Conclusie
4.Het eerste middel
[verdachte] :
NJ2009/349 m.nt. Schalken volgt dat behoudens in het geval dat een verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid zal moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.
:
Ik word meestal gebeld door [verdachte] met de mededeling dat er een zending aankomt uit Frankrijk of uit Duitsland. Op dat moment noemt hij meestal ook de naam van de buitenlandse leverancier. Zo wist ik wie er bij ons ging afleveren. Ook heb ik wel eens een mail van hem ontvangen, waarin hij een zending aankondigt. Op het moment dat [verdachte] bij mij een zending aankondigt, dan geeft hij meestal ook aan dat ik vast een vlucht naar Dubai voor de desbetreffende zending moet boeken. De verzendgegevens stuurde hij dan vervolgens per fax aan ons.
5.Het tweede middel
NJ2017/229 m.nt. Kooijmans het volgende overwogen met betrekking tot onderzoek aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken:
NJ2017/230) ben ik het eens dat het niet waarschijnlijk is dat de Hoge Raad heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de officier van justitie onderscheidenlijk rechter-commissaris het onderzoek zelf zou moeten verrichten. Een voor de hand liggende mogelijkheid is dat zij alsdan opsporingsambtenaren een daartoe strekkend bevel geven op grond van art. 148 lid 2 resp Pro. art. 177 lid 1 Sv Pro. Het lijkt mij, gelet op het waarborgkarakter van de bemoeienis van de officier van justitie (of de rechter-commissaris) van belang dat ondubbelzinnig moet blijken dat een dergelijke opdracht is gegeven. Het hof heeft weliswaar aangenomen dat het hierboven bedoelde onderzoek heeft plaatsgevonden onder leiding van de officier van justitie, maar dat daartoe een specifieke opdracht is gegeven is niet vastgesteld. Daarvan valt overigens niemand een verwijt te maken, aangezien de door de Hoge Raad aangewezen – nieuwe – gedragslijn nog niet bekend kon zijn. De door het hof geuite – tenminste denkbare – twijfel aan de rechtmatigheid van het onderzoek kan ik me dus ook wel voorstellen.
6.Het derde middel
NJ2004/606 m.nt. Buruma. Het betrof daar een verdachte die in het kader van haar bijstandsuitkering opgave had moeten doen van onder meer gewijzigde omstandigheden die van invloed zouden kunnen zijn op de uitkering. Haar werd verweten dat zij die formulieren telkens valselijk had opgemaakt doordat zij niet had opgegeven dat zij niet meer in Veenendaal woonde. De gemeente Veenendaal had de bijstandsuitkering herzien en wilde de ten onrechte genoten uitkeringen terugvorderen. De bestuursrechter verklaarde het beroep van deze persoon gegrond en vernietigde het besluit. Zij is vervolgens strafrechtelijk vervolgd voor valsheid in geschriften. De strafrechter beschikte over nagenoeg hetzelfde feitenmateriaal en kwam tot een veroordeling. Het oordeel van de bestuursrechter stond daar naar het oordeel van de Hoge Raad niet aan in de weg:
aannemelijkheeft geacht dat de verdachte op de hoogte was van hetgeen zich afspeelde voordat [I] de telefoons aankocht (zie de bewijsoverwegingen van het hof in onderdeel 4.4 hierboven). Het hof achtte dat aannemelijk gelet op in het bijzonder bewijsmiddel 28 van de rechtbank, dat hierboven, bij het eerste middel ook al aan de orde kwam. Bewijsmiddel 28 van de rechtbank houdt in:
[betrokkene 1] :