Conclusie
Qatar Airways,
de passagiers,
1.Feiten en procesverloop
de kantonrechter). De passagiers hebben gevorderd Qatar Airways te veroordelen tot betaling van € 12.000, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten.
burn marks’ op het vliegtuig zijn opgemerkt en daar een inspectie naar diende te worden uitgevoerd.
burn marksheeft ontdekt (rov. 5.4-5.8).
het hof). Het hof heeft opgemerkt dat de kantonrechter in rov. 2.6 van het vonnis heeft vastgesteld dat de passagiers op eigen naam compensatie hebben gevorderd, maar dat Qatar Airways in hoger beroep heeft aangevoerd dat het in feite gaat om één aan EUclaim B.V. (hierna:
EUclaim) gecedeerde vordering. [4]
In een geval als het onderhavige, waarbij twee eisers bij één dagvaarding elk afzonderlijk een vordering hebben ingesteld tegen de gedaagde, mogen, voor de beoordeling of het vonnis waarbij de beide vorderingen zijn afgedaan vatbaar is voor hoger beroep, die vorderingen niet bij elkaar worden opgeteld.”
2.Inleidende beschouwingen
Ryanair/[…]is de mogelijkheid om op grond van art. 80 lid 1 RO Pro beroep in cassatie in te stellen tegen een niet voor beroep vatbare uitspraak van de kantonrechter niet verruimd. [5] Tegen die achtergrond lijkt de vraag of het noodzakelijk is de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen uit te breiden van extra belang. Volgens Qatar Airways betreft deze zaak dan ook “
een zaaksoverstijgende kwestie van bijzonder fundamentele aard”. [6]
Ryanair/[…]heb ik gewezen op voorbeelden van prejudiciële verwijzingen door kantonrechters in dit soort luchtvaartzaken. [10] Die zijn er dus wel degelijk.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2betoogt dat een dergelijke uitbreiding noodzakelijk is omdat zonder de mogelijkheid van hoger beroep een schending van het Unierecht door de kantonrechter niet kan worden hersteld. [13]
Ten Haave e.a./Hillen & Roosen Bouwuit 1994, [15] dat is geciteerd in rov. 3.4 van het bestreden arrest (zie hiervoor, 1.9).
subjectieve cumulatievan rechtsvorderingen. Hier geldt niet de optelregel.”
tussen dezelfde partijen’ (de zogeheten objectieve cumulatie). Vorderingen van of tegen verschillende partijen (de zogeheten subjectieve cumulatie) kunnen dus niet bij elkaar worden opgeteld. De reden hiervoor is dat de geschillen over deze vorderingen formeel gezien verschillende procedures blijven ook als zij in één vonnis worden beslecht.”
7 verzoekers/Air France) [20] betreft een zaak waarin EUclaim een verzoekschrift had ingediend op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 over ‘small claims’, waarvoor toen een maximum van € 2.000 gold (zie over die verordening hierna, onder 3.21). De ingediende vorderingen bedroegen in die zaak opgeteld € 4.200. De kantonrechter overwoog omtrent de ontvankelijkheid van dat verzoek:
per passagier. [24] Dat de kantonrechter de twintig afzonderlijke vorderingen in het dictum van het vonnis bij elkaar heeft opgeteld, zoals ook in de dagvaarding was gedaan, maakt niet dat hij heeft vastgesteld dat de passagiers hem één gezamenlijke rechtsvordering van € 12.000 hebben voorgelegd. Daarbij komt dat het in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 februari 2014 ging om één eiser, één gedaagde en één rechtsvordering (plus rente en kosten) en dus niet om subjectieve cumulatie. Dat maakt die zaak sowieso slecht vergelijkbaar met de onderhavige zaak.
power of attorney) [32] van ieder van de passagiers aan EUclaim en uit art. 5.2 en 5.3 van de algemene voorwaarden van EUclaim [33] blijkt dat EUclaim – bij een succesvolle procedure – 71% van de ontvangen compensatie uitbetaalt, minus € 26 aan kosten. Dit betekent dat een individuele passagier € 600 x 71% = € 426 – € 26 = € 400 ontvangt. De 29% die EUclaim op de compensatie inhoudt, zal in verband staan met de kosten van de procedure. Deze kosten zijn – nu hoger beroep is uitgesloten en cassatie slechts op beperkte gronden mogelijk is – relatief beperkt en goed voorspelbaar. Indien hoger beroep wordt opengesteld, zullen de kosten aanzienlijk stijgen en blijft er een kleiner bedrag voor de individuele passagier over zodat de drempel om compensatie te vorderen hoger komt te liggen (zie ook hiervoor, 2.6). [34] De ratio van art. 332 Rv Pro – het appelbeginsel moet bij geringe vorderingen wijken voor het toegankelijkheidsbeginsel – gaat derhalve onverminderd op.
small claims-verordening’. [35] Die suggestie is onjuist. Het plafond om als ‘geringe vordering’ te worden aangemerkt, lag aanvankelijk op € 2.000. Het verschil tussen de maximaal in te stellen vordering en de algemeen in Nederland geldende appelgrens van € 1.750 bedroeg daarmee slechts € 250. Dat was reden voor de Nederlandse wetgever om hoger beroep uit te sluiten. [36] Bij de aanpassing van de
small claims-verordening in 2017 is het plafond voor ‘geringe vorderingen’ verhoogd van € 2.000 naar € 5.000. [37] De Nederlandse uitvoeringswet is dienovereenkomstig aangepast. [38] Het verschil tussen het maximumbedrag van de vordering (€ 5.000) en de appelgrens (€ 1.750) was daardoor voortaan € 3.250. De wetgever heeft de algehele uitsluiting van hoger beroep ongedaan gemaakt en in plaats daarvan appel mogelijk gemaakt, waarbij is aangesloten bij de algemeen geldende appelgrens van € 1.750. [39] Dit betekent dat, óók bij vorderingen die conform de Europese procedure voor geringe vorderingen worden ingesteld, hoger beroep slechts mogelijk is indien de vordering méér dan € 1.750 bedraagt. Het maakt in dat opzicht geen verschil of een claimorganisatie een procedure door middel van één dagvaarding heeft aangebracht (zoals in de onderhavige zaak) of heeft gekozen voor een verzoekschrift overeenkomstig de procedure voor geringe vorderingen. In beide gevallen ligt de appelgrens op € 1.750 en moet die grens op dezelfde wijze worden toegepast.
uitsluitend” anders zou zijn als de passagiers hun vorderingen aan EUclaim zouden hebben gecedeerd. Het hof heeft in rov. 3.5 slechts (ten overvloede) overwogen dat Qatar Airways “
wellicht” wel ontvankelijk was geweest in haar hoger beroep als de passagiers hun vorderingen aan EUclaim hadden overgedragen. Deze overweging is onjuist noch onbegrijpelijk.
op limitatieve gronden – kort gezegd schending van fundamentele rechtsbeginselen – cassatieberoep openstaat.” Terzijde merk ik op dat het aan deze klacht ten grondslag liggende uitgangspunt (cassatieberoep niet mogelijk) haaks staat op het standpunt dat de luchtvaartmaatschappijen innamen in de beroepen waarop uw Raad op 9 oktober 2020 heeft beslist (cassatieberoep is mogelijk, althans moet mogelijk zijn).
status apartete geven. [47] Het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel noopt daar niet toe.
eliminatory function. [48] Daarbij moet het gaan om nationale regels die de doorwerking van door het Unierecht toegekende rechten belemmeren. Die situatie doet zich hier niet voor. Verordening 261/2004 kent een materieel recht op compensatie toe
aan passagiers. Unierechtelijk is daarom primair relevant of de toepasselijke procedurele modaliteiten passagiers in staat stellen dit recht daadwerkelijk uit te oefenen. Qatar Airways beroept zich echter op art. 47 EU Pro-Handvest om de procedurele rechten uit te breiden van de partij op wie de verplichting tot betaling rust. Zonder te willen uitsluiten dat art. 47 EU Pro-Handvest ook door ‘de andere kant’ kan worden ingeroepen (ondernemingen hebben in geschillen tegen consumenten immers evenzeer recht op een eerlijke procedure), [49] is er naar mijn mening niets dat erop zou kunnen wijzen dat de in deze zaak betwiste appelgrens van € 1.750 de toegang tot de rechter zou belemmeren. Zoals hiervoor opgemerkt (zie 2.6 en 3.19), kan juist het toestaan van hoger beroep tot gevolg hebben dat de toegang tot de rechter wordt bemoeilijkt, maar dan voor de passagiers.