Conclusie
1.Inleiding
2.Procesverloop
Fiscale[het hof heeft begrepen: finale]
kwijting blijft ongewijzigd van kracht na effectieve betaling van € 366.246,- exclusief BTW (…).” (rov. 8.5).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bestrijdt de oordelen in rov. 8.13 dat [eiser] zich vóór cassatie en verwijzing niet erop heeft beroepen dat hij redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 1] bevoegd was namens Encare de kwijtingsovereenkomst aan te gaan (
subonderdeel 1a) en dat [eiser] ná cassatie en verwijzing de grondslag van zijn verweer ontoelaatbaar heeft uitgebreid door hierop alsnog een beroep te doen (
subonderdeel 1b).
Onderdeel 2bevat een louter op onderdeel 1 voortbouwende klacht.
subonderdeel 1a, samengevat, dat [eiser] feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit volgt dat [eiser] aannam en redelijkerwijs mocht aannemen dat [betrokkene 1] bevoegd was om namens Encare de kwijtingsovereenkomst te sluiten en die, indien juist, het rechtsgevolg (kunnen) meebrengen dat hem een beroep toekomt op de bescherming van art. 3:61 lid 2 BW Pro, ook al heeft hij daar niet uitdrukkelijk beroep op gedaan en ook al is de mogelijkheid dat [betrokkene 1] niet bevoegd zou zijn, niet uitdrukkelijk besproken in de stukken in eerste aanleg.
[a]ls bevoegd vertegenwoordiger van Encare [...] met [eiser] op 4 juni 2008 overeen [kwam] dat [eiser] zijn verschuldigde bijdrage [...] bij oplevering van het appartement zou betalen aan [A] N.V. dan wel aan [B] B.V.“ (nr. 30), dat uit de volmachten blijkt “
[d]at [B] bevoegd was Encare te vertegenwoordigen” (nr. 31), en dat “
[g]edaagden begrijpen dat het feit dat [B] Encare bij deze overeenkomst vertegenwoordigde achteraf gezien wellicht ongelukkig is (...).“ (nr. 36).
Vertegenwoordigingsbevoegdheid van [B] en de geldigheid van de overeenkomsten van 4 juni 2008 en 2 april 2009” werd aangevoerd dat [betrokkene 1] in 1996 al afzonderlijk vertegenwoordigingsbevoegd was en dat na de overname door Mensura bleef (nrs. 33-34), dat deze vertegenwoordigingsbevoegdheid op diverse momenten door Mensura is bevestigd (nr. 35), dat uit de volmachten “
in alle redelijkheid niets anders kan worden gelezen dan dat [B] [ [betrokkene 1] ; AG] vertegenwoordigingsbevoegd is” (nr. 38), dat voor de hand ligt dat [betrokkene 1] bevoegd was omdat Mensura zich niet of nauwelijks met de bedrijfsvoering bemoeide (nr. 40), dat [betrokkene 1] in de begroting 2009 werd aangeduid als “Encare Arbozorg – Directie” (nr. 43), en dat vanaf 1996 de situatie nooit anders was dan dat Puelings en [betrokkene 1] afzonderlijk bevoegd waren (nr. 44). Dit betoog mondt uit in de conclusie: “
[B] was dus vertegenwoordigingsbevoegd op het moment dat de afspraken met zijn zoon werden gemaakt.” (nr. 45).
in alle redelijkheid niets anders kan worden gelezen dan dat [B] vertegenwoordigingsbevoegd is”, waarop subonderdeel 1a nog wijst op p. 5 van de procesinleiding, [12] heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk opgevat als een stelling die alleen het bestaan van een vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 1] diende te ondersteunen.