Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
3.Procesgang
4.Bewezenverklaring en bewijsvoering
5.Beoordeling van het tweede middel
.
6.Beoordeling van het eerste en het derde middel
7.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak draait het om de dood van het slachtoffer, wiens zwaar verminkte lichaam in 2009 in het IJmeer werd aangetroffen. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van medeplegen van moord of doodslag, maar veroordeeld voor medeplegen van het verbergen en wegmaken van het lijk. In hoger beroep werd hij veroordeeld voor medeplegen van doodslag en medeplegen van het verbergen en wegmaken van het lijk.
De veroordeling berustte voornamelijk op verklaringen van een medeverdachte die in eerste aanleg als getuige was gehoord en die de verdachte en een andere medeverdachte aanwezen als daders. Hoewel de rechtbank deze verklaringen onbetrouwbaar achtte, oordeelde het hof dat deze verklaringen voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen, zoals telefoniegegevens, peilgegevens, DNA-sporen op een kettingzaag en andere onderzoeksresultaten.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht de verklaringen van de medeverdachte als betrouwbaar heeft aangemerkt en dat het niet ambtshalve opnieuw horen van deze getuige in hoger beroep niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro). Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van doodslag en medeplegen van het verbergen en wegmaken van het lijk.