ECLI:NL:HR:2005:AR5096
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid cassatieberoep tegen verlof tot rechtshulp en toepassing art. 23.5 en 24.5 Sv
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam tot verlening van verlof voor het verstrekken van stukken aan Belgische justitiële autoriteiten op grond van een rechtshulpverzoek. De rechtbank had toepassing gegeven aan art. 23, vijfde lid, Sv, waardoor oproeping van de belanghebbende achterwege bleef om het onderzoek niet te schaden, en aan art. 24, vijfde lid, Sv, waardoor de toezending van de beschikking werd uitgesteld tot het onderzoek dat toeliet.
De Hoge Raad oordeelde dat de termijn van veertien dagen voor het instellen van cassatie begint te lopen na toezending van de beschikking, en dat de uitreiking op 28 januari 2004 aan de belanghebbende gelijkstaat aan toezending. Het cassatieberoep van 10 februari 2004 was daarmee ontvankelijk. De Hoge Raad verwierp het verweer dat art. 23.5 Sv niet van toepassing zou zijn omdat de dwangmiddelen al waren toegepast, en bevestigde dat het voorschrift ook geldt in situaties van rechtshulp waarbij oproeping achterwege kan blijven om het onderzoek te beschermen.
Verder werd geoordeeld dat het vereiste van onverwijlde betekening ex art. 552d.1 Sv niet geldt indien art. 24.5 Sv van toepassing is, en dat het feit dat stukken aan de verzoekende staat werden toegezonden voordat de beschikking onherroepelijk was, niet tot cassatie leidt. De Hoge Raad benadrukte dat rechtshulpverzoeken zoveel mogelijk moeten worden ingewilligd, tenzij wezenlijke belemmeringen of fundamentele beginselen van het Nederlandse strafprocesrecht zich verzetten.
De Hoge Raad concludeerde dat de bestreden beschikking geen verkeerde rechtsopvatting bevat en dat het beroep niet tot cassatie kan leiden. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking tot verlening van verlof tot rechtshulp blijft in stand.