ECLI:NL:PHR:2020:122

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
10 februari 2020
Zaaknummer
19/01581
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 257e SvArt. 257f SvArt. 449 SvArt. 450 SvArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid verzet tegen strafbeschikking door onbevoegde gemachtigde

In deze zaak is de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen een strafbeschikking omdat het verzet schriftelijk was ingesteld door een door hem ingeschakelde adviseur die daartoe niet bevoegd was. De verdachte had een algemene volmacht verstrekt aan deze adviseur, maar volgens de wettelijke regeling kan schriftelijk verzet alleen worden ingesteld door de verdachte zelf of een bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat.

Het hof oordeelde dat het verzet onbevoegd was en wees de ontvankelijkheidsklacht af. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een beperkte mogelijkheid van schriftelijk verzet, waarbij alleen de verdachte en een bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat bevoegd zijn. Een algemene volmacht aan een adviseur voldoet niet aan de vereisten.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en wetsgeschiedenis om het onderscheid tussen de bevoegdheden van advocaten en andere gemachtigden te onderbouwen. Ook het argument dat het verzuim door het verschijnen van de verdachte of zijn raadsman ter terechtzitting gedekt zou moeten worden, wordt verworpen. Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring gehandhaafd.

Uitkomst: Het verzet tegen de strafbeschikking is niet-ontvankelijk verklaard omdat het schriftelijk is ingesteld door een onbevoegde gemachtigde.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/01581 E
Zitting11 februari 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 20 maart 2019 door de economische kamer van het Gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de op 14 juli 2016 jegens hem uitgevaardigde strafbeschikking.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat de artikelen 257e, derde lid, en 257f, vierde lid, Sv geschonden zijn nu het gerechtshof de verdachte ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzet tegen de strafbeschikking. Blijkens de toelichting meent de steller van het middel dat de wet zo zou moeten worden gelezen dat ‘ook de gemachtigde (niet zijnde een advocaat) schriftelijk verzet kan doen’. En in het geval dat niet zo is had het hof, zo begrijp ik, het verzuim voor gedekt dienen te houden.
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende:
(i) De verdachte heeft een strafbeschikking toegezonden gekregen, gedagtekend 14 juli 2016. Uit de stukken blijkt niet wanneer deze strafbeschikking de verdachte heeft bereikt. De aan die strafbeschikking gehechte toelichting houdt (onder meer) in:

Niet eens met de strafbeschikking
(…)
U kunt op twee manieren verzet instellen:
- Bij voorkeur schriftelijk, dit kan door u of door uw advocaat (…).
- In persoon, dit kan aan de balie bij het dichtstbijzijnde parket. (…). In persoon verzet instellen kan alleen door uzelf, uw advocaat of door een persoon die u daarvoor schriftelijk heeft gemachtigd.’
(ii) Op 22 juli 2016 heeft de verdachte [betrokkene 1] gemachtigd om namens de verdachte op te treden. Deze machtiging houdt voor zover relevant in dat de gemachtigde voor ‘de behandeling van verscheidene zaken c.q. geschillen bij (overheids)instanties, zal optreden, zulks met een macht van substitutie’, en dat verdachte aan [betrokkene 1] ‘alle benodigde volmachten (verleent) om ondergetekende zowel in woord als geschrift te vertegenwoordigen en ondergetekende in rechte bij te staan’.
(iii) De vertegenwoordiger heeft bij op 28 juli 2016 gedateerde brief schriftelijk op het parket Amsterdam verzet tegen de vermelde strafbeschikking ingesteld. Hiervan is door een OM-medewerker op dezelfde dag een akte opgemaakt.
(iv) Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 oktober 2017 blijkt dat de verdachte aldaar is verschenen, samen met zijn raadsman. De economische politierechter heeft het verzet bij op die dag gewezen mondeling vonnis niet-ontvankelijk verklaard, nu het ‘schriftelijk is ingesteld door een onbevoegd persoon’.
(v) Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2019 blijkt dat de verdachte daar, samen met zijn raadsman, eveneens is verschenen. Uit dat proces-verbaal en de aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota blijkt dat door en namens de verdachte het woord is gevoerd en is betoogd dat de verdachte ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzet.
(vi) Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet en in dat verband het volgende overwogen (inclusief voetnoten):
‘De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzet tegen de strafbeschikking.
Het hof overweegt als volgt.
Aan de verdachte is op 14 juli 2016 een strafbeschikking gezonden van in totaal € 507 omdat hij op 17 juli 2015 het Amsterdamse Taxxxilogo heeft gebruikt zonder toestemming van het College. In de toelichting op deze strafbeschikking staat - naar de kern samengevat - dat de verdachte of de advocaat van de verdachte schriftelijk verzet kan instellen. In persoon kan dit verzet ook worden ingesteld aan de balie bij het dichtstbijzijnde parket - aldus de toelichting - door de verdachte, zijn advocaat of door een persoon die schriftelijk daartoe door de verdachte gemachtigd is.
Op 28 juli 2016 is door [betrokkene 1] namens de verdachte schriftelijk verzet ingesteld tegen voornoemde beschikking. Aan dit verzetschrift is een schriftelijke machtiging gehecht, waarin de verdachte de heer [betrokkene 1] heeft gemachtigd als gemachtigde op te treden ter gelegenheid van de behandeling van verschillende zaken c.q. geschillen bij (overheids)instanties. Ook heeft hij [betrokkene 1] volmachten verleend de verdachte zowel in woord als geschrift te vertegenwoordigen en de verdachte in rechte bij te staan.
Op grond van artikel 257e lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan zowel een verdachte, als een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gemachtigd, schriftelijk verzet doen bij een aan de officier van justitie gerichte en ondertekende brief. Het verzet kan daarnaast mondeling worden gedaan in persoon op het parket door de verdachte, een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd, en een persoon die bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigd is. Voornoemde toelichting is op dit artikel gestoeld.
Artikel 257f lid 4 Sv bepaalt (onder andere) dat indien het verzet onbevoegdelijk is gedaan, het niet-ontvankelijk wordt verklaard.
In de memorie van toelichting bij de invoering van de Wet OM-afdoening [1] is over deze regeling het volgende opgenomen:
“In het voorgestelde artikel 257f, vierde lid, Sv tenslotte is vastgelegd dat het verzet niet ontvankelijk wordt verklaard indien het niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan of indien niet aan de vereisten van het voorgestelde artikel 257e, vierde lid, Sv is voldaan. Deze uitspraak spoort met de uitspraak die wordt gegeven indien rechtsmiddelen tegen rechterlijke uitspraken ontijdig of incorrect worden aangewend, al is zij voor dat geval niet wettelijk vastgelegd. De reden om de beslissing het verzet niet ontvankelijk te verklaren in deze regeling wel expliciet neer te leggen is dat de duidelijkheid daardoor wordt bevorderd.”
Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde verzet tegen de strafbeschikking, nu het verzet tegen de strafbeschikking door een door de verdachte ingeschakelde adviseur schriftelijk is ingesteld, terwijl deze adviseur daartoe niet bevoegd was.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. In het arrest van de Hoge Raad [2] waar de raadsman naar heeft verwezen, gaat het om een situatie waarin wel door een bevoegdelijk persoon op de juiste wijze hoger beroep was ingesteld, maar waarin een gebrek kleefde aan de bijzondere volmacht die hersteld kon worden ter terechtzitting. Dit betreft een andere situatie dan de onderhavige, waarin iemand hoger beroep heeft ingesteld op een wijze die niet is voorgeschreven door de wet, hetgeen maakt dat het verzet onbevoegdelijk is ingesteld.
Ook de overige door de raadsman aangedragen omstandigheden leiden, mede gelet op het hiervoor aangehaalde gedeelte uit de wetsgeschiedenis, niet tot een ander oordeel.’
5. Voor zover van belang luidde art. 257e Sv ten tijde van het instellen van verzet als volgt: [3]
‘1. Tegen een strafbeschikking kan de verdachte verzet doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Onverminderd de vorige zin kan tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending. Verzet kan niet worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan voorts niet worden gedaan indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe.
2. Het verzet wordt gedaan bij het parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt. Wordt het verzet gedaan bij een ander parket, dan wordt het doorgeleid naar een officier van justitie die het verzet bij een bevoegde rechter aanhangig kan maken.
3. Het verzet kan door de verdachte, een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd, alsmede een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde in persoon op het parket worden gedaan. In dat geval kan aanstonds een oproeping van de verdachte worden betekend om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen voor de behandeling van het verzet. De verdachte alsmede een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd kunnen schriftelijk verzet doen bij een aan de officier van justitie gerichte, ondertekende brief. Op de brief wordt onverwijld dag en uur van ontvangst aangetekend. Zij wordt bij de processtukken gevoegd.
4. Bij het verzet worden opgegeven de naam van de verdachte, alsmede een nauwkeurige aanduiding of kopie van de strafbeschikking waartegen het verzet zich richt. De verdachte kan een adres in Nederland opgeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Bij het verzet kunnen schriftelijk bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven.’
6. Art. 257f, vierde lid, Sv luidde destijds – en luidt thans nog steeds – als volgt:
‘Indien het verzet niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan dan wel niet aan de vereisten van artikel 257e, vierde lid, is voldaan, wordt het niet ontvankelijk verklaard. Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de strafbeschikking.’
7. De memorie van toelichting bij het voorstel van wet dat tot de Wet OM-afdoening heeft geleid houdt bij de artikelen 257e en 257f Sv – voor zover relevant – in:

3.8. Verzet
(…)
De regels die het aanwenden, registreren en intrekken van het verzet regarderen zijn in artikel 257e Sv evenwel in een specifieke regeling opgenomen. Toepassing van de regels die in de artikelen 449–455 Sv zijn opgenomen ligt bij het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de strafbeschikking niet voor de -hand. Artikel 449, eerste lid, Sv, schrijft namelijk aanwending van het rechtsmiddel voor «op de griffie door of bij hetwelk de beslissing is gegeven». Wenselijk lijkt, ook in verband met de mogelijkheid van intrekking of wijziging van de strafbeschikking door de officier van justitie, het verzet te laten instellen op het parket. Wel is in sterke mate bij de regeling van de artikelen 449 e.v. Sv aangesloten, zo zal blijken.
Afzonderlijke regeling van deze materie in de titel over de strafbeschikking maakt het voorts mogelijk om ruimere mogelijkheden te creëren voor het schriftelijk aanwenden van verzet dan in de regeling van de artikelen 449 e.v. Sv erkend worden. De belangen die op het spel staan maken enerzijds dat een ondertekende brief in voldoende mate duidelijkheid kan bieden omtrent de wens van de verdachte, een rechtsmiddel in te stellen, terwijl anderzijds bezwaarlijk aan het uitgangspunt kan worden vastgehouden dat de verdachte of diens advocaat het rechtsmiddel ter griffie in persoon aanwendt. Een vergelijking met de regeling van de WAHV ondersteunt dit standpunt. Overigens kan worden aangestipt dat de mogelijkheid om bij brief een rechtsmiddel in te (doen) stellen ook in een aantal arresten van de Hoge Raad inzake de artikelen 449 e.v. Sv in ruimere mate erkend is dan de wettelijke regeling, met name de relatief beperkte voorziening van artikel 449, tweede lid, Sv op het eerste gezicht doet vermoeden (vgl. onder meer HR 23 juni 1987, NJ 1988, 352).’ [4]
en

Artikel 257e
Dit artikel is op hoofdlijnen reeds toegelicht in par. 3.8. Het navolgende bevat aanvullende opmerkingen.
Verzet kan ingevolge het voorgestelde artikel 257e, eerste lid, Sv worden gedaan binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking de verdachte bekend is. De laatste formulering is ontleend aan de bepalingen in Sv waarin termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen tegen rechterlijke uitspraken zijn geregeld. Gewezen kan worden op de artikelen 399, 408 en 432 Sv.
Het verzet wordt ingevolge het voorgestelde artikel 257e, tweede lid, Sv, gedaan bij het parket dat in de strafbeschikking vermeld wordt. Daarmee wordt in belangrijke mate aangesloten bij de regel van artikel 449, eerste lid, Sv, alwaar gesproken wordt van «de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing gegeven is».
(…)
Het voorgestelde derde lid van artikel 257e Sv ziet op de wijze waarop het verzet dient te worden gedaan. Artikel 449 Sv Pro stelt bij verzet tegen een rechterlijke uitspraak, zo bleek, aanwending «op de griffie» centraal. Die aanwending kan plaatsvinden door degene die het rechtsmiddel aanwendt, in casu de verdachte, alsmede (ingevolge artikel 450 Sv Pro) door een advocaat die verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, alsmede door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gevolmachtigde. Uit het voorgestelde artikel 257e, derde lid, Sv volgt dat deze mogelijkheden ook bij de strafbeschikking bestaan, met dien verstande dat aanwending in persoon op het parket dient plaats te vinden (…). Anders dan in artikel 450 Sv Pro is echter voor de verdachte en de advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd ook de mogelijkheid geschapen dat schriftelijk verzet wordt gedaan door een aan de officier van justitie gerichte, ondertekende brief.’ [5]
en
‘Artikel 257e, vijfde lid, Sv schrijft voor dat van het doen van verzet door het openbaar ministerie een akte wordt opgemaakt. Dat impliceert, dat de akte – met toepassing van artikel 126 Wet Pro RO – namens de officier van justitie kan worden ondertekend. Indien het verzet in persoon wordt gedaan, wordt de akte mede ondertekend door degene die het doet. Indien deze niet kan tekenen, wordt de oorzaak van het beletsel vermeldt.
De bijzondere volmacht, in artikel 257e, derde lid, Sv vermeld, wordt aan de akte gehecht. De akte wordt bij de processtukken gevoegd. Dat sluit aan bij hetgeen artikel 451, eerste lid, Sv voorschrijft omtrent het aanwenden van verzet ter griffie. Het voorgestelde zesde lid is op artikel 451, vijfde lid, Sv geïnspireerd. Artikel 257e, zesde lid, Sv scherpt deze bepaling in die zin aan dat indien het verzet in persoon wordt gedaan, desgevraagd terstond een kopie van de akte wordt uitgereikt. Dat stelt de verdachte die daar prijs op stelt in staat op schrift vastgelegd te zien dat verzet is aangewend.’ [6]
en
‘In het voorgestelde artikel 257f, vierde lid, Sv tenslotte is vastgelegd dat het verzet niet ontvankelijk wordt verklaard indien het niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan of indien niet aan de vereisten van het voorgestelde artikel 257e, vierde lid, Sv is voldaan. Deze uitspraak spoort met de uitspraak die wordt gegeven indien rechtsmiddelen tegen rechterlijke uitspraken ontijdig of incorrect worden aangewend, al is zij voor dat geval niet wettelijk vastgelegd. De reden om de beslissing het verzet niet ontvankelijk te verklaren in deze regeling wel expliciet neer te leggen is dat de duidelijkheid daardoor wordt bevorderd.’ [7]
8. Uit de wetsgeschiedenis blijkt aldus dat de regeling van het in persoon doen van verzet is gebaseerd op de regeling in de artikelen 449 e.v. Sv. Dat Uw Raad ook een verband legt met die regeling blijkt uit HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220,
NJ2018/295 m.nt. Mevis. Daarin werd geoordeeld dat uit de regeling van art. 257e, eerste en achtste lid, Sv (oud) volgt dat intrekking van een gedaan verzet niet kan geschieden door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Uw Raad overwoog dat zulks ‘overeen(komt) met de regeling over intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen in art. 453 e.v. Sv.’ Een verschil met de regeling van art. 449 e.v. Sv is dat het schriftelijk doen van verzet in ruime mate mogelijk is gemaakt.
9. Het middel is in de kern gebaseerd op de gedachte dat bij ‘de inrichting van art. 257e lid 3 Sv simpelweg aansluiting (is) gezocht bij het systeem van de artikelen 449-450 Sv’. Nu de verdachte een schriftelijke bijzondere volmacht aan de griffiemedewerker kan verstrekken, en deze bevoegdheid door Uw Raad in 2009 ook is ‘toegekend aan de gevolmachtigd advocaat’, zou – zo begrijp ik - uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat tot de Wet OM-afdoening heeft geleid niet kunnen worden afgeleid dat er ‘overwegende bezwaren’ tegen bestaan de gemachtigde de bevoegdheid toe te kennen schriftelijk verzet te doen. Gelet op de ‘willekeurige wijze waarop de bevoegdheidsverdeling in art. 257e lid 3 Sv tot stand is gekomen en het feit dat er voor het uitsluiten van de gemachtigde (niet zijnde een advocaat) bij het doen van schriftelijk verzet geen argumenten zijn aangedragen’ zou deze bepaling zo gelezen moeten worden dat ook die gemachtigde ‘schriftelijk verzet kan doen’.
10. Naar het mij voorkomt gaat deze redenering niet op. De wetgever heeft bij de inrichting van art. 257e, derde lid, Sv niet ‘simpelweg aansluiting (…) gezocht bij het systeem van de artikelen 449-450 Sv’. Het uitgangspunt van dat systeem is dat de persoon die het rechtsmiddel aanwendt in persoon een mondelinge verklaring aflegt op de griffie van het gerecht dat de aangevochten beslissing nam. [8] Bij het doen van verzet is dit uitgangspunt verlaten. Uit de tekst van art. 257e, derde lid, Sv blijkt dat het schriftelijk doen van verzet mogelijk is gemaakt voor de verdachte en de bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat. De wetgever heeft het niet mogelijk gemaakt dat schriftelijk verzet wordt gedaan door ‘een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde’.
11. Dat leidt niet tot een groot verschil in benadering tussen enerzijds de regeling van art. 257e Sv en anderzijds de regeling van de artikelen 449 e.v. Sv. Uw Raad heeft het in 2009 inderdaad mogelijk gemaakt dat een bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker verstrekt. [9] Uw Raad heeft die mogelijkheid evenwel niet gecreëerd voor de bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde. Een uitleg die dat bij het doen van verzet wel mogelijk zou maken is derhalve niet alleen in strijd met de wettelijke regeling maar spoort ook niet met de rechtspraak betreffende de artikelen 449 e.v. Sv waar de steller van het middel zich op beroept. [10]
12. Daar komt bij dat het in de rede ligt het ‘bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigd’ zijn – gelet op de bewoordingen van de wet en de wetsgeschiedenis - zoveel mogelijk op dezelfde wijze uit te leggen als in de artikelen 449 e.v. Sv. Een algemene volmacht om belangen in procedures te behartigen is niet zo’n bijzondere volmacht. [11] De machtiging die de verdachte in de onderhavige zaak heeft verstrekt (zie randnummer 4 onder (ii)) is een algemene machtiging.
13. Zou de schriftelijk gemachtigde in persoon verzet hebben gedaan dan is het de vraag of het hof het had mogen laten bij het oordeel dat de machtiging geen schriftelijke bijzondere volmacht is. In HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5562,
NJ2009/321 had het hof vastgesteld dat van een algemene volmacht sprake was die niet aan de eisen van art. 450 Sv Pro voldeed. Op basis van die vaststelling had het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. Uw Raad was van oordeel dat het hof had moeten doen blijken te hebben onderzocht of de griffier die de akte had opgemaakt de in die akte genoemde comparant mededeling had gedaan van de eis van een bijzondere schriftelijke volmacht. Bij gebreke van een zodanige mededeling zou de omstandigheid dat het beroep niet op de voorgeschreven wijze was ingesteld het gevolg kunnen zijn van ambtelijk verzuim. [12] Het ligt in de rede eenzelfde mededelingsplicht aan te nemen bij medewerkers van het parket als in persoon verzet wordt gedaan op basis van een algemene machtiging. Het ligt evenwel niet in de rede een mededelingsplicht aan te nemen als op basis van een algemene machtiging schriftelijk verzet wordt gedaan, nu de wet de mogelijkheid van schriftelijk verzet door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde niet biedt. [13] En de toelichting die aan de strafbeschikking is gehecht is in dat opzicht ook helder.
14. De steller van het middel klaagt tenslotte dat de gebreken bij het instellen van het verzet door het gerechtshof voor gedekt hadden moeten worden gehouden.
15. Als gezegd heeft Uw Raad het in 2009 mogelijk gemaakt dat een bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat aan een griffiemedewerker een schriftelijke bijzondere volmacht verstrekt om hoger beroep in te stellen. Uw Raad heeft daarbij aangegeven aan welke voorwaarden een dergelijke schriftelijke bijzondere volmacht dient te voldoen. [14] Uit rechtspraak van latere datum volgt evenwel dat de omstandigheid dat de volmacht niet aan deze voorwaarden voldoet, onvoldoende grond vormt om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren indien de verdachte of een gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen (en verklaart dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om op rechtsgeldige wijze hoger beroep in te stellen). [15] Dat is ook het geval indien de aan de griffiemedewerker verleende schriftelijke volmacht tot het instellen van het hoger beroep niet is getekend door de raadsman maar door diens secretaresse [16] of juridisch medewerker. [17] De steller van het middel meent, zo begrijp ik, dat indien een andere gemachtigde dan een advocaat ondeugdelijk hoger beroep of verzet heeft ingesteld, dit verzuim ook wordt gedekt door het verschijnen van de verdachte dan wel zijn op voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman.
16. In HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3071,
NJ2018/49 m.nt. Kooijmans, heeft Uw Raad in het kader van art. 450 Sv Pro hierover het volgende overwogen:
‘2.4.2. Ingevolge art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv kan het aanwenden van een rechtsmiddel (ook) geschieden door een vertegenwoordiger van de verdachte die daartoe persoonlijk door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. Die aldus gemachtigde vertegenwoordiger van de verdachte dient zelf ter griffie te verschijnen en aldaar die volmacht over te leggen. Is deze niet in het bezit van een volmacht dan zal het opmaken van een akte achterwege dienen te blijven. Overigens ligt het in een dergelijk geval waarin de gemachtigde vertegenwoordiger ter griffie verschijnt, op de weg van de griffieambtenaar hem te wijzen op het vereiste van een bijzondere volmacht en de daaraan te stellen eisen, waarbij dan alsnog de gelegenheid dient te worden geboden om een dergelijke volmacht tijdig ter griffie over te leggen. De wet biedt niet de mogelijkheid dat een dergelijke volmacht anders dan in persoon ter griffie wordt overgelegd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2496, NJ 2010/461).
2.4.3. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen onder 2.3.1 is weergegeven, getuigt het oordeel van het Hof dat het hoger beroep niet op de juiste wijze tijdig is aangewend en dat de verdachte om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk. Daarbij verdient nog opmerking dat, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, in dit verband niet relevant is of ter terechtzitting in hoger beroep de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar heeft verklaard dat de verdachte de wens had om op rechtsgeldige wijze hoger beroep in te stellen; die omstandigheid is immers specifiek van belang bij een onvolkomen volmacht door advocaten die, anders dan bijzonder gemachtigden, wel hoger beroep door middel van een schriftelijke volmacht kunnen instellen (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999, NJ 2012/426). Opmerking verdient bovendien dat de hiervoor onder 2.4.2 bedoelde informatieplicht voor de griffie beperkt is tot een geval waarin de bijzonder gevolmachtigde ter griffie verschijnt.’
17. Uit de hiervoor geciteerde uitspraak blijkt dat Uw Raad de bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat en andere gemachtigden ook voor wat betreft het helen van verzuimen in de volmacht niet gelijkstelt. De consequentie is dat indien een gemachtigde ondeugdelijk een rechtsmiddel aanwendt, dit verzuim niet kan worden gerepareerd door het verschijnen van de verdachte dan wel een door hem op voet van art. 279 Sv Pro gemachtigd raadsman ter terechtzitting die verklaart dat de verdachte op rechtsgeldige wijze verzet heeft willen instellen.
18. Al met al getuigt ’s hofs oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het ingestelde verzet nu het verzet door een door de verdachte ingeschakelde adviseur schriftelijk is ingesteld terwijl deze adviseur daartoe niet bevoegd was niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
19. Het middel faalt.
20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Kamerstukken 29849, nr. 3, Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2004-2005.
3.Zie
9.HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810,
10.Ik teken daarbij aan dat uit rechtspraak van het EHRM – voor zover ik zie - niet kan worden afgeleid dat een dergelijke beperking aan het namens de verdachte aanwenden van een rechtsmiddel niet met art. 6 EVRM Pro verenigbaar is; daar wordt in cassatie ook niet over geklaagd. Dat een strikte termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een
11.Vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5562,
12.Vgl. ook HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8958.
13.Vgl. het hierna onder randnummer 16 te bespreken HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3071,
14.HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810,
15.HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999,
16.HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:102,
17.HR 15 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2655.