Conclusie
Nummer18/03681
Ontvankelijkheid van de verdachte in het cassatieberoep
De middelen
eerste middelhoudt de klacht in dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep in persoon aan de verdachte is betekend.
tweede middelklaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, in het bijzonder ten aanzien van de bewezen verklaarde periode.
derde middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partij [A] B.V. ontvankelijk is in haar vordering getuigt van een onjuiste uitleg van art. 421, derde lid, Sv, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is.
vierde middelbehelst de klacht dat het hof de vordering van de benadeelde partij [A] B.V. heeft toegewezen, terwijl een deel van de toegewezen vergoeding ziet op handelingen die buiten de bewezen verklaarde periode vallen.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga over de vordering van de benadeelde partij onder meer het volgende vooropgesteld:
Rechtstreekse schade’ (art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv)