Conclusie
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
5.Het derde middel
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak werd verdachte veroordeeld wegens overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 met dodelijk gevolg. Het hof legde een gevangenisstraf van zes maanden op en een ontzegging van rijbevoegdheid voor twee jaar. Tevens kende het hof een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij, waaronder kosten voor rechtsbijstand.
De verdachte stelde cassatie in tegen het hofarrest. Een belangrijk punt betrof de onjuiste verwerking van de kosten voor rechtsbijstand: deze mogen niet als onderdeel van de schadevergoedingsmaatregel worden meegenomen, maar behoren tot de proceskosten die apart moeten worden toegewezen. De Hoge Raad vernietigde daarom dit onderdeel van het arrest en verwees terug.
Daarnaast werd het oordeel van het hof over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep getoetst. Hoewel het hof een overschrijding van ruim een jaar constateerde, zag het geen aanleiding tot strafvermindering vanwege bijzondere omstandigheden en voortvarende behandeling in eerste aanleg. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit oordeel begrijpelijk heeft gemotiveerd.
Verder werd de overschrijding van de inzendtermijn van stukken in cassatie vastgesteld, wat volgens vaste rechtspraak strafvermindering rechtvaardigt. De overige middelen werden verworpen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de schadevergoedingsmaatregel betreft en bepaalde dat de zaak daartoe wordt terugverwezen. De strafoplegging werd verminderd in de mate die de Hoge Raad passend acht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de schadevergoedingsmaatregel wegens onjuiste verwerking van kosten rechtsbijstand en vermindert de straf.