Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Niet eens met de strafbeschikking
3.8. Verzet
Artikel 257e
NJ2018/295 m.nt. Mevis. Daarin werd geoordeeld dat uit de regeling van art. 257e, eerste en achtste lid, Sv (oud) volgt dat intrekking van een gedaan verzet niet kan geschieden door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Uw Raad overwoog dat zulks ‘overeen(komt) met de regeling over intrekken en afstand doen van gewone rechtsmiddelen in art. 453 e.v. Sv.’ Een verschil met de regeling van art. 449 e.v. Sv is dat het schriftelijk doen van verzet in ruime mate mogelijk is gemaakt.
NJ2009/321 had het hof vastgesteld dat van een algemene volmacht sprake was die niet aan de eisen van art. 450 Sv Pro voldeed. Op basis van die vaststelling had het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. Uw Raad was van oordeel dat het hof had moeten doen blijken te hebben onderzocht of de griffier die de akte had opgemaakt de in die akte genoemde comparant mededeling had gedaan van de eis van een bijzondere schriftelijke volmacht. Bij gebreke van een zodanige mededeling zou de omstandigheid dat het beroep niet op de voorgeschreven wijze was ingesteld het gevolg kunnen zijn van ambtelijk verzuim. [12] Het ligt in de rede eenzelfde mededelingsplicht aan te nemen bij medewerkers van het parket als in persoon verzet wordt gedaan op basis van een algemene machtiging. Het ligt evenwel niet in de rede een mededelingsplicht aan te nemen als op basis van een algemene machtiging schriftelijk verzet wordt gedaan, nu de wet de mogelijkheid van schriftelijk verzet door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde niet biedt. [13] En de toelichting die aan de strafbeschikking is gehecht is in dat opzicht ook helder.
NJ2018/49 m.nt. Kooijmans, heeft Uw Raad in het kader van art. 450 Sv Pro hierover het volgende overwogen: