Conclusie
“poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, begaan tegen haar echtgenoot, terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen”en het onder 2 bewezenverklaarde
“verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk.
eerste middelklaagt over de bewezenverklaring van opzet in het onder 1 tenlastegelegde.
zij in de periode van 22 november 2014 tot en met 23 november 2014 te IJsselmuiden, gemeente Kampen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar echtgenoot [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, op een moment dat die [slachtoffer] in slaap was een hoeveelheid insuline in diens lichaam heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangever (als bijlage op pagina 18-20 van het proces-verbaal, genummerd 2015454974) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [slachtoffer] d.d. 6 oktober 2015:
Standpunt advocaat-generaal
Aanmerkelijke kans
175 jaar Hoge Raad der Nederlanden. Bijdragen aan de samenleving(2014), [6] kon ik uiteraard nog niet bekend zijn met het arrest HR 29 mei 2018, E:718, [7] waarin de Hoge Raad met zoveel woorden overwoog dat met het begrip ‘aanmerkelijke kans’ geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking wordt gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’. De gelijkstelling van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ met ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’ was voor mij bij het schrijven van mijn bijdrage aan die bundel niet zo duidelijk, en in elk geval om redenen van semantische aard niet vanzelfsprekend. Niettemin heb ik in die bijdrage betoogd – en ik zie nu nog geen reden om daarover anders te denken – dat het begrip ‘aanmerkelijke kans’ in de betekenis die de Hoge Raad blijkens zijn jurisprudentie heeft omarmd het bestaan van één vaste objectieve drempelwaarde veronderstelt. Die drempelwaarde is onafhankelijk van de aard van het gevolg of van het type delict. De Hoge Raad heeft zich evenwel niet willen vastleggen op de precieze hoogte van die drempelwaarde, en dit met de overweging dat “
geen algemene regels[zijn]
te stellen over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans uit te drukken in een percentage.”
het (…) in alle gevallen[zal]
moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.” [8] In principe is ‘een aanmerkelijke kans’ als zodanig te kwantificeren en – dus ook – “
uit te drukken in een percentage”. Niettemin is zeer wel te begrijpen waarom de Hoge Raad geen algemene regels heeft
willenstellen over de exacte grootte van de kans die minimaal is vereist om deze als ‘aanmerkelijk’ te kunnen betitelen. Dat is namelijk om de strafrechtspraak niet op te zadelen met weinig vruchtbare, oeverloze discussies over frequenties en statistieken. Met gemillimeter achter de komma is niemand gebaat. In veruit de meeste gevallen is de grootte van de kans op het intreden van een bepaald gevolg immers niet wetenschappelijk verantwoord te calculeren, terwijl tegelijkertijd wel degelijk redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het intreden van een bepaald gevolg een reële mogelijkheid betreft die
niet onwaarschijnlijkis, c.q. dat de kans daarop
geenszins verwaarloosbaar kleinis. Elke kans die groter is dan zo’n onwaarschijnlijkheid, respectievelijk zo’n kleine kans, is dus een
aanmerkelijkekans.
objectieve maatstavenaanwezig kon worden geacht. Doorslaggevend is dus niet de inschatting van de dader. [9] Zoals mijn ambtgenoot Knigge al eens benadrukte, is met name die objectieve maatstaf van belang ingeval het – zoals in casu – gaat om een poging. Voor een strafbare poging mag worden geëist dat – ofschoon het gevolg niet is ingetreden – het beschermde rechtsgoed daadwerkelijk in gevaar is gebracht. [10] Vertaald naar de onderhavige zaak betekent dit dat het toedienen van de hoeveelheid insuline objectief gezien voor de gezondheid van [slachtoffer] zodanig gevaar moet hebben opgeleverd dat het intreden van zwaar lichamelijk letsel in de vorm van coma en convulsies niet onwaarschijnlijk was.
wetenschapzijdens de verdachte dat zijn gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept. Het kennelijke oordeel van het hof dat de voor voorwaardelijk opzet vereiste aanmerkelijke kans zich hier voordeed, kan echter uit de vaststellingen van het hof wel degelijk worden opgemaakt.
eerder honderden eenheden” insuline heeft toegediend. Ik citeer hiertoe uit bewijsmiddel 7: “
Een depot-effect van een aanzienlijke dosis langwerkende insuline (al of niet als combinatiepreparaat van lang- en kortwerkende insuline) is de meest logische verklaring wanneer uitgegaan wordt van een eenmalige toediening op 23 november rond 02.00u. (…). De tijd verlopen tussen het veronderstelde moment van injectie en meting van lage glucosewaarden tot ruim 2 etmalen daarna kan alleen worden verklaard door toediening van een (veel) hogere dosis insuline, resulterend in een depoteffect. Een depoteffect treedt op wanneer grote hoeveelheden insuline worden ingespoten. Men moet dan denken aan hoeveelheden in de orde van vele tientallen, eerder honderden eenheden.”
dergelijkehoeveelheden insuline kunnen oordelen dat het optreden van zwaar lichamelijk letsel niet onwaarschijnlijk was. Dr. Banga merkte daarover blijkens bewijsmiddel 7 op: “
De meting van 1,6 mmol/l (meting rond 7 uur door ambulancepersoneel) zou in geval dat er niet medisch was ingegrepen mogelijk niet het dieptepunt zijn geweest, en op zijn minst zou de hypoglycémie langer aangehouden hebben. Dit is af te leiden uit de later tijdens opname gemeten lage glucosewaarden, ondanks de in die episode meermalen toegediende glucose. Dit past bij een depot-effect dat optreedt wanneer een hoeveelheid insuline nog als een vloeistofbel op de injectieplaats als een soort stuwmeer aanwezig is en waaruit over een episode langer dan een etmaal nog insuline vrijkomt in de bloedsomloop. De klachten die [slachtoffer] in de loop van de zondag 23 november heeft gehad, passen bij een aanhoudende hypoglycémie (en mogelijk waarden lager dan 1,6 mmol/l). Hij was die zondag “erg wankel op zijn benen en voelde zich beroerd en moe”. Het ontstaan van symptomen is een glijdende schaal. Bij waarden van 1-2 mmol/l kunnen convulsies en coma optreden. Bij aanhoudende ernstige hypoglycémie met glucosewaarden lager dan 1 mmol/l kan blijvende hersenschade optreden.”
Bewuste aanvaarding
bewust heeft aanvaard, omdat bij die gedraging ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Kort gezegd betekent dit dus dat uit conditie (ii) van voorwaardelijk opzet (de wetenschap van de kans) conditie (iii) (het aanvaarden van die kans) niet zonder kan meer worden afgeleid. De derde conditie heeft dus zelfstandige betekenis. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. [11]
een paar dagen rust te krijgen”. Het kennelijke oordeel van het hof dat die gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer gericht op zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard, lijkt mij op basis van die bewijsvoering niet onbegrijpelijk.
tweede middelklaagt dat het hof het beroep op vrijwillige terugtred ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
Vrijwillige terugtred
Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.”
ook zonder die informatie heel wel in staat[is]
gebleken ‘adequaat medisch te handelen’” vormt immers juist een contra-indicatie voor de vaststelling dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.
niethet geval voordoet dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk, geeft gelet op het voorgaande geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en noopte evenmin tot een nadere motivering.