Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat het hof door de feiten 1 en 2 bewezen te verklaren “in strijd [heeft] gehandeld met het unus-verbod van art. 342 lid 2 Sv Pro”, althans dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen.
2:
- de vagina van die [slachtoffer] gelikt en betast en
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juli 2015 (pagina 20 t/m 43 van het dossier met nummer PL0100-2015164407) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :als verklaring van [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] 1990:Ik ben van mijn negende tot mijn dertiende seksueel misbruikt door mijn zwager, [verdachte]. Mijn zus en ik logeerden daar vaak. Het misbruik heeft in de zomervakantie een paar keer per week plaatsgevonden. Als we daar in het weekend waren gebeurde het soms helemaal niet en soms wel. Het was heel wisselend. Het hing er ook vanaf of [verdachte] een moment apart kon creëren of als hij in de veronderstelling was dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] sliepen, dan greep hij ook z'n kans.
3. Het proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 4 april 2018 opgemaakt door de raadsheer-commissaris strafzaken in dit hof, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:als verklaring van [betrokkene 2]:
Ik heb ze weleens betrapt met zoenen. Ik liep de slaapkamer uit en ik zag [slachtoffer] en [verdachte] zoenen op de overloop, bij de trap.
Sinds [slachtoffer] naar het VMBO ging, toen was ze twaalf, was ze echt zoals ik dat noem overspannen. Ze zat behoorlijk met zichzelf in de knoop en in die tijd sneed ze zichzelf ook. Ze was ook altijd onzeker. Dat het misbruik naar voren was gekomen gaf geloof ik wel en stukje oplichting [ik A-G begrijp: een stukje opluchting] bij [slachtoffer]. [slachtoffer] bleef wel psychisch in de war.
19 november 2004, door [verbalisant].
Overweging met betrekking tot het bewijs
- de verklaring van [betrokkene 2] en
- de verklaring van [betrokkene 3].
Daarnaast is er als ondersteunend bewijs de verklaring van de moeder van aangeefster, [betrokkene 3]. De moeder van [slachtoffer] is bij de politie verhoord en heeft heel feitelijk en controleerbaar verklaard. Zij bevestigt dat [slachtoffer] als kind samen met haar zus geregeld logeerde bij verdachte. Zowel [slachtoffer] en haar moeder beschrijven het eerste moment waarop [slachtoffer] vertelt dat zij misbruikt werd door verdachte op overeenstemmende wijze.
Uit die verklaringen is het volgende af te leiden. [slachtoffer] heeft in 2004 aan haar moeder verteld dat verdachte met zijn vingers aan haar had gezeten en dat [slachtoffer] verdachte moest aftrekken. Vervolgens is de moeder van [slachtoffer] naar de politie gegaan en heeft van het misbruik een melding gemaakt. Zij heeft verklaard dat uiteindelijk is geadviseerd om toen alleen een melding te doen vanwege de psychische gesteldheid destijds van [slachtoffer]. De betreffende politiemutaties van destijds zijn gemaakt door [verbalisant] en zijn bij het onderhavige dossier gevoegd. Hetgeen moeder verklaart, vindt bevestiging in de politiemutaties uit 2004. Verder heeft de moeder van [slachtoffer] verklaard dat [slachtoffer] in de tijd dat het misbruik aan het licht kwam erg overspannen was. Volgens haar moeder was [slachtoffer] dat al een hele tijd maar zij konden het gedrag niet plaatsen. Ook verklaart haar moeder hoe het met [slachtoffer] ging nadat het misbruik naar voren was gekomen. Zij verklaart dat het wel een stukje opluchting gaf maar dat [slachtoffer] wel psychisch in de war bleef. Het hof is van oordeel dat de politiemutaties bijdragen aan de waardering of en in hoeverre sprake is van betrouwbaar bewijs.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de door aangeefster haar zus en moeder afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn. Zij vormen bewijs van het ten laste gelegde zoals hieronder weergegeven. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde misbruik, zoals hieronder nader aangegeven in de bewezenverklaring.”
derde middelvalt in twee motiveringsklachten uiteen en keert zich aldus tegen (de motivering van) de beslissingen van het hof met betrekking tot de strafmaat respectievelijk de omvang van de door de benadeelde partij geleden immateriële schade. De eerste klacht luidt in de kern dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van het vonnis van de rechtbank, nu deze “met een vrijwel identieke motivering” een aanzienlijk lagere straf heeft opgelegd. De tweede klacht houdt samengevat in dat het hof de omvang van de immateriële schade tweemaal zo hoog heeft vastgesteld als de rechtbank “op grond van exact dezelfde argumentatie”.
Oplegging van straf en/of maatregel
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
raadsmanvan verdachte voert het woord tot verdediging en voert onder meer aan:
[...]
Tot slot nog over de schadevergoeding. Acht het hof het ten laste gelegde niet bewezen dan kan het hof niet toekomen aan een schadevergoeding. Subsidiair is het de vraag of de benadering van de rechtbank reëel is. De rechtbank is schattingsgewijs op € 1500,- uitgekomen. De rechtbank heeft gezegd dat de vordering niet is onderbouwd door een arts of psycholoog. Gelet daarop had de benadeelde partij informatie kunnen leveren om de hoogte van de schadevergoeding te onderbouwen. De rechtbank heeft niet veel overwogen over waar het toegewezen bedrag op is gebaseerd. Dat moet goed gemotiveerd worden.
advocaat-generaalrepliceert, inhoudende:
benadeelde partijmede:
raadsmandupliceert, inhoudende:
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.