Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel betreft de bewijsmotivering van de poging tot doodslag, in het bijzonder voor zover deze betrekking heeft op het tweede door de verdachte op [slachtoffer] geloste schot, waardoor deze in het bovenbeen is geraakt. Alvorens het middel te bespreken geef ik de bewezenverklaring en de bewijsoverweging van het hof weer.
Het afgevuurde schot in het matras van [betrokkene 1]
(BFK: [slachtoffer])te zijn aangerend, naar buiten toe.
bedoelingheeft gehad [slachtoffer] van het leven te beroven.
voorwaardelijkopzet heeft gehad op het veroorzaken van dodelijk letsel. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep blijkens de pleitnota (p. 12) voor zover relevant slechts aangevoerd: ‘Waarbij over het tweede schot nog dient te worden opgemerkt dat er geen levensbedreigende beschadigingen (
BFK: zijn) veroorzaakt en dat geenszins kan worden vastgesteld dat de opzet van cliënt daar op gericht was. Het tweede schot kan daarmee niet worden gekwalificeerd als een poging doodslag.’
NJ2017/250, houdt in dit verband in dat het volgens het hof kennelijk niet zou uitmaken ‘op welk lichaamsdeel wordt gericht en of zich daar al dan niet vitale functies bevinden.’
tweedemiddel klaagt over de motivering van de verwerping van het beroep op noodweer en putatief noodweer(exces).
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
het schot in de borst van [slachtoffer], heeft gehandeld uit
noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zodat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Volgens de raadsvrouw is het slachtoffer met een vork op de verdachte afgekomen, tegen welke ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding de verdachte zich mocht verdedigen.
putatief noodweer(exces). Wat betreft het eerste schot verkeerde de verdachte in de veronderstelling dat het slachtoffer met een mes op hem af kwam in plaats van met een vork en wat het tweede schot betreft was de verdachte doodsbang voor een voortzetting van de aanval van het slachtoffer.
NJ2010/339:
NJ2007/467 m.nt. De Jong onder
NJ2007/469. Aan de aan dat arrest voorafgaande conclusie van A-G Wortel ontleen ik de volgende samenvatting van de door het hof in die zaak vastgestelde feiten. Een relatie tussen de verdachte en een vrouw was geruime tijd tevoren beëindigd. Nadat de verdachte ter ore was gekomen dat deze vrouw met een ander samenwoonde heeft de verdachte, in de week vóór het bewezenverklaarde feit, meermalen telefonisch contact met haar gezocht. In de nacht voorafgaand aan het bewezenverklaarde zijn er sms-berichten gewisseld die bij de verdachte de gedachte opriepen dat de relatie tussen hemzelf en de vrouw hersteld zou kunnen worden. Uiteindelijk is er een telefoongesprek geweest tussen de verdachte en de nieuwe vriend van de vrouw (het latere slachtoffer). In dat gesprek is ruzie ontstaan, waarbij de verdachte aankondigde dat hij terstond naar de woning van de vrouw zou komen. De sms-berichten en telefonische contacten hebben de verdachte ‘over de rooie’ doen gaan. Hij heeft een vleesmes bij zich gestoken en een bevriende taxichauffeur verzocht hem naar de woning van de vrouw te rijden. Tijdens de taxirit heeft de verdachte meermalen tegen de taxichauffeur gezegd dat hij ‘hem af zou maken’. De taxichauffeur heeft vruchteloos getracht de verdachte op andere gedachten te brengen. Bij de woning van de vrouw aangekomen heeft de verdachte via de intercom aangebeld. Inmiddels had het latere slachtoffer zich van een vuurwapen voorzien. Op het moment waarop de verdachte aanbelde stond het latere slachtoffer achter hem, en toonde de verdachte het vuurwapen. De verdachte heeft zijn mes gepakt. In het gevecht dat toen ontstond heeft de verdachte het slachtoffer meermalen gestoken, ten gevolge waarvan deze is overleden.