Conclusie
Nummer19/02502
[...]met de rompnaam
[F]op naam van [E] uit [plaats] ( [D] ).
[a-straat 1]
[plaats]
€ 10.000,00 +
€ 8.517,55 +
andpunt van de verdediging
Bespreking van het eerste middel
eerstemiddel bestaat uit drie deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het kennelijke oordeel van het hof dat de belastende verklaring van [betrokkene 2] voor het bewijs kan worden gebruikt zonder deze in hoger beroep te horen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen omkleed. In de toelichting op het middel wordt aangegeven dat de rechtbank de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde heeft vrijgesproken. In een dergelijke zaak zou de ‘verantwoordelijkheid voor naleving van de eisen van een eerlijk proces (…) niet in de schoenen (kunnen) worden geschoven van de verdediging’. De rechtsregels die Uw Raad in HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943 heeft geformuleerd zouden in strijd zijn met ‘bestendige en duidelijke’ jurisprudentie van het EHRM. Daarbij wijzen de steller van het middel op enkele uitspraken van het EHRM.
NJ2019/239 m.nt. Kooijmans als volgt overwogen: [1]
the right to challenge and question witnesses’. Inzake de rol van de advocaat overweegt het EHRM dat ‘
although court-appointed counsel was present at the hearing to represent the applicant, it is unclear when she was appointed and to what extent she actually defended the applicant’s rights. If it is correct, as indicated by the Government, that no request to hear S. or his mother was made to the District Court by the applicant, then this would indicate a lack of diligence on the part of counsel and, in the Court’s view, also on the part of the judge, who should have ensured that the principle of equality of arms was respected during the proceedings’ (rov. 214). Op dergelijk tekortschieten van de raadsman beroepen de stellers van het middel zich niet. Dat verbaast ook niet; de in de toelichting op het middel weergegeven randnummers van de pleitnotities maken duidelijk dat de raadsman ‘
actually defended’ de verdachte. Het EHRM spreekt voorts over ‘
the applicant’s inability to cross-examine S. and his mother at any stage of the proceedings’ (rov. 215). [betrokkene 2] heeft op 11 november 2015 bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd; daarbij was blijkens het opgemaakte proces-verbaal onder meer aanwezig ‘de raadsman van verdachte [verdachte] , mr. A.A. Boersma, mr. Kochheim-Bossink neemt waar voor mr. Boersma’. Uit het proces-verbaal blijkt dat mr. Kochheim-Bossink vragen heeft gesteld aan de getuige en dat deze zijn beantwoord. [2]
had read out V.G.’s statement despite having no information as to the reasons for his latest failure to appear before the trial court’ (rov. 14). De drie getuigen verschenen niet bij de nieuwe berechting, door een andere rechter. Deze veroordeelde de verdachte wederom en ‘
cited essentially the same evidence as had been cited in the first trial judgment’ (rov. 25). De verdachte stelde hoger beroep in, waarbij hij er onder meer over klaagde dat de drie getuigen niet ter terechtzitting waren ondervraagd in het kader van de nieuwe berechting, maar de veroordeling bleef in stand, nadien ook in cassatie. Ook deze zaak wijkt sterk af van de onderhavige. Zo staat niet ter discussie dat de verdachte op het verhoor ter terechtzitting van de getuigen heeft aangedrongen. De zaak is vooral van belang in verband met de bespreking door het EHRM van het ‘
principle of immediacy’ (rov. 47-50). De stellers van het middel beroepen zich ook slechts op deze zaak voor zover daarin het uitgangspunt naar voren komt ‘dat de getuige ter terechtzitting ten overstaan van de rechter die uiteindelijk over de zaak beslist moet worden gehoord’.
the witness statements were incoherent and that some were contradictory’ (rov. 9-11). Het OM ging in hoger beroep en het gerechtshof ‘
assessed the evidence differently, based on the material in the case file, and found that the applicant’s guilt was established’ (rov. 15). Bij het EHRM wordt geklaagd dat het gerechtshof de verdachte heeft veroordeeld ‘
only on the basis of the case file without examining any witnesses at its hearing’ (rov. 25). Het EHRM overweegt vervolgens onder meer:
Op vragen van de oudste raadsheer
Op vragen van de advocaat-generaal
NJ2019/116 m.nt. Mevis heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen:
Bespreking van de andere middelen
tweedemiddel klaagt dat het hof het voorhanden hebben van 28 patroonhulzen (kaliber .38 Spl) en 3 patroonhulzen (kaliber .38 Spl +P) ten onrechte heeft gekwalificeerd als handelen in strijd met art. 26 WWM Pro, meermalen gepleegd, zodat de kwalificatiebeslissing onvoldoende met redenen is omkleed.
derdemiddel klaagt dat het hof bij de strafoplegging heeft overwogen in het bijzonder in overweging te hebben genomen dat het niet uitgesloten is dat de witwasconstructie is gekozen om bij het plegen van verdere strafbare feiten als feitelijk eigenaar buiten beeld te blijven en dat in dit verband de inbeslagname van [A] enkele maanden na de koop/verkoop in [plaats] te Spanje met een grote partij hasj aan boord immers op zijn minst genomen opmerkelijk is. Door aldus te suggereren dat de verdachte, ondanks de onherroepelijke vrijspraak, zich schuldig lijkt te hebben gemaakt aan feiten waarvan hij is vrijgesproken zou het hof het arrest, althans de strafoplegging, onvoldoende met redenen hebben omkleed.
BFK: juni) 2016 hoger beroep is ingesteld.
Zaaksdossier 3
Slotsom
voicing of suspicions of guilt’ richting de verdachte geen sprake. [12]
vierdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn.