Conclusie
1.Feiten
2.Het procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis van 2 december 2015 niets overwogen met betrekking tot de in de ambtshalve aanslag de dato 28 december 2010 genoemde vrijval voorziening, groot achterstallig onderhoud/bouwkundige gebreken ad € 600.000, leidende tot een VPB aanslag van € 149.275,--.” [10]
mogelijkheiddat schade als gevolg van de fout is geleden, aannemelijk is geworden. Er mogen, aldus [eiser] , geen hoge eisen worden gesteld aan het causaal verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade; voldoende is dat de
mogelijkheidvan schade aannemelijk wordt gemaakt.
mogelijkheid vanschade aannemelijk is. Waar het ontbreken daarvan inderdaad niet snel aan verwijzing in de weg staat, is dat soms toch wel aan de orde in gevallen waarin het causaal verband ontbreekt. [14] Een dergelijk geval is hier volgens het hof kennelijk aan de orde.
Subonderdeel 2.1.1faalt.
subonderdeel 2.1.3doel treft.
Subonderdeel 2.1.4faalt derhalve bij gebrek aan belang.
subonderdeel 2.2.1.
onder Idat het hof in rov. 3.9. (ook hier) de herkansingsfunctie van het hoger beroep heeft miskend. Het subonderdeel voert aan dat het hof heeft miskend dat [eiser] in hoger beroep (“nu juist”) op diverse plaatsen in de memorie van grieven het standpunt inneemt dat [verweerster 2] van aanvang af overal bij was en de advisering van BDO vooraf ter toetsing werd voorgelegd aan [verweerster 2] , dat [verweerster 2] toegang had tot alle stukken en zonder enige vorm van commentaar uitvoering heeft gegeven aan het advies van BDO, terwijl het ook op [verweerster 2] weg had gelegen te waarschuwen voor de mogelijke toepassing van art. 12a Wet Vpb. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar diverse randnummers in de memorie van grieven.
alsnogingegaan op de stellingen die [eiser] in haar toelichting op grief 7 heeft ingenomen. Het hof heeft overwogen dat deze stellingen een (in hoger beroep ingediende) voorwaardelijke wijziging van eis opleveren. Van een ‘in hoger beroep ingediende wijziging van eis’ is sprake, omdat [eiser] in hoger beroep
tochaan haar vordering ten grondslag heeft willen leggen dat [verweerster 2] onjuiste jaarstukken heeft opgemaakt en onjuiste aangiften vennootschapsbelasting heeft gedaan. Het gaat om een ‘voorwaardelijke’ (wijziging van) eis, omdat [eiser] heeft gesteld dat
alshet standpunt van [verweerster 2] , inhoudende dat het opnemen van een herinvesteringsreserve in strijd zou zijn met het bepaalde in art.12a Wet Vpb, juist zou zijn, [verweerster 2]
danop grond van het opstellen van de (dus) onjuiste jaarstukken en het doen van onjuiste aangiften, aansprakelijk zou zijn.
subonderdeel 2.2.2 onder Ifaalt derhalve.
subonderdeel 2.2.2dat het hof heeft miskend dat [eiser] [verweerster 2] ook verweten heeft dat zij, nu zij impliciet en expliciet heeft aangegeven zich te kunnen verenigen met het advies van BDO, zelf daarmee ook onjuist heeft geadviseerd. Het betreft hier dus, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet uitsluitend de
onjuiste aangiften en jaarstukkendie [eiser] [verweerster 2] verwijt, maar ook het niet onderkennen van de onjuistheid van het advies van BDO, waarin ligt besloten het nalaten te waarschuwen dat art. 12a Wet Vpb hier een risico zou kunnen vormen. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
voorwaardelijkewijziging van eis behelst en heeft in rov. 3.16. geoordeeld dat aan de in dit verband gestelde voorwaarde niet is voldaan. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of het hof de
reikwijdtevan de eiswijziging, die los staat van de
voorwaarde, juist heeft opgevat.
subonderdeel 2.2.3dat het hof heeft miskend dat het in casu als
quasibelastingrechter had moeten oordelen aan de hand van alles wat [A] BV had
kunnenaanvoeren tegen het besluit van de Inspecteur, waarbij – naar mag worden aangenomen – zij in staat zou zijn gesteld om bewijs te leveren van haar voortdurende herinvesteringsvoornemen met alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen. Volgens het subonderdeel getuigt het aldus van een onjuiste rechtsopvatting om vergaande consequenties te verbinden aan het niet overleggen van de brief van 7 oktober 2010 en niet – zoals in de belastingprocedure wel aan de orde zou zijn geweest – de voorgestelde getuigen te horen omtrent het feit dat er bij voortduring is gezocht naar geschikte beleggingsobjecten. Aldus, zo gaat de klacht van subonderdeel 2.2.3 onder I verder, getuigt het ook van een onjuiste rechtsopvatting dat voor de bewijslevering verder niet van belang zou zijn dat er daadwerkelijk binnen de periode (van drie jaar) tot herinvestering is overgegaan.
subonderdeel 2.2.3dat het hof heeft miskend, althans onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan, hetgeen [eiser] bij memorie van grieven heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat de beroepsprocedure bij de Belastingdienst (bedoeld zal zijn de procedure bij de belastingrechter) een succes zou zijn geworden. [eiser] verwijst daarbij naar verschillende randnummers in de memorie van grieven waarvan de tekst als volgt luidt:
De betrokken maatschap leden van BDO, ESJ, [verweerster 2] , [G] , Fleskens, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kunnen dit allemaal bevestigen, niet alleen dat het voornemen er was maar ook dat er praktische invulling aan gegeven werd.
maar waar ook het (toenmalige) secretariaat onder ede kan verklaren dat doorlopend werd gezocht naar beleggingspanden.
Appellante herhaalt dat dit voornemen er altijd is geweest en dat zij dat door verschillende getuigen ( [G] -medewerkers, [betrokkene 1] et cetera) kan bewijzen (en zou hebben kunnen bewijzen in de procedure tegen de inspecteur voor de belastingrechter).”
weldeugdelijk was ingesteld in die zin dat de gronden
weltijdig en volledig waren ingediend, de procedure wel degelijk was gewonnen en dat er dus schade is als gevolg van de beroepsfout van [verweerster 2] . Mijns inziens stuit deze klacht af op de overweging van het hof in rov. 3.10.8. dat [eiser] de conclusie dat uit de reactie van de Inspecteur van 22 november 2010 blijkt dat hij uit de inhoud van de brief van 7 oktober 2010 heeft afgeleid dat er om zakelijke redenen geen investeringsvoornemen aanwezig was, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, nu zij geen kopie van deze brief heeft overgelegd. Uitgaande van dit oordeel heeft het hof in rov. 3.10.9. ingeschat dat de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2007 in de hypothetische situatie dat [verweerster 2] de beroepsgronden tijdig bij de rechtbank zou hebben ingediend, niet zou zijn vernietigd. Het hof schat in dat aan de hand van de uitlatingen van [A] BV in de brief van 7 oktober 2010 zou worden vastgesteld dat zij om zakelijke redenen niet wilde herinvesteren. Het hof heeft dus veel gewicht toegekend aan de door [eiser] niet overgelegde brief van 7 oktober 2010. Mijns inziens heeft het hof dit mogen doen. Ik verwijs in dit verband naar hetgeen ik in het kader van mijn beoordeling van de klacht onder I van subonderdeel 2.2.3 heb overwogen. Hieruit volgt dat het hof niet gehouden was om (ook nog) afzonderlijk in te gaan op de stellingen die [eiser] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij de procedure bij de belastingrechter zou hebben gewonnen. Hierop stuit overigens ook af de klacht halverwege p. 15 van de procesinleiding dat “ook hier”,
mutatis mutandis, hetzelfde geldt als in subonderdeel 2.1.3, te weten dat de toelichting in Deel B van de memorie van grieven dient te worden betrokken bij ‘die grieven’ (waarbij hier naar mag worden aangenomen grief 8 bedoeld is).
quasibelastingrechter diende op te treden, het oordeel van het hof in rov. 3.10.9. tot en met 3.10.11. getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel stelt voorop dat het hof in rov. 3.10.9. overweegt dat het beroep tegen de aanslag/het besluit op bezwaar van de Inspecteur niet tot vernietiging van de aanslag zou leiden. Het hof doet dit “uitgaande van dit oordeel”. Daarmee doelt het hof, aldus het subonderdeel, op de reactie van de Inspecteur van 22 november 2010, waarin hij constateert dat uit de inhoud van de brief van 7 oktober 2010 van [A] BV blijkt dat er “om zakelijke redenen geen investeringsvoornemen” aanwezig was. Vervolgens klaagt het subonderdeel dat het hof daarmee niet alleen miskent hetgeen in de subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2 is aangehaald, maar daarmee ook het expliciet gedane bewijsaanbod passeert, hoewel dit aanbod ter zake dienend was en voldoende was gespecificeerd, met als redengeving dat de concrete uitlating van [A] BV in de brief van 7 oktober 2010 van cruciaal belang “kan” zijn voor het vaststellen van de concrete gedragingen en uitlatingen van de belastingplichtige in de relevante periode van drie jaren. Dit oordeel geeft volgens het subonderdeel hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is dit onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Subonderdeel 2.2.3faalt daarmee.
civielerechter een partij in de gelegenheid moet stellen getuigenbewijs te leveren indien hetgeen zij heeft gesteld en de wederpartij heeft betwist tot de beslissing van de zaak kan leiden (zie art. 166 lid 1 Rv Pro). De rechter mag het aangeboden getuigenbewijs slechts passeren als het aanbod te vaag is en/of niet ter zake dienend. Volgens vaste jurisprudentie wordt de vraag of een aanbod voldoende specifiek is, beoordeeld aan de hand van de factoren die Uw Raad heeft genoemd in rov. 4.13 van HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3262,
NJ2015/343 m.nt. T. Hartlief (
Vuurwerkramp Enschede). Het subonderdeel sluit af met het argument dat, nu de stellingen van [eiser] zien op het herinvesteringsvoornemen en in het bewijsaanbod de namen van de getuigen worden genoemd, dit bewijsaanbod voldoende gespecificeerd en ter zake dienend is, zodat het hof dit bewijsaanbod, ook gelet op grief 10 en de toelichting daarop in randnummer 149. van de memorie van grieven, niet had mogen passeren.
Subonderdeel 2.2.4faalt derhalve.
onder Ivan
subonderdeel 2.2.5is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10.7. tot en met 3.10.9. dat erop neerkomt dat het hof de kans op succes indien de procedure bij de belastingrechter wel was gevoerd op nihil ‘schat’. Volgens het subonderdeel getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel volstrekt onbegrijpelijk, omdat, los van het feit dat in het kader van een te geven bewijsopdracht ook schriftelijke stukken kunnen worden overgelegd (zoals de bewuste brief aan de Inspecteur, jaarstukken, brochures et cetera):
in deze procedureniet overleggen van die brief
in deze procedurehooguit een bewijsvermoeden kan en mag opleveren ten nadele van [eiser] , dat, net als een onderhandse of authentieke akte door (tegen)bewijs moet kunnen worden ontzenuwd waarbij bepalend is
wat de belastingrechter zou hebben geoordeeld naar aanleiding van het te leveren bewijs,zodat
in deze procedureniet is overgelegd er niet toe mag leiden dat het voldoende gespecificeerde en ter zake dienende bewijsaanbod niet wordt gehonoreerd ten aanzien van de vraag
wat [eiser] in de belastingprocedure had kunnen bewijzen, waarbij het oordeel van het hof, waarbij het ‘schat’ dat het wel eens niets zou gaan worden, bovendien in strijd met het bepaalde in art. 166 Rv Pro is. Het hof miskent voorts dat het een voldoende specifiek en ter zake dienend aanbod tot getuigenbewijs niet mag passeren op grond van een prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering, [28]
mogelijkschade is geleden en bepalend is
wat de belastingrechter had beslist.
stelling onder a.wordt gesuggereerd, niet miskend dat bewijs kan worden geleverd met ‘alle middelen rechtens’, dus ook door middel van het horen van getuigen. Uit hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 3.10.9. blijkt voldoende duidelijk dat het hof het bewijsaanbod van [eiser] onder ogen heeft gezien. Het hof noemt het bewijsaanbod nadrukkelijk.
stelling onder b.merk ik op dat het Nederlandse procesrecht geen rechtsregel van die strekking kent. In het kader van deze stelling wordt in de procesinleiding dan ook niet verwezen naar enige rechtsregel of naar rechtspraak. Het hof heeft mijns inziens, zonder daarbij een regel van Nederlands procesrecht te schenden, het bewijsaanbod van [eiser] kunnen passeren nu zij (in strijd met art. 85 lid 1 Rv Pro en ondanks de wenk van de rechtbank, die het bewijsaanbod van [eiser] ook al passeerde) [30] de belangrijke brief van 7 oktober 2010 niet in het geding heeft gebracht. Het hof was dus niet gehouden om ‘hoogstens’ uit te gaan van een bewijsvermoeden ten nadele van [eiser] ; het mocht verder gaan dan dat.
in deze procedureniet is overgelegd mag er niet toe leiden dat het voldoende gespecificeerde en ter zake dienende bewijsaanbod niet wordt gehonoreerd ten aanzien van de vraag
wat [eiser] in de belastingprocedure had kunnen bewijzen;
eerstestelling onder c. merk ik op dat het aan [eiser] was om in ‘deze’ procedure – de procedure bij het hof dus –, te bewijzen wat zij in de belastingprocedure zou hebben kunnen bewijzen (zie in dit verband ook rov. 3.10.2. en rov. 3.10.3.). [eiser] had dat dus in “deze procedure” (de procedure bij de rechtbank en bij het hof) te bewijzen. Daarbij gelden de regels van het gewone procesrecht, in dit geval die met betrekking tot het doen van een bewijsaanbod. Deze stelling gaat dus niet op.
tweede en de derdestelling onder c. Het hof heeft ingeschat dat in de hypothetische situatie waarin [verweerster 2] de beroepsgronden wel tijdig bij de belastingrechter zou hebben ingediend, de aanslag vennootschapsbelasting (toch) niet zou zijn vernietigd, omdat aan de hand van de uitlatingen van [A] BV in de brief van 7 oktober 2010 zou worden vastgesteld dat zij om zakelijke redenen niet wilde herinvesteren. Het hof heeft daarbij dus, anders dan door [eiser] wordt gesuggereerd, geen prognose gegeven van hetgeen de door [eiser] voorgestelde getuigen zouden kunnen verklaren.
stellingen onder d. en e.vormen in de kern een herhaling c.q. voortbouwen op de stelling onder c. dat het hof een verboden bewijsprognose heeft gegeven en anderzijds ook op de subonderdelen 2.1.1 en 2.2.1 (die aan de orde stellen of het hof in verband met de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure niet te hoge eisen heeft gesteld aan het causale verband). Ik verwijs daarom naar de beoordeling van de betreffende stelling onder c., die wat mij betreft niet opgaat (hiervoor randnummer 3.51), en naar mijn beoordeling van de subonderdelen 2.1.1 en 2.2.1 die wat mij betreft beide falen (hiervoor respectievelijk randnummers 3.8 en 3.9 en 3.19 en 3.20).
subonderdeel 2.2.5 onder Ivergeefs voorgesteld.
subonderdeel 2.2.5dat het hof in rov. 3.10.7. tot en met 3.10.11. hetzij is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 85 Rv Pro, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Art. 85 Rv Pro regelt hoe in het kader van art. 19 Rv Pro door de rechter met het niet of te laat overleggen van stukken moet worden omgegaan. Volgens het subonderdeel kan de sanctie (gesteld op het niet of te laat indienen van een stuk) hooguit zijn dat het stuk niet als bewijs kan dienen voor het ingeroepen rechtsgevolg (zie p. 20 en 21 van de procesinleiding).
subonderdeel 2.2.5 onder IIIbouwt voort op de klachten onder I en II. Nu die klachten falen, geldt hetzelfde voor deze klacht.
de daadwerkelijke herinvesteringhet argument van de inspecteur ondergraaft dat er onvoldoende liquide middelen aanwezig waren voor een herinvestering, één van de gronden waarop de inspecteur zijn oordeel doet steunen. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar de tekst bij randnummer 59. van de memorie van grieven. Volgens het subonderdeel was dit, anders dan het hof overweegt, eens temeer een argument, waaruit de voortdurende herinvesteringsintentie (mede) kon worden afgeleid, nu daaruit inmiddels volgt dat [A] ( [A] BV) bereid en in staat was, toen bleek dat de inspecteur het gevraagde uitstel niet zou geven, toch binnen de termijn te herinvesteren (al was dit een minder aantrekkelijk pakket).
Subonderdeel 2.2.6faalt derhalve.
Subonderdeel 2.2.7mist derhalve doel.
subonderdeel 2.3.2-Iwordt betoogd dat het ‘in dat kader’ dan ook rechtens onjuist en zonder nadere motivering onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aannemelijk te maken dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in 2007 niet tot een advies had kunnen komen waarin art. 12a Wet Vpb niet werd genoemd. Het subonderdeel verwijst naar rov. 3.11. en 3.16. Het subonderdeel merkt op dat, zoals uit onderdeel 2.3.3 al naar voren kwam – dit onderdeel komt niet voor in de procesinleiding, ik vermoed dat subonderdeel 2.3.2 bedoeld is –, het al sinds 2001 geldend recht betreft en dat [eiser] (blijkens subonderdeel 2.3.2) heeft gesteld dat [verweerster 2] in alles meeliep en adviseerde. Bovendien is ook aangegeven dat hij ook in de volgende jaren daaromtrent niets heeft vermeld, terwijl het hof (uitsluitend) 2007 als meldingsmoment neemt.
subonderdeel 2.3.2-IIwordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat [verweerster 2] op geen enkel moment [A] / [A] heeft gewaarschuwd voor mogelijke risico’s ten aanzien van art. 12a Wet Vpb, terwijl hij als professional in elk geval het risico van mogelijke toepasselijkheid van deze bepaling onder de aandacht van [A] had moeten brengen. Indien het hof dat niet heeft miskend, dan is het oordeel van het hof op dit punt onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed. In dat kader had immers van een professionele adviseur mogen worden verwacht dat die indien een dergelijk risico zich sedert 2001 in de wet manifesteert, daar deugdelijk op wijst, zodat in dat kader tijdig daarop kan worden geanticipeerd.
onderdeel 2.3.
onderdeel 2.4doel.