Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2016/177 als uitgangspunt genomen en overwogen dat uit het genoemde arrest volgt dat het stelsel van de vermogensrendementsheffing slechts dan in strijd komt met artikel 1 EP Pro EVRM indien komt vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.
BNB2019/161 [11] heeft geoordeeld:
3.Het geding in cassatie
Inleiding
BNB2019/161. De klachten van belanghebbende in cassatie zien dan ook in hoofdzaak op de oordelen van de Hoge Raad in dat arrest.
BNB2019/161 stelt de Hoge Raad voorop:
BNB2019/161 niet beantwoord. [18] [19] [20] [21]
BNB2011/248 overwoog de Hoge Raad over de beoordeling of sprake is van een individuele en buitensporige last: [26]
BNB2011/65. [27] Die zaak ging over de gewijzigde tariefstelling van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s. De Hoge Raad oordeelde:
BNB2017/115, een zaak die betrekking had op de kansspelbelasting, is deze maatstaf herhaald en is daaraan toegevoegd dat dat zich bij belanghebbende alleen kan voordoen als zich bijzondere omstandigheden bij hem voordoen die zich niet ook bij anderen voordoen: [28]
BNB2018/137, wordt de genoemde maatstaf gehanteerd bij de beoordeling of zich in een specifiek geval een individuele en buitensporige last voordoet. Verder is in dat arrest overwogen dat de maatstaf moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval: [29]
BNB2019/161 is dit nader ingekleurd. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat:
de factoeen verschillend bedrag aan belasting betalen al naar gelang hij al dan niet belasting in box 3 moet betalen die hij niet uit de opbrengst van het vermogen kan voldoen.
Communis opiniois dan ook dat ten aanzien van dergelijke beleggingen risicospreiding moet worden betracht en dat bovendien een deel van het vermogen moet worden belegd in minder en niet-risicodragende activa.
BNB2018/137 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de inkomstenbelasting in box 3 niet kon worden geheven vanaf het moment waarop zijn vermogen door een groot verlies niet meer rendeerde. [35] De onderhavige zaak leidt tot de vraag of een vermogensverlies ook in minder dramatische omstandigheden dan die welke in dat arrest aan de orde waren, moet leiden tot terugtreden van de belastingheffer.