Conclusie
Nummer18/04919
Het cassatieberoep
De middelen
eerste middelhoudt in dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op een beroep op psychische overmacht en op een door en namens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafoplegging.
NJ2017/367 m.nt. Vellinga-Schootstra algemene overwegingen gewijd aan een beroep op een strafuitsluitingsgrond dat samenhangt met humanitaire gronden in geval van een vervolging ter zake van mensensmokkel. De Hoge Raad overweegt daarin onder meer:
tweede middelhoudt in dat het hof het onder 4 ten laste gelegde ten onrechte heeft bewezen verklaard, omdat de verdachte [betrokkene 9] , terwijl hij al in Nederland was, slechts heeft afgezet bij het AZC. In het bijzonder de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer begrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn.
derde middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof, dat volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden omdat de behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep binnen vier jaren is afgerond, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De verwerping van het verweer is volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd.
NJ2017/366 m.nt. Reijntjes, heeft het hof in de onderhavige zaak uitsluitend de omstandigheid dat in eerste aanleg sprake is geweest van een voortvarende afdoening en dat daardoor de zaak in twee instanties binnen een termijn van vier jaar is afgehandeld ten grondslag gelegd aan zijn beslissing geen strafvermindering toe te passen. Deze grond kan het oordeel van het hof niet dragen. Bij de beoordeling van het rechtsgevolg van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet immers in het oog worden gehouden dat de behandeling in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep geen communicerende vaten zijn. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Weliswaar staat het de rechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, maar de enkele door het hof genoemde omstandigheid is daartoe ontoereikend. [13] Het oordeel van het hof is ook daarom niet toereikend gemotiveerd.
vierde middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.