- aan dwangsommen aan SNCU voor elke dag dat zij niet overgaat tot naleving van de CAO’s door betaling van dit lagere totaalbedrag, waarbij in dat geval het bedrag aan dwangsommen is gemaximeerd op een totaal van € 811.174,-. Indien Inforcontracting wél tijdig alle nabetalingen doet, verbeurt zij na genoemde 52 weken (uiteraard) geen dwangsommen. Per saldo is zij dan een lager bedrag kwijt dan de genoemde € 811.174,-.
hogerbedrag aan achterstallig loon en toeslagen verschuldigd is, dan voldoet zij aan het vonnis indien zij nabetalingen doet tot in het totaal € 811.174,-. [34] Dat zelfde bedrag vormt ook de begrenzing van de te verbeuren dwangsommen voor het geval dat Inforcontracting na een periode van een jaar
nietovergaat tot nabetaling van het hogere totaalbedrag aan haar werknemers. Het opnemen van een (indicatief) bedrag in het dictum verschaft Inforcontracting de zekerheid dat zij niet meer kwijt kan zijn dan meergenoemd bedrag, hetzij in de vorm van nabetalingen aan de betrokken (ex) werknemers, hetzij in de vorm van een aan SNCU te betalen dwangsom.
kunnen én willenmaken. Deze clausulering moet blijken uit het dictum. Het subonderdeel beroept zich daarbij op de arresten
CNV/Pennwaltuit 1997 [36] en
FNV/Inretailuit 2018. [37]
CNV/Pennwaltheeft de Hoge Raad geoordeeld over de toewijsbaarheid van een vordering tot nakoming van in een cao opgenomen verplichtingen door de werkgever jegens diens werknemers. Het ging om een vordering tot veroordeling van de werkgever tot vermeerdering van het tegoed aan vrije snipperdagen met de in de periode tussen Kerst en Oud en Nieuw ten onrechte in mindering gebrachte snipperdagen. De Hoge Raad overweegt voor dit specifieke geval dat
FNV/Inretailheeft de Hoge Raad deze rechtspraak bevestigd. Ik citeer rov. 3.4 (mijn onderstreping):
Uit dat arrest volgt slechts dat een eventuele toewijzing van de nakomingsvordering alleen betrekking kan hebben op de nakoming van een verplichting van een werkgever jegens werknemers die daarop aanspraak kunnen en willen maken. Blijkens genoemd arrest moet die clausulering tot uitdrukking gebracht worden in het dictum van de uitspraak, indien daarin een werkgever wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie jegens zijn werknemers.”
kunnenmaken op nabetaling van achterstallig loon en toeslagen. Bovendien is de veroordeling gemaximeerd tot het bedrag waarvoor Inforcontracting in gebreke is gebleven met betaling van loon en toeslagen aan haar werknemers over de periode 2010-2011. Daarmee is afdoende ondervangen dat (ex) werknemers méér zouden krijgen dan waarop zij uit hoofde van de algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen recht hebben.
POS Outsourcing/FNV.Beide zaken gaan over een vordering tot nakoming van een algemeen verbindend verklaarde cao tegen een niet-georganiseerde werkgever die als gevolg van de verbindendverklaring aan de betrokken cao is gebonden. Zoals opgemerkt aan het begin van deze conclusie, heeft A-G Hartlief in de zaak
POS Outsourcing/FNVonlangs zijn conclusie genomen. Daarin bepleit hij de ‘willen’-clausulering te beperken tot de gevallen waarin een werkgever wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie op grond van een niet algemeen verbindend verklaarde cao-bepaling jegens (ex) werknemers die niet rechtstreeks aan de cao zijn gebonden. [42] In zaken waarin een vakbond of een paritaire handhaver (zoals hier SNCU) nakoming vordert van een cao die wél algemeen verbindend verklaard is, kan de ‘willen’-clausulering hun niet worden tegengeworpen. De gronden die A-G Hartlief voor dit standpunt aanvoert zijn, kort samengevat, dat (i) algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen dwingend recht zijn voor partijen die onder de werkingssfeer daarvan vallen en (ii) de ‘willen’-clausulering afbreuk doet aan de effectiviteit van die cao-bepalingen en van de bevoegdheid van vakbonden uit eigen hoofde nakoming daarvan te vorderen. [43]
CNV/Pennwalten
FNV/Inretailin hun context moeten worden gezien. Het eerste arrest had geen betrekking op een algemeen verbindend verklaarde cao. Bovendien kon daar aan de wil van de werknemer bij de naleving van de betrokken cao-bepalingen wél betekenis toekomen. Zo was het goed denkbaar dat niet iedere werknemer aanspraak wenste te maken op vermeerdering van het tegoed aan snipperdagen omdat die verplichte snipperdagen vielen op dagen waarop de werknemer mogelijk liever een vrije dag wilde opnemen. In
FNV/Inretailheeft de Hoge Raad zich evenmin uitgesproken over de toepasselijkheid van een ‘willen’-clausulering bij handhaving van algemeen verbindend verklaarde cao-bepalingen. Kern van die zaak is dat een vakbond zijn handhavingsbevoegdheid autonoom kan uitoefenen en niet slechts in geval van verzet of bezwaar van de werknemer(s) tegen de handelwijze van de werkgever. Het zelfstandige vorderingsrecht van de vakbond werd aldus bevestigd. Daarmee samenhangend meen ik dat de verwijzing in rov. 3.4 naar de ‘kunnen en willen’-clausulering uit
CNV/Pennwaltzo moet worden begrepen dat een vakbond bij haar vordering tot nakoming slechts belang heeft als er ‘betrokken werknemers’ zijn die aanspraak willen maken op hetgeen wordt gevorderd. Nu niet is vereist dat die werknemers zich hebben verzet of bezwaar te hebben gemaakt, is voor toewijzing van de vordering tot nakoming ook niet vereist te preciseren dat zij blijk geven van hun wil aanspraak te maken op (hun aandeel in) hetgeen wordt toegewezen.
CNV/Pennwaltwerd dienaangaande het volgende overwogen (rov. 3.6):
subonderdeel 2.7dat deze bevoegdheid krachtens art. 3 lid 4 Wet Pro Avv alleen bestaat ten behoeve van de leden van een cao-afsluitende vakbond. Volgens het subonderdeel getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof die beperking niet heeft aangebracht in de veroordeling van Inforcontracting.