Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt over de bewijsmotivering. Voorafgaand aan de bespreking geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en ‘s hofs bewijsoverweging weer.
relaas van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:
verklaring van aangever [betrokkene 3]:
De bril is vervolgens op 19 januari 2018 aan een verkoopmanager bij Specsavers te Venlo getoond, die de bril heeft herkend als eigendom van Specsavers BV: “U toont mij nu een
zwarte(cursivering, hof) bril, merk Hugo Boss, orange, voorzien van het serienummer [001]. Ik herken deze bril aan de zwarte sticker met het bedrag 199 euro op het rechterglas van het montuur. Alle brillen in de winkel zijn hiervan voorzien.” (…). Verder verklaart zij dat zij bij raadpleging van het systeem van de winkel heeft gezien dat de bril van het merk Hugo Boss Orange met dit serienummer vanaf 18 december 2017 werd gemist in de betreffende winkel van Specsavers.
Het hof beoordeelt deze herkenning, gedaan aan de hand van het serienummer, prijssticker op het rechterglas, èn de “vermist-registratie” vanaf 18 december 2017 betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Voor het hof is op basis van de stukken in het dossier geenszins aannemelijk geworden dat het serienummer dat is aangebracht op het onderhavige brilmontuur niet uniek zou zijn en daaraan niet kan worden herkend door Specsavers.
NJ2019/311 m.nt. Rozemond, waarin het hof er eveneens op had gewezen dat de verdachte wisselende verklaringen had afgelegd, overwogen dat in ’s hofs oordeel besloten ligt ‘dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van deze auto en dat het niet anders kan dan dat de verdachte ook "ten tijde van" het voorhanden krijgen van de auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof’. Ook in de onderhavige zaak ligt in ’s hofs overwegingen het oordeel besloten dat de verdachte geen aannemelijke, hem ontlastende verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van de bril. [2]
NJ2019/175 m.nt. Wolswijk. Daarin was het medeplegen van opzetheling van een scooter bewezenverklaard; de verdachte was achterop de door de medeverdachte bestuurde scooter aangetroffen. De kappen ter hoogte van het stuur waren niet meer aanwezig en diverse draden hingen los. De verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat het voorkapje van de scooter eraf was en dat hij de losse bedrading heeft gezien. Verder was het contactslot van de scooter verwijderd/verbroken, maar het stond niet vast dat de verdachte dat ook wist. Uw Raad oordeelde dat de bewijsklacht faalde. In het onderhavige geval heeft het hof (kennelijk) uit de bewijsmiddelen afgeleid - en kunnen afleiden - dat de verdachte wist dat de prijssticker op de bril zat.
tweedemiddel klaagt over de strafmotivering, in het bijzonder over schending van art. 359, zesde lid, Sv. Het opleggen van een vrijheidsbenemende sanctie voor de duur van één maand zou onvoldoende met redenen zijn omkleed. De steller van het middel meent dat het hof ‘een standaardmotivering (heeft) toegepast door enkel te verwijzen naar de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de verdachte’. Ook zou het gerechtshof (ik begrijp: ten onrechte) hebben overwogen dat de verdachte ‘eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten en andersoortige strafbare feiten’.